COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2010/12 -De toepassing van de algemene boekhoudprincipes op afgeleide financiële instrumenten1

Advies van 8 september 2010

Inleiding

Het ontbreken van een conceptueel kader inzake de boekhoudkundige verwerking van afgeleide financiële instrumenten 

Het dynamisch karakter van de internationale financiële markten heeft tot gevolg dat vandaag de dag niet enkel gebruik wordt gemaakt van de klassieke primaire financiële instrumenten zoals aandelen en obligaties, maar ook van verschillende soorten afgeleide financiële instrumenten, zoals gestandaardiseerde en niet-gestandaardiseerde termijncontracten (futures), opties en swaps. 

De tijd dat deze producten enkel door professionals werden gebruikt, ligt ver achter ons. Hun toepassing heeft zich geleidelijk aan verspreid over de hele economische sector om zo beter te kunnen inspelen op de meest uiteenlopende dekkings- of investeringsbehoeften. Tegelijkertijd dient er gewezen te worden op de vaststelling dat het Belgische boekhoudrecht, met uitzondering van de referentiesystemen van toepassing op de financiële sector (bankwezen/verzekeringen), zich niet heeft aangepast aan deze evoluties.

De Richtlijnen 2001/65/EG2, 2003/51/EG3 en 2006/46/EG4 hebben in de Vierde Richtlijn5 de mogelijkheid geïntroduceerd om financiële instrumenten, met inbegrip van derivaten (artikels 42bis tot 42septies), op basis van de reële waarde te waarderen. Deze machtiging (of verplichting naargelang de keuze van de lidstaten) kan volgens de Zevende Richtlijn6 beperkt worden tot de geconsolideerde jaarrekening.

Zoals echter wordt uiteengezet in het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 10 augustus 20097, dat de voornoemde Richtlijn 2006/46/EG omzet in Belgisch recht, “heeft de regering geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid geboden door de geciteerde richtlijn om een waardering van financiële instrumenten toe te staan of voor te schrijven samen met de daarmee verband houdende openbaarmakingverplichtingen conform de internationale standaarden voor jaarrekeningen zoals vastgelegd bij Verordening (EG) nr. 1725/2003 van de Commissie van 29 september 2003 (…)”. De regering is immers van mening dat het op dit moment nog steeds niet opportuun zou zijn om deze mogelijkheid te introduceren in ons nationaal recht.

Bij gebrek aan specifieke regels dient de boekhoudkundige verwerking van afgeleide financiële instrumenten afgeleid te worden van de toepassing van de algemene boekhoudprincipes, opgenomen in de Vierde Richtlijn, die werden omgezet in het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen (hierna K.B. W.Venn.).

Sommige van deze boekhoudprincipes hebben in het bijzonder betrekking op waarderingsprincipes.

Het Belgische boekhoudrecht voorziet echter geen hiërarchische rangschikking van deze verschillende principes. Bijgevolg kunnen er zich bepaalde situaties voordoen waarin de afzonderlijke toepassing van bepaalde principes leidt tot tegengestelde oplossingen. Dit is het geval voor het voorzichtigheidsbeginsel en het overeenstemmingsprincipe tussen kosten en opbrengsten. Dergelijke situatie brengt moeilijkheden met zich mee bij de bepaling van een coherente boekhoudkundige verwerking met algemene draagwijdte voor dit type instrumenten.

Bijgevolg heeft de Commissie beslist, teneinde de situatie te verduidelijken, om rond dit thema een werkgroep op te richten onder het voorzitterschap van de heer Bruno Colmant, lid van de Commissie, en samengesteld uit deskundigen uit het bankwezen, revisoren en deskundigen op vlak van financieel en fiscaal recht.

Doelstelling van het advies

Dit advies heeft tot doel om, door verwijzing naar bepaalde voorafgaande adviezen, de meest relevante boekhoudprincipes te ordenen, waaruit dan de boekhoudkundige verwerking van afgeleide financiële instrumenten kan worden afgeleid, zonder afbreuk te doen aan de fiscale verwerking die specifiek van toepassing kan zijn op deze financiële instrumenten.8

De Commissie is van plan om dit advies later aan te vullen met concrete voorbeelden. 
 
