COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2013/16 – Toelichting omtrent het niet-gebruik van de waarderingsgregels op basis van de waarde in het economisch verkeer voor de financiële instrumenten

Advies van 27 november 20131

Inleiding

Aan de Commissie werd de vraag gesteld hoe de toelichting omtrent financiële instrumenten die niet gewaardeerd zijn op basis van de waarde in het economisch verkeer dient te worden vervolledigd. Deze toelichting dient te worden verstrekt in het volledig model2 van de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening3 voor Belgische ondernemingen. Daarnaast dienen ook Belgische verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen een vergelijkbare toelichting te verstrekken in het volledig model4 van de jaarrekening. 

Het Koninklijk Besluit van 8 maart 20055 zet de Richtlijn 2001/65/EG6 om in Belgisch recht. Naast de Richtlijn 2001/65/EG, voorzien de Richtlijnen 2003/51/EG7 en 2006/46/EG8 de mogelijkheid om financiële instrumenten te waarderen aan de waarde in het economisch verkeer. De regering heeft echter geen gebruik gemaakt van deze mogelijkheid9

De artikelen 2 en 4 van het Koninklijk Besluit van 8 maart 2005 passen artikelen 91 en 165 van het KB W.Venn. aan. In deze artikelen wordt bepaald dat in de enkelvoudige en geconsolideerde jaarrekening, in geval van niet-gebruik van de waarderingsmethode op basis van de waarde in het economisch verkeer voor financiële instrumenten, voor iedere categorie afgeleide financiële instrumenten de waarde in het economisch verkeer moet worden toegelicht indien deze waarde kan worden bepaald middels een van de in artikel 97, C voorgeschreven methoden, alsook informatie moet worden opgenomen over de omvang en de aard van de instrumenten. 

Het CBN-advies 2010/1210 – De toepassing van de algemene boekhoudprincipes op afgeleide financiële instrumenten, omschrijft afgeleide financiële instrumenten als volgt: “Het Belgisch boekhoudrecht voorziet niet in een conceptuele definitie van afgeleide financiële instrumenten. Artikel 97, C KB W.Venn. bepaalt hoogstens dat de grondstoffencontracten die ieder van de contractsluitende partijen het recht geven tot afwikkeling in contanten of enig ander financieel instrument, als afgeleide financiële instrumenten worden beschouwd, behalve wanneer (a) de contracten gesloten werden en duurzaam dienen voor de verwachte inkoop-, verkoop-, of gebruiksbehoeften van de vennootschap, (b) zij bij de totstandkoming voor dat doeleinde werden bestemd, en (c) de afwikkeling naar verwachting zal geschieden door levering van de grondstof. In de ruime zin kan een derivaat omschreven worden als een financieel contract waarvan de waarde afhangt van de waarde van één of meer onderliggende activa of indexen. Verrichtingen inzake deze instrumenten omvatten een brede waaier aan financiële instrumenten, gaande van termijnovereenkomsten (forwards en futures), opties en financiële wissels (swaps).

Aangezien het Belgische boekhoudrecht geen conceptuele definitie bevat van afgeleide financiële instrumenten, heeft dit advies dus, voor wat contracten zonder optiekenmerk betreft, betrekking op termijnwisselcontracten, op renteswaps (IRS) of valuta renteswaps (CIRS), en op forward rate agreements (FRA of rentefutures). In geval van opties heeft dit advies betrekking op aan- of verkoopcontracten van deviezen, van rente (caps, floors en collars), van effecten (vastrentende of niet-vastrentende) of op een renteswap (swaptions). Zoals voorzien in het KB W.Venn., gaat het hier ook over bepaalde contracten die betrekking hebben op grondstoffen (commodities).

Vallen echter niet binnen het toepassingsveld van dit advies: de instrumenten uitgegeven of verworven ten voordele van het personeel van de vennootschap, alsook derivaten vervat in andere financiële instrumenten of commerciële verrichtingen waarvan de juridische kwalificatie primeert voor de bepaling van de boekhoudkundige regels die erop van toepassing zijn.”

Als gevolg van de onder randnummer 4 opgenomen definitie van afgeleide financiële instrumenten, is de Commissie de mening toegedaan dat er een passende toelichting omtrent het gebruik van de waarde in het economisch verkeer dient te worden opgenomen voor deze instrumenten door toepassing van het artikel 91 of 165 KB W.Venn., voor zover deze afgeleide financiële instrumenten niet gewaardeerd zijn op basis van de waarde in het economisch verkeer.

