CBN-advies 169/2 - Verwerking van cessie-retrocessieverrichtingen in de jaarrekening van ondernemingen

Inleiding : de cessie-retrocessieverrichting

Er is sprake van een cessie-retrocessieverrichting wanneer tussen dezelfde partijen wederzijds twee verrichtingen plaatsvinden voor de vaste aankoop en verkoop van dezelfde actiefbestanddelen of actiefbestanddelen met identieke kenmerken, de ene contant, de andere op termijn, en die beide een geldschuld doen ontstaan die overeenstemt met de afgesproken cessieprijs. Wat de hoofdsom betreft, geven zij aanleiding tot een geldoverdracht, als tegenprestatie voor de overdracht van de eigendom van het betrokken actief, bijvoorbeeld effecten1

Met een cessie-retrocessieverrichting moet elke verrichting worden gelijkgesteld waarbij één partij welbepaalde activa, bijvoorbeeld effecten, koopt van een andere partij of die activa in eigen naam verwerft voor rekening of ten bate en voor risico van die andere partij, met een terugkoopoptie voor de oorspronkelijke cedent of een doorverkoop- of verkoopoptie voor de oorspronkelijke cessionaris of de koper, wanneer, rekening houdend met de omstandigheden en de bedoelingen van de partijen, vaststaat dat de retrocessie zal plaatsvinden. Dat zal meestal het geval zijn bij een wederzijdse terugkoopoptie voor de oorspronkelijke cedent (call) en een wederzijdse verkoop- of doorverkoopoptie voor de oorspronkelijke koper (put). Dat zal eveneens het geval zijn bij een eenvoudige optie waarbij de bedongen voorwaarden van die aard zijn dat de retrocessie van bij de aanvang vaststaat. 

Daarentegen wordt een verkoop met recht van wederinkoop tegen voorwaarden waarbij de uitoefening van het recht van wederinkoop van bij de aanvang onzeker is, niet als een cessie-retrocessie beschouwd. 

Specifiek voor een dergelijke cessie-retrocessieverrichting is dat dezelfde actiefbestanddelen of actiefbestanddelen met identieke kenmerken tweemaal achtereenvolgens en in tegengestelde zin tussen dezelfde personen worden overgedragen, waarbij die overdrachten van bij de aanvang zijn afgesproken tegen een bepaalde cessie- en retrocessieprijs en aanleiding geven tot twee geldoverdrachten tussen diezelfde personen, de ene contant en de andere, in tegengestelde zin, op termijn. 
Dit advies handelt niet over de cessie-retrocessieverrichtingen (contant tegenover termijn) die betrekking hebben op deviezen. Ter zake wordt verwezen naar het in Bulletin nr. 20 gepubliceerde advies nr. 152/1 over deviezenverrichtingen. 
Cessie-retrocessie van effecten speelt bij verrichtingen tussen financiële bemiddelaars een belangrijke rol als instrument voor geldlening/-ontlening voor een meestal vrij korte termijn. In beroepsmiddens worden die verrichten vaak herdisconto's met overeengekomen vervaldag of prolongaties genoemd. In financieel opzicht hebben zij in feite dezelfde betekenis als leningen waarbij de betrokken activa als borg dienen. 

Cessies-retrocessies kunnen evenwel betrekking hebben op andere activa dan effecten en kaderen in financierings- of herfinancieringsverrichtingen op korte, middellange of zelfs lange termijn. Ook portageverrichtingen zijn vaak op een cessie-retrocessie gebaseerd. 
Bijgevolg kunnen zij interessant zijn voor, en worden toegepast door tal van ondernemingen buiten de sector van de financiële bemiddelaars. 

Korte juridische en financiële analyse van de cessie-retrocessieverrichting

Juridisch gezien komt de verrichting neer op een dubbele verkoop, met dubbele betaling van de afgesproken prijs, enerzijds voor de cessie en anderzijds voor de retrocessie. Het gaat evenwel om een eenmalige overeenkomst tussen dezelfde partijen met betrekking tot twee opeenvolgende onderling onlosmakelijk verbonden cessie in omgekeerde zin. De cessie en retrocessie kunnen derhalve niet gescheiden en afzonderlijk worden beschouwd; bij de analyse van de oorspronkelijke cessie moet rekening worden gehouden met de retrocessie waarmee zij onlosmakelijk is verbonden, in het kader van een specifiek, onbenoemd rechtsverband. 

