COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2019/12 – Groottecriteria verenigingen en stichtingen - schema van de jaarrekening - begroting

Advies van 16 oktober 20191

Algemeen

De wijze waarop verenigingen zonder winstoogmerk (vzw’s), internationale verenigingen zonder winstoogmerk (ivzw’s) en stichtingen hun boekhouding moeten voeren en hun jaarrekening moeten opstellen en neerleggen is afhankelijk van hun grootte. Met de overheveling2 van de jaarrekeningrechtelijke bepalingen die gelden voor (i)vzw’s en stichtingen naar het Wetboek voor vennootschappen en verenigingen (hierna: WVV), heeft de wetgever van de gelegenheid gebruik gemaakt om, naar analogie met wat geldt voor de microvennootschappen, ook voor de microverenigingen en de microstichtingen te voorzien in de mogelijkheid om de jaarrekening op te stellen en neer te leggen volgens een microschema indien deze (i)vzw of stichting een dubbele boekhouding voert.

De Commissie merkt op dat net zoals voorheen de (i)vzw’s en de stichtingen die een vereenvoudigde boekhouding voeren nog steeds een vereenvoudigd schema van jaarrekening kunnen opstellen en neerleggen evenwel met een aanpassing van de criteria.

De boekhoudkundige verplichtingen, met inbegrip van de interne jaarrekening, bevinden zich voortaan in het Wetboek van Economisch recht (hierna: WER) en het uitvoeringsbesluit (hierna: KB WER) terwijl de jaarrekeningrechtelijke verplichtingen (externe jaarrekening) voortaan zijn opgenomen in het WVV en het uitvoeringsbesluit (hierna: KB WVV).3

Met onderhavig advies verduidelijkt de Commissie de beoordeling van de groottecriteria voor een (i)vzw of stichting en de daarbij horende vorm van de neer te leggen jaarrekening. Wat betreft de praktische wijze waarop een vereenvoudigde boekhouding respectievelijk dubbele boekhouding moet worden gevoerd door de betreffende (i)vzw’s en stichtingen, wordt verwezen naar het CBN-advies 174/1 – Beginselen van een regelmatige boekhouding.4

Het CBN-advies 2011/1 – Toelichting bij de mogelijkheid voor kleine verenigingen en stichtingen om zich te onderwerpen aan de boekhoudkundige verplichtingen opgelegd aan de grote verenigingen en stichtingen wordt opgeheven omdat het zonder voorwerp is geworden.

Grootte van een vzw die een dubbele boekhouding voert

Het WVV geeft een definitie van wat moet worden begrepen onder een kleine vzw en een micro-vzw5. Daarbij is gezorgd voor een perfecte harmonie met de beoordelingscriteria voor kleine en micro vennootschappen. Een kleine vzw die haar boekhouding voert volgens de regels van het dubbel boekhouden kan haar jaarrekening opmaken en neerleggen volgens een verkort schema dat de Koning vaststelt6. Een micro-vzw die haar boekhouding voert volgens de regels van het dubbel boekhouden kan haar jaarrekening opmaken en neerleggen volgens een microschema dat de Koning vaststelt7.

Een kleine vzw is een vzw die op de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:8

  • Jaargemiddelde van het aantal werknemers: 50;
  • Jaaromzet, exclusief btw: 9.000.000 euro;
  • Balanstotaal: 4.500.000 euro.

Een micro-vzw is een kleine vzw die op de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:9

  • Jaargemiddelde van het aantal werknemers: 10;
  • Jaaromzet, exclusief btw: 700.000 euro;
  • Balanstotaal: 350.000 euro.

De Commissie benadrukt dat een vzw nooit een geconsolideerde jaarrekening moet opmaken en dat de groottecriteria van een vzw nooit op geconsolideerde basis moeten worden beoordeeld. Evenmin is bijgevolg de geaggregeerde methode hier van toepassing.

Personeelsbestand

Grensbedrag

Het jaargemiddelde van het personeelsbestand is één van de criteria vermeld in artikel 1:28 WVV.

De Commissie merkt op dat sedert de inwerkingtreding van het WVV niet langer de determinerende grens van 100 werknemers van toepassing is ter beoordeling of een vzw een jaarrekening moet opstellen en neerleggen volgens het volledig schema.10 Ook hier is er aldus een harmonisering met wat geldt voor vennootschappen. Voor vennootschappen werd deze determinerende grens van 100 werknemers geschrapt door de wet van 18 december 2015 tot omzetting van de Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013 van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG van de Raad.

