§ 1. Elke VZW, IVZW of stichting die, aan het begin van het boekjaar over een vermogen beschikkend, ertoe gehouden is, in toepassing van artikel 3:47, § 1 of 3:51, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen om voor de eerste maal de bepalingen van titel 1 en onderhavige titel toe te passen, past de hierna vastgestelde regels toe om omzichtig, oprecht en te goeder trouw de nodige opnemingen, verificaties, onderzoekingen en waarderingen te verrichten die nodig zijn om de openingsbalans van het boekjaar op te stellen op de eerste dag van het eerste boekjaar waarvoor de bepalingen van titel 1 en onderhavige titel gelden.
§ 2. Als de VZW, IVZW of stichting, naar de mening van haar bestuursorgaan, die wordt vermeld in de toelichting bij de jaarrekening, al een boekhouding voert die ten minste overeenstemt met deze die titel 1 en onderhavige titel vereisen, stemt de openingsbalans van het eerste boekjaar waarvoor de bepalingen van titel 1 en onderhavige titel gelden, overeen met de afsluitingsbalans van het vorige boekjaar.
Indien een VZW, IVZW of stichting waarderingsregels toepast die niet overeenstemmen met de regels die titel 1 en onderhavige titel opleggen, moet ze deze regels aanpassen.
De vermelding van deze aanpassing in de toelichting wordt vervolledigd met een inschatting van de gevolgen ervan.
§ 3. Als de VZW, IVZW of stichting, naar de mening van haar bestuursorgaan, geen boekhouding voert die ten minste overeenstemt met deze die titel 1 en onderhavige titel vereisen, worden de bestanddelen van de activa voor de opstelling van de openingsbalans van het eerste boekjaar waarvoor de bepalingen van titel 1 en onderhavige titel gelden, gewaardeerd tegen de aanschaffingswaarde, verminderd met de afschrijvingen die zouden zijn geboekt alsof de bepalingen van titel 1 en onderhavige titel van bij het begin zouden zijn toegepast of aan de waarde nul indien de aanschaffingswaarde niet wordt teruggevonden.
Het bestuursorgaan kan, mits melding en verantwoording in de toelichting, evenwel beslissen om deze activa te waarderen tegen werkelijke waarde, marktwaarde of gebruikswaarde waarbij het verschil tussen de waarde bepaald volgens het eerste lid en deze waarde wordt geboekt op een afzonderlijke subrekening van het betrokken actief met als tegenpost een opbrengstrekening of een rekening van het eigen vermogen. Wanneer het een vast actief met een beperkte gebruiksduur betreft moet deze waarde worden afgeschreven over de residuele gebruiksduur.
Bij ontstentenis van betrouwbare werkelijke waarde, marktwaarde of gebruikswaarde, worden de activa in de toelichting bij de jaarrekening opgenomen, aangevuld met de vermelding dat er geen betrouwbare werkelijke waarde, marktwaarde of gebruikswaarde aan kan worden gekoppeld.