Tijdens de parlementaire voorbereiding van voornoemde wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium werd onderstreept dat, uit economisch oogpunt, de cessie-retrocessieovereenkomst meer verwantschap vertoont met een lening op onderpand, waarbij een partij aan een andere een som geld leent tegen afgifte van de beleende effecten, die op de overeengekomen vervaldag worden teruggegeven tegen terugbetaling van de lening in hoofdsom en rente, maar dat dergelijke verrichting juridisch niet als een gedekte lening kan worden aangemerkt, want de koper a contant wordt werkelijk eigenaar van de effecten die hij in ontvangst neemt, met alle aan deze hoedanigheid verbonden consequenties. In diezelfde parlementaire voorbereiding werd duidelijk onderstreept dat hier een fiduciaire eigendomsoverdracht als zekerheidsstelling betreft, die hoofdzakelijk tot doel heeft de terugbetaling van de overeengekomen tegenwaarde van de betrokken effecten te garanderen. In de rechtsleer wordt deze verrichting uitgelegd als een toepassing van de fiduciaire eigendomsoverdracht als zekerheidsstelling2

In financieel opzicht zij erop gewezen : 

  • dat de oorspronkelijke cedent een contante geldoverdracht ontvangt die hij op de afgesproken datum of op het afgesproken tijdstip zal moeten terugbetalen, verhoogd met een bepaald bedrag dat normaliter overeenstemt met de rente op een even groot kapitaal, dat voor een zelfde periode wordt ontleend; 
  • dat, hoewel het gevaar op verlies door toeval op de oorspronkelijke cessionaris overgaat, de oorspronkelijke cedent niettemin, net als de lener, een koersrisico of een waarderisico blijft lopen op het overgedragen actief dat later door retrocessie opnieuw op hem zal overgaan; 
  • dat de oorspronkelijke cessionaris zich in een volledig tegenovergestelde situatie bevindt. Aanvankelijk staat hij een overdracht toe van geld dat hem op het afgesproken tijdstip zal worden terugbetaald, verhoogd met een bepaald bedrag dat normaliter overeenstemt met de rente op een voor dezelfde duur geleend kapitaal; hoewel hij het gevaar loopt op verlies door toeval, loopt hij geen koersrisico of waarderisico op het actief dat hij heeft verworven, maar dat hij op de aanvankelijk afgesproken datum en tegen de aanvankelijk afgesproken prijs zal retrocederen aan de oorspronkelijke cedent; 
  • dat de oorspronkelijke cedent én de oorspronkelijke cessionaris inderdaad een tegenpartijrisico lopen. Indien één van de partijen in gebreke blijft, zullen de koersrisico's worden overgedragen. Indien de oorspronkelijke cedent in gebreke blijft, zal de oorspronkelijke cessionaris de activa behouden die hem aanvankelijk werden overgedragen; als gevolg daarvan zal het koersrisico van de oorsponkelijke cedent op de oorspronkelijke cessionaris worden overgedragen. Indien de oorspronkelijke cessionaris in gebreke blijft, zal de oorspronkelijke cedent de retrocessieprijs niet betalen en het koersrisico zal eveneens aan de oorspronkelijke cessionaris worden overgedragen (dit alles onder voorbehoud van de uitoefening van andere verhaalrechten). De hypothese waarin één van de partijen in gebreke blijft, wordt in dit advies niet nader uitgediept. 

Een bijzondere aandacht gaat naar een specifiek, in de praktijk blijkbaar vaak voorkomend geval want ingeburgerd in de marktovereenkomsten, waarbij de oorspronkelijke cessionaris, met instemming van de tegenpartij, de mogelijkheid heeft om voor eigen rekening te beschikken over de activa die hij fiduciair heeft ontvangen- en inzonderheid om ze te verkopen - op voorwaarde dat hij ze door soortgelijke activa vervangt, en die mogelijkheid effectief benut. 
 
In dat geval is de toestand helemaal anders. De cessionaris bezit de effecten niet meer als zekerheidsstelling voor de terugbetaling van de tegenwaarde van de betrokken effecten, maar beschikt hierover door cessie aan een derde in volle eigendom. De overdracht van het effect aan een derde resulteert over het algemeen in een baissepositie en bijgevolg in een koersrisico voor de oorspronkelijke cessionaris; indien een coupon wordt geïnd vóór de afwikkeling van de verrichting, is de oorspronkelijke cessionaris voor de ontbrekende coupon een vergoeding verschuldigd aan de oorspronkelijke cedent. 