Het spreekt voor zich dat vroegere adviezen met betrekking tot de boekhoudkundige verwerking van bepaalde afgeleide financiële instrumenten in een later stadium aangepast zullen worden aan de algemene principes opgenomen in dit advies.

Toepassingsgebied

Het Belgisch boekhoudrecht voorziet niet in een conceptuele definitie van afgeleide financiële instrumenten. Artikel 97, C K.B. W.Venn. bepaalt hoogstens dat de grondstoffencontracten die ieder van de contractsluitende partijen het recht geven tot afwikkeling in contanten of enig ander financieel instrument, als afgeleide financiële instrumenten worden beschouwd, behalve wanneer (a) de contracten gesloten werden en duurzaam dienen voor de verwachte inkoop-, verkoop-, of gebruiksbehoeften van de vennootschap, (b) zij bij de totstandkoming voor dat doeleinde werden bestemd, en
(c) de afwikkeling naar verwachting zal geschieden door levering van de grondstof.

In de ruime zin kan een derivaat omschreven worden als een financieel contract waarvan de waarde afhangt van de waarde van één of meer onderliggende activa of indexen. Verrichtingen inzake deze instrumenten omvatten een brede waaier aan financiële instrumenten, gaande van termijnovereenkomsten (forwards en futures), opties en financiële wissels (swaps).9

Aangezien het Belgische boekhoudrecht geen conceptuele definitie bevat van afgeleide financiële instrumenten, heeft dit advies dus, voor wat contracten zonder optiekenmerk betreft, betrekking op termijnwisselcontracten, op renteswaps (IRS) of valuta renteswaps (CIRS), en op forward rate agreements (FRA of rentefutures). In geval van opties heeft dit advies betrekking  op aan- of verkoopcontracten van deviezen, van rente (caps, floors en collars,), van effecten (vastrentende of niet-vastrentende) of op een renteswap (swaptions). Zoals voorzien in het K.B. W.Venn., gaat het hier ook over bepaalde contracten die betrekking hebben op grondstoffen (commodities)10.

Vallen echter niet binnen het toepassingsveld van dit advies: de instrumenten uitgegeven of verworven ten voordele van het personeel van de vennootschap, alsook derivaten vervat in andere financiële instrumenten of commerciële verrichtingen waarvan de juridische kwalificatie primeert voor de bepaling van de boekhoudkundige regels die erop van toepassing zijn.

Hiërargische rangschikking van de waarderingsprincipes

Voorrang van het boekhoudkundig realisatiebeginsel op het overeenstemmingsprincipe 

De gelijktijdige toepassing van het voorzichtigheidsbeginsel (historische kostprijs en realisatie) en het overeenstemmingsprincipe kan voor zekere spanningen zorgen, voornamelijk indien de toepassing van deze beginselen de boeking van een opbrengst betreft.

In feite gaat de toepassing van het realisatiebeginsel in tegen een simultane en ongedifferentieerde vergelijking van kosten en opbrengsten gegenereerd door een afgeleid financieel instrument, vanaf het ogenblik dat de boeking van de opbrengsten vereist dat deze zeker zijn, ook al volstaat het dat de kosten slechts waarschijnlijk zijn.

Zoals reeds aangehaald in de inleiding, reikt de Belgische boekhoudkundige reglementering niet de juiste sleutels aan om deze beginselen bij de verwerking van afgeleide financiële instrumenten hiërarchisch te rangschikken. De rechtsleer is op dit vlak niet veel explicieter.

Naar de mening van de Commissie is de toepassing van het overeenstemmingsprincipe op kosten en opbrengsten ondergeschikt aan het boekhoudkundig realisatiebeginsel. Het overeenstemmingsprincipe bepaalt immers dat geen opbrengsten mogen worden geboekt zonder tevens de kosten op te nemen die daaraan beantwoorden. Het realisatiebeginsel daarentegen wil dat opbrengsten pas worden geboekt wanneer ze zeker zijn, terwijl het voor de kosten volstaat dat ze slechts waarschijnlijk zijn. Het ontbreken van onzekerheid bij de boeking van een opbrengst verwijst naar het begrip realisatie.

In de zoektocht naar een boekhoudkundige verwerking die toepasbaar is op afgeleide financiële instrumenten zal, bijgevolg, de toepassing van het boekhoudkundig realisatiebeginsel algemeen genomen primeren op de toepassing van het boekhoudkundig principe van overeenstemming. 