Definiëring van de waarde in het economisch verkeer of reële waarde

De invulling van het begrip waarde in het economisch verkeer of reële waarde werd opgenomen in artikel 97, C, KB W.Venn.: “Dient te worden verstaan onder juiste waarde in het economisch verkeer: de waarde vastgesteld met verwijzing naar:

  1. een marktwaarde voor de financiële instrumenten waarvoor een betrouwbare markt gemakkelijk is aan te wijzen. Wanneer een marktwaarde voor een gegeven instrument niet eenvoudig kan worden bepaald, maar dit wel kan voor de samenstellende elementen of voor een gelijkaardig instrument, kan de marktwaarde berekend worden op basis van die van zijn bestanddelen of die van het gelijkaardige instrument, of
  2. een waarde berekend met behulp van modellen en algemeen aanvaarde waarderingstechnieken voor de instrumenten waarvoor een betrouwbare markt niet gemakkelijk aan te wijzen is. Deze waarderingsmodellen en -technieken dienen een redelijke benadering van de marktwaarde op te leveren.”

Dit impliceert dat enerzijds de onderneming rechtstreeks mag verwijzen naar de marktwaarde, ofwel naar een waarde berekend met behulp van modellen waarvan de voornaamste parameters zijn gebaseerd op marktgegevens. Anderzijds, kunnen afgeleide financiële instrumenten waarvoor geen betrouwbare marktgegevens beschikbaar zijn, worden gewaardeerd aan de hand van een algemeen aanvaarde waarderingstechniek.

De Commissie wenst er tevens op te wijzen dat de Richtlijn 2001/65/EG bepaalt dat, indien er gebruik wordt gemaakt van waarderingsmodellen- en technieken, de voornaamste hypothesen moeten worden toegelicht. Het Koninklijk Besluit van 8 maart 2005 vermeldt hier echter niets over waardoor de standaardmodellen van de jaarrekeningen en de geconsolideerde jaarrekeningen geen ruimte voorzien om een dergelijke toelichting te kunnen verstrekken. 

De Commissie beveelt dan ook aan dat, indien de bepaling van de reële waarde voor afgeleide financiële instrumenten (infra) werd gebaseerd op niet rechtstreeks waarneembare veronderstellingen, deze veronderstellingen dienen te worden opgenomen in de vrije toelichtingen van de jaarrekening voor zover deze veronderstellingen significant zouden zijn. 

Waardering tegen de waarde in het economisch verkeer of reële waarde bij speculatieve transacties

Uit de algemeen geldende waarderingsregels alsook uit de samenlezing van het CBN-advies 2010/12 – De toepassing van de algemene boekhoudprincipes op afgeleide financiële instrumenten11 en het CBN-advies 2011/18 – De boekhoudkundige verwerking van de renteswap (Interest rate swap)12 kan worden besloten dat in een Belgische context slechts kan worden rekening gehouden met de reële waarde bij de waardering van afgeleide financiële instrumenten die deel uitmaken van een speculatieve verrichting13.

Immers in het geval een effectieve dekking of gesloten positie (cash flow hedge of fair value hedge), ongeacht het type afgeleid financieel instrument, is de waardering tegen reële waarde uitgesloten14.

Hieruit kan worden afgeleid dat de toelichting uit artikel 91 en 165 van het KB W. Venn. enerzijds haar toepassing zal kennen voor afgeleide financiële instrumenten die deel uitmaken van een gesloten positie aangezien deze instrumenten niet gewaardeerd worden tegen reële waarde en de marktwaarde derhalve dient te worden toegelicht. Anderzijds zal deze toelichting ook moeten worden verstrekt voor afgeleide financiële instrumenten in een speculatieve verrichting, maar dan enkel indien deze instrumenten latente meerwaarden vertonen omdat deze meerwaarden, het voorzichtigheidsprincipe indachtig, niet kunnen worden gekwalificeerd als vaststaande opbrengsten en als dusdanig ook niet in resultaat kunnen worden genomen15

De Commissie is zich ervan bewust dat de toelichting uit artikel 91 en 165 van het KB W. Venn. mogelijks tot verwarring zou kunnen leiden bij de gebruiker van de jaarrekening. Het is immers denkbaar dat een speculatief instrument in het jaar N een latente minderwaarde vertoont, en dus niet dient te worden toegelicht, en het jaar N+1 een latente meerwaarde vertoont, en dus wel dient te worden toegelicht. De gebruiker van de jaarrekening zou hieruit verkeerd kunnen afleiden dat een speculatief instrument mogelijks deel uitmaakt van een gesloten positie. Reeds in haar CBN-advies 2011/18 werd er door de Commissie een eerste voorstel tot toelichting opgenomen voor de renteswap. 

De Commissie wenst dan ook in dit advies een algemeen geldend rapporteringsraamwerk op te stellen voor afgeleide financiële instrumenten ongeacht of deze al dan niet een deel uitmaken van een gesloten positie.