Boekhoudkundige verwerking van cessie-retrocessieverrichtingen

Bij de aanvang van deze analyse lijken twee benaderingen mogelijk, afhankelijk of de nadruk meer wordt gelegd op de dubbele geldoverdracht dan wel op de cessie-retrocessie van de betrokken actiefbestanddelen. 

Eerste benadering

In de eerste benadering wordt de verrichting beschouwd als een financierings- of herfinancieringsverrichting, als een lening met interest gekoppeld aan een fiduciaire overdracht van de eigendom van de betrokken actiefbestanddelen. Deze benadering wordt, voor de kredietinstellingen, bevestigd door het koninklijk besluit van 23 september 19923 dat ter zake is gebaseerd op de regel vastgelegd in de richtlijn van de Raad van de EG betreffende de jaarrekening van de kredietinstellingen. Zij ligt eveneens aan de basis van de door voornoemde wet van 2 januari 1991 ingevoerde regeling. 

In deze optiek en wat de boekhoudkundige verwerking betreft, worden de betrokken activa, aangezien er wordt van uitgegaan dat de overdracht gewoon fiduciair gebeurt, geacht de eigendom te blijven van de oorspronkelijke cedent en worden zij bijgevolg verder door hem als eigen activa geboekt, waarop de bepalingen van het gemeen boekhoudrecht van toepassing zijn. De door hem ontvangen bedragen worden daarentegen als ontleende bedragen beschouwd. De cessie-retrocessieverrichting zal bijgevolg in de jaarrekening van de oorspronkelijke cedent, zoals ook in de jaarrekening van de oorspronkelijke cessionaris, worden verwerkt op dezelfde wijze als een lening met interest die door de betrokken actiefbestanddelen is gewaarborgd. 

Het verschil tussen de retrocessie- en de cessieprijs wordt als interest beschouwd en door de partijen pro rata temporis in resultaat genomen, als kost voor de oorspronkelijke cedent, als opbrengst voor de oorspronkelijke cessionaris. 

Bij deze eerste benadering die het beginsel huldigt van de fiduciaire overdracht, stelt de toerekening van de door de overgedragen activa verwezenlijkte opbrengsten in beginsel geen probleem. Die opbrengsten (coupons, dividenden, huurgelden, termijnbetalingen, enz.) komen toe aan de oorspronkelijke cedent in zijn hoedanigheid van eigenaar. Zij worden normaliter geïnd door de fiduciaire bezitter van de betrokken activa of door zijn lasthebber, maar in naam en voor rekening van de oorspronkelijke cedent. Indien met betrekking tot het fiduciair ontvangen effect, de oorspronkelijke cessionaris een cessie, retrocessie of lening aangaat tegenover een derde, moet, wat hem betreft en vooraleer de verrichting plaatsheeft, naast de lening in contanten en de overeenstemmende vordering ook de verwerving van de eigendom van het betrokken effect worden geboekt, met als tegenboeking een effectenschuld ten belope van hetzelfde bedrag. Over het algemeen zal daaruit een baissepositie voortvloeien met een koersrisico tot gevolg, dat in resultaat moet worden genomen in geval van potentieel verlies en overgedragen in geval van potentiële winst. Indien een coupon vervalt tijdens de duur van de verrichting, zal een vergoeding voor ontbrekende coupon verschuldigd zijn. Voor de boekhoudkundige verwerking van die aspecten, wordt verwezen naar het advies nr.169/1 hierboven inzake leningen en ontleningen van effecten. 

Tweede benadering 

In de tweede benadering wordt de nadruk gelegd op de dubbele effectieve overdracht in volle eigendom van de betrokken activa, enerzijds bij de cessie, anderzijds bij de retrocessie. Maar, aangezien de retrocessie van bij de aanvang nauw is verbonden met de cessie, moet ervan worden uitgegaan dat beide verrichtingen, in termen van resultaat, één enkele verrichting vormen. 