Het bijzonder geval van effectieve dekking (of  gesloten positie)

De Commissie is van mening dat de aard van de dekkingsverrichting, die de neutralisatie beoogt van de prijsschommelingen en/of de financiële stromen van het gedekte financiële instrument, een afwijkende boekhoudkundige verwerking rechtvaardigt voor het effectieve gedeelte van deze dekking.

Om te kunnen genieten van die afwijkende verwerking, moet een dekkingsverrichting aan de volgende voorwaarden voldoen11 :

  • aard van het gedekte bestanddeel: de onderliggende instrumenten van de dekkingsverrichting moeten identieke effecten zijn als deze ter dekking waarvan de dekkingsverrichting is gesloten;
  • bestaan van een reëel risico: er moet daadwerkelijk sprake zijn van een prijsschommelingsrisico (of van een risico inzake financiële stromen) op het gedekte bestanddeel (of alle gedekte bestanddelen samen);
  • er moet voldoende correlatie bestaan tussen de prijsschommelingen of financiële stromen van het gedekte bestanddeel en deze van het dekkingsinstrument;
  • de correlatie moet gedurende de hele looptijd van de dekkingsverrichting blijven bestaan;
  • de dekkingsverrichting moet van in het begin als dusdanig worden geïdentificeerd.

De toetsing van de naleving van de voorwaarde van voldoende correlatie valt onder de verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. Volgens de Commissie kan een dekking beschouwd worden als zeer effectief indien voldaan is aan de volgende twee voorwaarden:

  • bij het aangaan van de afdekkingstransactie en in daaropvolgende perioden wordt verwacht dat de afdekking zeer effectief is wat betreft het compenseren van aan het afgedekte risico toe te schrijven veranderingen in de reële waarde of kasstromen gedurende de periode waarvoor de afdekking wordt aangemerkt. Een dergelijke verwachting kan op verschillende manieren worden aangetoond, onder meer door middel van een vergelijking van de aan het afgedekte risico toe te schrijven historische veranderingen in de reële waarde of kasstromen van de afgedekte positie met de historische veranderingen in de reële waarde of de kasstromen van het afdekkingsinstrument, of door een hoge statistische correlatie aan te tonen tussen de reële waarde of de kasstromen van de afgedekte positie en die van het afdekkingsinstrument;
  • de werkelijke effectiviteit van de afdekking valt binnen een bereik van 80 en 125%.

Verrichtingen in tegengestelde zin die elkaar neutraliseren, steunend op eenzelfde onderliggende waarde, kunnen eveneens genieten van een dergelijk regime. Zoals reeds werd aangehaald door de Commissie in het CBN-advies 167/212, kan een dergelijke situatie voortvloeien uit hetzij de afsluiting van verrichtingen zonder onderling verband op het tijdstip dat zij worden afgesloten, hetzij uit ingewikkelde combinaties van verrichtingen die niet beantwoorden aan de voorwaarden om te kunnen worden beschouwd als dekkingsverrichtingen.

In hetzelfde advies worden als voorbeeld van dit soort verrichtingen in groter aantal op een zelfde onderliggend actief, vermeld: 

  • een reeks verrichtingen, zoals het bezit van 100 aandelen X in portefeuille, de aankoop van een call-optie op 50 andere aandelen alsook het achteraf schrijven van een call-optie op 125 aandelen X die uitoefenbaar is op een andere datum dan de uitoefendatum van de eerste optie;
  • de positie die is gevormd door het schrijven van een call-optie en van een put-optie met dezelfde vervaldag en dezelfde uitoefenprijs. Deze combinatie (short straddle) kan verantwoord zijn indien de onderneming verwacht dat de markt van het onderliggende actief nauwelijks gaat evolueren en voordeel wil halen uit de ontvangen premies.

Er dient gewezen te worden op het feit dat de boekhoudkundige vertaling van een dekkingsverrichting of, meer algemeen, van verrichtingen in tegengestelde richting op eenzelfde onderliggende waarde, binnen de resultatenrekening tot neutralisatie moet leiden, en niet noodzakelijk tot compensatie, van de waardeschommelingen en/of de financiële stromen van gedekte financiële instrumenten en de financiële dekkingsinstrumenten, conform de bepalingen van artikel 25, § 2 van het K.B. W. Venn.