Toelichting omtrent het gebruik van de waarde in het economisch verkeer voor afgeleide financiële instrumenten

De huidige toelichtingsvereisten omtrent het gebruik van marktwaarde voor afgeleide financiële instrumenten kunnen mogelijks leiden tot foute conclusies omtrent het gebruik van afgeleide financiële instrumenten door ondernemingen (supra, randnummer 13). Het lijkt de Commissie derhalve aangewezen dat, behoudens de specifieke toelichtingsvereisten van elk type afgeleid financieel instrument16, ook een vergelijkend overzicht wordt opgesteld. Dit overzicht, waarin uitsluitend de waarde, de omvang en de aard van de instrumenten worden opgenomen, kan dan worden opgenomen onder de vrije toelichtingen van de jaarrekening. 

Als gevolg van deze bijkomende toelichting zal de gebruiker van de jaarrekening een betere inzage krijgen in de verschillende types van afgeleide financiële instrumenten en waarvoor deze worden gehanteerd binnen de onderneming. De Commissie acht het tevens nuttig om per type van instrument ook het ingedekte risico narratief toe te lichten. De vergelijking tussen boekwaarde en marktwaarde zal voornamelijk voor de speculatieve afgeleide financiële instrumenten meer duidelijkheid bieden: speculatieve instrumenten die in een bepaald boekjaar worden opgenomen aan boekwaarde vertonen m.a.w. een latente meerwaarde; speculatieve instrumenten die worden opgenomen aan marktwaarde vertonen een minderwaarde die reeds ten laste werd gelegd van de periode.

Daarnaast wenst de Commissie tevens te wijzen op haar opmerking opgenomen onder randnummer 8 en 9: indien de marktwaarde werd bepaald door specifieke waarderingsmodellen- en technieken, dienen, althans op grond van Richtlijn 2001/65/EG, de voornaamste parameters voor deze modellen ook narratief te worden beschreven indien hun impact significant zou zijn.
 

  • 1. Onderhavig advies is tot stand gekomen nadat een ontwerp van het advies op 3 oktober 2013 ter consultatie werd gepubliceerd op de website van de CBN.
  • 2. Art. 91, A, XX, Koninklijk Besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen, BS 6 februari 2001 (hierna: KB W.Venn.).
  • 3. Art. 165, XVIII, KB. W.Venn.
  • 4. Art.15, eerste lid, Koninklijk Besluit van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen, BS 30 december 2003.
  • 5. BS 11 maart 2005.
  • 6. Richtlijn 2001/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 september 2001 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG en 86/635/EEG met betrekking tot de waarderingsregels voor de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen evenals van banken en andere financiële instellingen.
  • 7. Richtlijn 2003/51/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2003 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG, 83/349/EEG en 91/674/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, banken en andere financiële instellingen en verzekeringsondernemingen.
  • 8. Richtlijn 2006/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 tot wijziging van de Richtlijnen 78/660/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen, 83/349/EEG van de Raad betreffende de geconsolideerde jaarrekening, 86/635/EEG van de Raad betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen en 91/674/EEG betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van verzekeringsondernemingen.
  • 9. Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 10 augustus 2009 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen en van het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot bepaling van de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel.
  • 10. CBN-advies 2010/12 – De toepassing van de algemene boekhoudprincipes op afgeleide financiële instrumenten, Bulletin CBN, 55, november 2010, 31-38.
  • 11. CBN-advies 2010/12 – De toepassing van de algemene boekhoudprincipes op afgeleide financiële instrumenten, Bulletin CBN, 55, november 2010, 31-38.
  • 12. CBN-advies 2011/18 – De boekhoudkundige verwerking van de renteswap (Interest rate swap), Bulletin CBN, 60, januari 2012, 47-58.
  • 13. In paragraaf III, A., 1 van het CBN-advies 2011/18 stelt de Commissie immers: "Conform het CBN-advies 2010/12 en niettegenstaande de mogelijke decompositie van een IRS in een lening en een ontlening, worden enkel de latente schulden in resultaat genomen volgens de lower of cost or market-methode. De latente meerwaarden kunnen namelijk, het voorzichtigheidsbeginsel indachtig, niet gekwalificeerd worden als vaststaande opbrengsten en ze kunnen bijgevolg niet in resultaat genomen worden.”
  • 14. In paragraaf III, C., 1 van het CBN-advies 2011/18 stelt de Commissie immers: “Conform de boekhoudkundige principes van indekkingstransacties, opgenomen in het CBN-advies 2010/12, wordt daarentegen (zelfs) een (negatieve) schommeling van de marktwaarde van het indekkingsinstrument aan het einde van de periode niet in resultaat genomen.”
  • 15. Vertonen zij daarentegen een latente minderwaarde, dan worden deze minderwaarden in resultaat genomen volgens de Lower of cost or market-methode en worden deze afgeleide financiële instrumenten als dusdanig opgenomen aan marktwaarde.
  • 16. Het CBN-advies 2011/18 geeft in paragraaf IV specifieke toelichtingsvereisten voor interest rate swaps.