Voor de toepassing van het boekhoudrecht en met toepassing van artikel 31, § 1, c), aa) van de vierde richtlijn, op grond waarvan «Winsten slechts mogen worden opgenomen voor zover zij op de balansdatum zijn gerealiseerd», mag het positieve of negatieve verschil tussen de oorspronkelijke cessieprijs en de boekwaarde voor de oorspronkelijke cedent, van de overgedragen activa bijgevolg niet als een gerealiseerd resultaat worden beschouwd. Het zal bijgevolg bij de cedent op een wachtrekening worden geboekt, aan actief- of aan passiefzijde. Bij de retrocessie zal deze wachtrekening worden tegengeboekt. Enkel het verschil tussen de cessieprijs en de retrocessieprijs zou, onder voorbehoud van de verwerking van de door de betrokken activa verwezenlijkte opbrengsten, een resultaat opleveren voor de oorspronkelijke cedent.

Net zoals bij de eerste benadering, blijft de oorspronkelijke cedent bij de tweede benadering blootgesteld aan het koersrisico. Bij een koersdaling van het betrokken actief (het effect), beïnvloedt die daling de waarde van de activa (de effecten) die hij, volgens de door hem aangegane verbintenis, op de vervaldatum zal terugkopen. In dat geval zal voor dat risico geen waardevermindering moeten worden vastgesteld, maar een voorziening moeten worden gevormd. De invloed op het resultaat zal echter identiek zijn. 

Het is belangrijk dat een keuze wordt gemaakt tussen beide benaderingen. Het lijkt immers niet wenselijk beide benaderingen tergelijkertijd te aanvaarden en de keuze over te laten aan de onderneming. 

Voor de eerste benadering pleit de voor de hand liggende nood aan coherentie tussen de regels voor de sector van de kredietinstellingen en die voor de andere ondernemingen, tussen de regels voor de effectenverrichtingen en die voor verrichtingen op andere overgedragen actiefbestanddelen, alsook de nood aan coherentie met de fiscaalrechtelijke kwalificatie van de opbrengsten van dergelijke verrichtingen4. In de eerste benadering vervalt ook het probleem in verband met de boeking van de opbrengsten uit de betrokken activa, behalve wanneer de cessionaris de betrokken aandelen zou hebben verkocht. Nadeel is echter dat zij niet aansluit bij de burgerrechtelijke kwalificatie van de verrichting door die te herkwalificeren als een door een fiduciaire overdracht gewaarborgde lening en derhalve geen rekening houdt met het aspect «eigendomsoverdracht» noch met de betaling van een prijs. 

Voor de tweede benadering pleit de zorg om de coherentie met de in het advies 169/1 bedoelde boekhoudkundige verwerking van effectenleningen en met het aspect «eigendomsoverdracht» als vastgelegd in het burgerlijk recht. Nadeel is echter dat zij niet aansluit bij de manier waarop dezelfde verrichtingen worden verwerkt indien uitgevoerd door een kredietinstelling, en voor de oorspronkelijke cedent een wijziging in de burger- en fiscaalrechtelijke kwalificatie van de betrokken opbrengst met zich brengt met betrekking tot de opbrengsten uit de betrokken activa, doordat in de plaats van een interestcoupon of een dividend een «vergoeding voor ontbrekende coupon» wordt uitgekeerd. Wat dat laatste punt betreft en voor zover het effect niet is bestemd om aan derden te worden overgedragen, zij er echter op gewezen dat de cessie- retrocessieovereenkomst gewoon kan bepalen dat het effect zonder coupon wordt overgedragen (in feite in blote eigendom) of dat de coupon door de cessionaris of de derde-bewaarder voor rekening van de oorspronkelijke cedent zal worden geïnd. 

Omwille van de coherentie meent de Commissie voor de eerste benadering te moeten opteren. De boekhoudkundige kwalificatie van de cessie- retrocessieverrichting als een lenings-/ ontleningsverrichting met fiduciaire overdracht van de eigendom van het betrokken effect, vereist volgens haar dat een reglementaire bepaling wordt getroffen. Die visie kan inderdaad als zodanig niet uit de bestaande teksten worden afgeleid. Het bewijs daarvan wordt trouwens geleverd door het feit dat deze kwestie voor de kredietinstellingen uitdrukkelijk is geregeld. Bij de invoering van de markt voor de lineaire obligaties en de schatkistcertificaten, bleek het bovendien noodzakelijk hiervoor een wettelijke regeling te treffen. De Commissie zal de Regering dan ook voorstellen ter zake een bepaling in te voeren in het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 bij een volgende wijziging daarvan. 