Het principe van vergelijking primeert hier tijdens de periode tijdens dewelke voldaan is aan de voorwaarden van de effectieve dekking.

De Commissie is bijgevolg de mening toegedaan dat voor de bepaling van het latente resultaat in een dergelijke situatie rekening dient gehouden te worden met het resultaat dat voortvloeit uit het geheel van de verrichtingen met betrekking tot eenzelfde waarde in kwestie.

Informatieverschaffing

De waarderingsregels moeten de boekhoudkundige verwerking vermelden van afgeleide financiële instrumenten, evenals van de resultaten van de verrichtingen met betrekking tot deze instrumenten.

De toelichting moet tevens (onder de “Niet in balans opgenomen rechten en verplichtingen”) een juist beeld geven van de lopende derivaatcontracten, voor zover deze steunen op significante bedragen. 

Tot slot dient er, voor zover bepaalde afgeleide financiële instrumenten in de balans niet gewaardeerd worden op basis van de reële waarde, voor elke categorie van afgeleide financiële instrumenten, in de staat “Afgeleide financiële instrumenten die niet gewaardeerd zijn op basis van de reële waarde”, een melding te worden gemaakt van de reële waarde van de instrumenten indien deze waarde bepaald kan worden dankzij één van de door artikel 97, C K.B. W.Venn.13 beschreven methodes, met opgave van hun omvang en hun aard. Indien nodig, kunnen de vennootschappen, omwille van de transparantie, tevens het verschil tussen de boekhoudkundige en de reële waarde van de betrokken afgeleide financiële instrumenten weergeven.
 

  • 1. De Commissie wenst te beklemtonen dat, gezien haar bevoegdheid, dit advies niet geldt voor de boekhoudkundige verwerking van afgeleide financiële instrumenten door ondernemingen uit de financiële sector zoals banken, kredietinstellingen en verzekeringsondernemingen.
  • 2. Richtlijn 2001/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG en 86/635/EEG met betrekking tot de waarderingsregels voor de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen evenals van banken en andere financiële instellingen.
  • 3. Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen en verzekeringsondernemingen.
  • 4. Richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, 83/349/EEG van de Raad betreffende de geconsolideerde jaarrekening, 86/635/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen en 91/674/EEG betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
  • 5. Richtlijn 78/660/EEG van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen.
  • 6. Richtlijn 83/349/EEG van 13 juni 1983 betreffende de geconsolideerde jaarrekening.
  • 7. Koninklijk besluit van 10 augustus 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen en van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel.
  • 8. De Commissie wenst te benadrukken dat de hiërarchische rangschikking van de boekhoudprincipes in dit advies enkel geldt voor de boekhoudkundige verwerking van afgeleide financiële instrumenten.
  • 9. Bazelcomité voor het banktoezicht, Risicobeheer met betrekking tot verrichtingen inzake afgeleide instrumenten, juli 1994.
  • 10. Art. 97, C K.B. W.Venn.
  • 11. Geïnspireerd op het CBN-advies 167/2 (Bulletin CBN nr. 29, november 1992, p. 4).
  • 12. Bulletin CBN nr. 29, november 1992, p. 17.
  • 13. De definitie van de reële waarde is als volgt opgenomen in art. 97, C K.B. W.Venn.: “Dient te worden verstaan onder juiste waarde in het economisch verkeer : de waarde vastgesteld met verwijzing naar :
    a) een marktwaarde voor de financiële instrumenten waarvoor een betrouwbare markt gemakkelijk is aan te wijzen. Wanneer een marktwaarde voor een gegeven instrument niet eenvoudig kan worden bepaald, maar dit wel kan voor de samenstellende elementen of voor een gelijkaardig instrument, kan de marktwaarde berekend worden op basis van die van zijn bestanddelen of die van het gelijkaardige instrument, of
    b) een waarde berekend met behulp van modellen en algemeen aanvaarde waarderingstechnieken voor de instrumenten waarvoor een betrouwbare markt niet gemakkelijk aan te wijzen is. Deze waarderingsmodellen en -technieken dienen een redelijke benadering van de marktwaarde op te leveren”
    .