§ 1. Voor de toepassing van deze titel, wordt verstaan onder:
1° “bieder”: de persoon die de voorwaarden van artikel 7:2 vervult en een uitkoopbod doet;
2° “doelvennootschap”: de niet-genoteerde besloten of naamloze vennootschap wiens effecten door het uitkoopbod worden beoogd;
3° “kredietinstelling”: een kredietinstelling waarop de wet van 25 april 2014 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen van toepassing is;
4° “effecten waarop het uitkoopbod slaat”: effecten die al dan niet het kapitaal vertegenwoordigen en stemrecht verlenen, alsook effecten die recht geven op inschrijving op of verwerving van dergelijke effecten of op omzetting in dergelijke effecten, met uitzondering van obligaties uitgegeven door de vennootschap die niet converteerbaar zijn of waaraan geen inschrijvingsrechten zijn verbonden;
5° “personen die in onderling overleg optreden”: personen tussen wie een akkoord bestaat met voor de partijen als doel of gevolg een parallelle gedragslijn te volgen voor de verwerving of de overdracht van effecten van de doelvennootschap, van de bieder of van de vennootschap waarvan de effecten als tegenwaarde worden aangeboden;
6° “verbonden personen”: vennootschappen die onderling zijn verbonden als bedoeld in artikel 1:20 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen alsmede andere natuurlijke en rechtspersonen, wanneer tussen hen een affiliatieverband bestaat in de zin van hetzelfde artikel 1:20;
7° “controle van een vennootschap”: de bevoegdheid omschreven in artikel 1:14 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
8° “gezamenlijke controle”: de controle omschreven in artikel 1:18 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen;
§ 2. Worden behoudens tegenbewijs beschouwd als een akkoord met voor de partijen als doel of als gevolg een parallelle gedragslijn te volgen voor de verwerving of de overdracht van effecten van de betrokken vennootschap:
1° andere dan statutaire overeenkomsten die een blokkering van de effecten, een goedkeuring of een gelijkaardig mechanisme voor de verwerving of overdracht van effecten van de betrokken vennootschap inhouden;
2° andere dan statutaire overeenkomsten waarin een recht van voorkoop dan wel opties of verplichtingen tot aankoop of verkoop van effecten van de betrokken vennootschap zijn bedongen;
3° de gezamenlijke controle over een vennootschap die effecten bezit van de betrokken vennootschap.
§ 3. Worden behoudens tegenbewijs vermoed in onderling overleg op te treden:
1° de bieder, de leden van zijn bestuursorganen en de vennootschappen die hij controleert of die hem controleren, alsook andere personen met wie zij een akkoord als bepaald in paragraaf 2 hebben gesloten;
2° de doelvennootschap, de leden van haar bestuursorganen en de vennootschappen die zij controleert of die haar controleren alsook andere personen met wie zij een akkoord als bepaald in paragraaf 2 hebben gesloten;
3° andere personen die met de in het 1° of 2° bedoelde personen een akkoord hebben gesloten om de verwerving van effecten van de doelvennootschap te financieren en die bij het resultaat van het bod een belang hebben dat niet uitsluitend een belang als schuldeiser is;
4° onderling verbonden personen.