Diverse vragen

De vraag werd gesteld hoe de cessie-retrocessieverrichting in de jaarrekening van de ondernemingen moet worden verwerkt wanneer, tussen de cessie en de retrocessie : 

- zich een feit voordoet dat de retrocessie onmogelijk maakt van een identiek goed als het goed waarop de oorspronkelijke cessie betrekking heeft, of 

- voor de houder een ander recht ontstaat dan het recht op dividend of op interestcoupons. 

Ter zake wordt verwezen naar het advies nr. 169/1 hierboven inzake leningen en ontleningen van effecten. 

Voorbeeld : schema voor de boekhoudkundige verwerking van een cessie-retrocessieverrichting

Voorbeeld

Een handelsonderneming A bezit, als geldbelegging, aandelen Y met aanschaffingsprijs 1.000.000. 

Om een tijdelijk geldtekort op te vangen, verkoopt de betrokken onderneming op 30 november 199x deze aandelen aan de vennootschap B voor 1 500 000 (de beurskoers bedraagt op die datum 1 600 000) en koopt ze tegelijkertijd terug van diezelfde vennootschap op datum van 31 januari 199x+1 voor 1 530 000 F. 

B verkoopt de betrokken aandelen op 10 december 199x voor 1.602.000 in de hoop ze eind januari tegen een lagere koers te kunnen terugkopen. 

Op 31 december 199x bedraagt de koers 1.550.000. 

Op 30 januari 199x+1 koopt de vennootschap B de terug te geven aandelen voor 1.540.000. 

1.     Boekingen in hoofde van lener en ontlener vóór het afsluiten van de cessie/retrocessieverrichting 

(Oordpronkelijke) cedent van het aandeel

510 Aandelen (aandelen Y) 1.000.000  
  aan 4... Diverse passiva   1.000.000

(Oorspronkelijke) cessionaris van het aandeel

/

2.     Afsluiten van de cessie/retrocessieverrichting op de aandelen Y op 30 november 199x 

Overeenkomstig de in dit advies gekozen benadering, wordt het aandeel Y waarop de cessie-retrocessieovereenkomst betrekking heeft, door de oorspronkelijke cedent nog steeds geboekt als eigen actief. Het bedrag ten belope van 1 500 000 dat laatstgenoemde heeft ontvangen, wordt daarentegen als een ontleend bedrag beschouwd. 

In de jaarrekening van de oorspronkelijke cessionaris, impliceert het afsluiten van een cessie-retrocessieovereenkomst de boeking van een vordering (ten belope van een bedrag dat overeenstemt met het bedrag dat bij «Financiële schulden» is geboekt in de boekhouding van de oorspronkelijke cedent) ongeacht het uiteindelijke doel van een dergelijke overeenkomst, namelijk :  

- een "gewone" herfinancieringsverrichting; 

- een overdracht van het (fiduciair ontleende) aandeel aan een derde, die voor de cessionaris resulteert in een baissepositie. 

(Oorspronkelijke) cedent van het aandeel

55 Kredietinstellingen 1.500.000  
  aan 43 Financiële schulden   1.500.000
51... Aandelen Y in cessie-retrocessie 1.000.000  
  aan 510 Aandelen (aandelen Y)   1.000.000
020 Crediteuren van de onderneming, houders van zakelijke zekerheden 1.000.000  
  aan 021 Zakelijke zekerheden gesteld voor eigen rekening   1.000.000

(Oorspronkelijke) cessionaris van het aandeel

416 Diverse vorderingen 1.500.000  
  aan 55 Kredietinstellingen   1.500.000
032 Ontvangen zekerheden5 1.600.000  
  aan 33 Zekerheidsstellers   1.600.000

 

3.     Overdracht door de vennootschap B van de aandelen Y aan een derde op 10 december 199x 

Een cessie-retrocessieverrichting (zie ter zake punt 2) wordt in de boekhouding van de oorspronkelijke cedent en in die van de oorspronkelijke cessionaris geboekt als een lening die is gewaarborgd door de betrokken actiefbestanddelen.

In dit voorbeeld echter waarin de fiduciair ontvangen aandeel Y wordt overgedragen door de (oorspronkelijke) cessionaris aan een derde6 moet, vóór de overdracht wordt geboekt, de verwerving van de eigendom van het betrokken aandeel worden geboekt met als tegenboeking een aandelenschuld ten belope van hetzelfde bedrag. Dit impliceert dat :

- de aandelen waarop de cessie-retrocessieovereenkomst betrekking heeft, worden «opgenomen» in het vermogen van de oorspronkelijke cessionaris en teruggenomen tegen de beurskoers (namelijk 1.602.000) op de dag waarop de overeenkomst wordt afgesloten;

- tegelijkertijd de overdracht van de betrokken aandelen aan een derde (voor hetzelfde bedrag van 1.602.000), in de boekhouding tot uitdrukking word gebracht.

(Oorspronkelijke) cedent van het aandeel

/

(Ooorspronkelijke) cessionaris van het aandeel

Voorafgaande opneming van de aandelen Y in de portefeuille7

51... Aandelen Y 1.602.000  
  aan 487 Te retrocederen aandelen   1.602.000

Overdracht van de aandelen Y

55 Kredietinstellingen 1.602.000  
  aan 51... Aandelen Y   1.602.000

 
4.     Tussentijdse balans (op 31.12.199x)

De slotkoers bedraagt 1 550 000.

Overeenkomstig de benadering van de «fiduciaire overdracht» die als regel wordt ingevoerd in het advies nr. 169/2 :

- wordt het verschil van 30 000 tussen de retrocessieprijs (1.530.000) en de cessieprijs (1.500.000) als een interest beschouwd;

Bij de jaarafsluiting moet bijgevolg een prorata van die vergoeding worden geboekt (namelijk 30.000 over 2 maanden, met andere woorden 15.000, op 31 december 199x aan kosten-/opbrengstenzijde te boeken);

- komen de inkomsten uit het aandeel Y toe aan de oorspronkelijke cedent als eigenaar en worden zij normaliter geïnd door de fiduciaire eigenaar van de betrokken activa of door zijn lasthebber, maar in naam en voor rekening van de oorspronkelijke cedent8.

(Oorspronkelijke) cedent van het aandeel

650 Kosten van de schulden 15.000  
  aan 492 Toe te rekenen kosten   15.000

(Oorspronkelijke) cessionaris van het aandeel

491 Verkregen opbrengsten 15.000  
  aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa   15.000

 

 

5.     Aankoop door de vennootschap B van aandelen Y op de markt (op 30.1.199x+1) 

De overdracht (boeking sub punt 3 in dit voorbeeld) van de aandelen aan een derde heeft een baissepositie doen ontstaan en bijgevolg een koersrisico voor de oorspronkelijke cessionaris van het aandeel. 

Zodra de aandelen zijn teruggekocht, wordt ervan uitgegaan dat het resultaat, economisch gezien, is gerealiseerd en bijgevolg in resultaat zal worden genomen. Deze baissepositie zal in het voorbeeld tot uiting komen in een winst die voortvloeit uit het verschil tussen de cessieprijs (1.602.000) en het bedrag van 1.540.000 dat op 30 januari 199x+1 wordt betaald door de cessionaris om zich in te dekken in het vooruitzicht van de afwikkeling van de cessie-retrocessieverrichting (die, in dit voorbeeld, zal plaatsvinden een dag na de dekkingsverrichting). 

(Oorspronkelijke) cedent van het aandeel

/

(Oorspronkelijke) cessionaris van het aandeel

Aanschaffing van de aandelen

51... Aandelen Y 1.540.000  
  aan 55 Kredietinstellingen   1.540.000

Inresultaatneming van het koersverschil
(nl. 1.602.000 - 1.540.000)

487 Terug te geven aandelen Y 62.000  
  aan 759 Diverse financiële opbrengsten   62.000

 

6.     Afwikkeling op 31.1.199x+1 van de cessie-retrocessieverrichting 

De afwikkeling van elke cessie-retrocessieovereenkomst impliceert een reeks boekingen, ten minste van de volgende verrichtingen :  

- de terugbetaling van de lening (in dit voorbeeld 1.500.000);

- de tegenboeking van de buiten-balansboekingen die uit de overeenkomst voortvloeien;  

- de herclassificatie, door de oorspronkelijke cedent, van de aandelen waarop de cessie-retrocessie betrekking heeft, in de beleggings- of investeringsportefeuille. 

Indien de interesten ingevolge een dergelijke overeenkomst periodiek en niet dagelijks worden afgerekend, moet de gelopen en nog niet geboekte interestprorata in resultaat worden genomen. 

Indien de aandelen (zoals in dit voorbeeld) aan een derde werden overgedragen voor de afwikkeling van de cessie-retrocessieverrichting, zal de oorspronkelijke cessionaris de saldi moeten vereffenen van de rekeningen die betrekking hebben : 

- op het bedrag van de aandelen die werden gekocht op de markt ingevolge de overdracht van de aandelen, enerzijds;  

- anderzijds, op de aandelenschuld waarvan het bedrag werd geherwaardeerd ingevolge de inresultaatneming van het verschil dat is ontstaan bij het afsluiten van de dekkingsverrichting zoals geboekt in punt 5 van het schema (1 540 000, d.i. 1 602 000 - 62 000). 

(Oorspronkelijke) cedent van het aandeel

Terugbetaling van de lening

43 Financiële schulden 1.500.000  
  aan 55 Kredietinstellingen   1.500.000

Retrocessie van de aandelen Y

510 Aandelen Y 1.000.000  
  aan 51... Aandelen Y in cessie - retrocessie   1.000.000

Vergoeding voor de lening

492 Toe te rekenen kosten 15.000  
650 Kosten van schulden 15.000  
  aan 55 Kredietinstellingen   30.000

Ristorno van de boekingen van de rechten en verplichtingen buiten balans

021 Zakelijke zekerheden gesteld voor eigen rekening 1.000.000  
  aan 020 Crediteuren van de onderneming, houders van zakelijke zekerheden   1.000.000

(Oorspronkelijke) cessionaris van het aandeel

Terugbetaling van de lening

55 Kredietinstellingen 1.500.000  
  aan 416 Diverse vorderingen   1.500.000

Retrocessie van de aandelen Y

487 Te retrocederen aandelen 1.540.000  
  aan 51... Aandelen Y   1.540.000

Vergoeding voor de lening

55 Kredietinstellingen 30.000  
  aan 491 Verkregen opbrengsten   15.000
    751 Opbrengsten uit vlottende activa   15.000

Ristorno van de boekingen van de rechten en verplichtingen buiten balans

033 Zekerheidsstellers 1.600.000  
  aan 032 Ontvanger zekerheden   1.600.000

 

  • 1. In artikel 23 van de wet van 2 januari 1991 betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetaire beleidsinstrumentarium (B.S. van 25 januari 1991) worden cessies- retrocessies van effecten als volgt gedefinieerd : «contante verkopen van effecten die tussen dezelfde partijen worden gesloten met gelijktijdige terugkoop op termijn van effecten met dezelfde kenmerken en voor hetzelfde bedrag, ongeacht de overeengekomen prijs- of looptijdvoorwaarden».
  • 2. Zie in dit verband de bijdragen van P. Van Ommeslaghe (p. 382) en J. Windey (p. 458) in « le droit des sûretés » éd. du jeune Barreau de Bruxelles, 1992 en H. Colin « De cessie-retrocessietransactie (wet van 2 januari 1991) : een wettelijke regeling inzake fiduciaire eigendomsoverdracht als zekerheidsstelling », R.W. 1991-1992, nr. 1, p. 1.
  • 3. Art. 27ter § 3
  • 4. Art. 19, § 3 van het W.I.B. 1992
  • 5. Geboekt tegen beurskoers.
  • 6. Wat blijkbaar vaak voorkomt.
  • 7. Aangezien het een overdracht betreft waarbij een ongedekte positie ontstaat, gebeurt de boeking tegen beurskoers.
  • 8. Het voorbeeld van de boekhoudkundige verwerking van cessie-retrocessieverrichtingen van aandelen wordt hier evenwel synthetisch voorgesteld, want zo komen de typische kenmerken van een dergelijke boekhoudkundige verwerking duidelijk tot uiting en kan worden verwezen naar het boekhoudschema voor aandelenleningen, voor alle «gemeenschappelijke» aspecten die, mutatis mutandis, ook van toepassing zullen zijn op de cessie-retrocessieverrichtingen (zie in dit verband de boekhoudkundige verwerking van de vergoeding voor ontbrekend coupon).