Berekeningswijze van het personeelsbestand

Het gemiddelde personeelsbestand moet worden berekend als het gemiddeld aantal werknemers11 in voltijdse equivalenten dat is geregistreerd in de DIMONA-databank per einde van elke maand van het boekjaar.12

Voor het gedeelte van de tewerkstelling in de vzw dat niet valt onder de registratieverplichting in de DIMONA-databank, is het gemiddelde personeelsbestand het gemiddelde, in voltijdse equivalenten, van de in het algemeen personeelsregister of een gelijkwaardig document ingeschreven aantal werknemers per einde van elke maand van het beschouwde boekjaar.

Het aantal voltijdse equivalenten is gelijk aan het arbeidsvolume teruggebracht tot het aantal voltijds tewerkgestelde equivalenten, te berekenen voor de deeltijdse tewerkgestelde werknemers op basis van het conventioneel aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte van de normale arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse werknemer (referentiewerknemer).

Omzet

Algemene regel

Artikel 3:172, I.A. van het uitvoeringsbesluit bij het WVV omschrijft omzet13als het bedrag van de verkoop van goederen en de levering van diensten aan derden, in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening van de vzw, ivzw of stichting, onder aftrek van de op de verkoopprijs in de handel toegestane kortingen (afslag, ristorno, rabat). Dit bedrag omvat niet de belasting over de toegevoegde waarde, noch enige andere rechtstreeks met de omzet verbonden belasting. Onder omzet worden bijgevolg onder meer opgenomen: de tegemoetkomingen van de overheid in het kader van een al dan niet forfaitaire tariferingspolitiek als compensatie voor lagere ontvangsten.

De M.A.R.14 voorziet binnen de rubriek 70 Omzet de volgende onderverdeling:

700 Verkopen en dienstprestaties
708 Toegekende kortingen, ristorno’s en rabatten (-)

Voorbeeld

De resultatenrekening bevat de volgende gegevens:

-    omzet: 3.300.000 euro;
-    andere bedrijfsopbrengsten: 200.000 euro;
-    financiële opbrengsten: 700.000 euro; en
-    niet-recurrente financiële opbrengsten: 550.000 euro.

Volgens de algemene regel, vervat in artikel 3:172, I.A. KB WVV, bedraagt de omzet 3.300.000 euro.

Afwijkende regeling

Wanneer de opbrengsten die voortspruiten uit het gewoon bedrijf van een vzw voor meer dan de helft bestaan uit opbrengsten die niet beantwoorden aan de omschrijving van de post “Omzet” moet voor de beoordeling van de grootte van een vzw onder “Omzet” worden verstaan: het totaal van de bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten.15 Met recurrent wordt bedoeld dat het gaat om courant voorkomende opbrengsten voor de betrokken vzw die dus niet uitzonderlijk zijn. Met andere woorden, alle opbrengsten die worden geboekt op de subrekeningen van de rekeningen 70, 71, 72, 73, 74 en 75.

Wat de bedrijfsopbrengsten, met uitzondering van de niet-recurrente bedrijfsopbrengsten, betreft, houdt dit in, dat voor de afwijkende regeling naast de klassieke omzet tevens de toename of afname van de voorraad goederen in bewerking, gereed product, onroerende goederen bestemd voor verkoop en bestellingen in uitvoering in rekening moet worden gebracht samen met de geactiveerde intern geproduceerde vaste activa, de lidgelden, schenkingen, legaten, subsidies en de overige bedrijfsopbrengsten.

Wat de financiële opbrengsten, met uitzondering van de niet-recurrente financiële opbrengsten, betreft, worden voor de afwijkende regeling hieronder tevens de “Diverse financiële opbrengsten” begrepen en bestaan zij onder meer uit de meerwaarden verwezenlijkt bij de realisatie van vorderingen, andere dan handelsvorderingen, van geldbeleggingen en van liquide middelen, de als opbrengst geboekte kapitaal- en interestsubsidies, de wisselresultaten en de resultaten uit de omrekening van vreemde valuta tenzij deze specifiek verbonden zijn met een andere post van de resultatenrekening, in welk geval ze onder die post mogen worden opgenomen, en alle opbrengsten van financiële aard, die geen verband houden met welbepaalde activa.

Voorbeeld

Uit de resultatenrekening blijken de volgende cijfers:

-    omzet: 300.000 euro;
-    andere bedrijfsopbrengsten (met uitzondering van de niet-recurrente): 850.000 euro;
-    financiële opbrengsten (met uitzondering van de niet-recurrente): 270.000 euro; en
-    niet-recurrente financiële en bedrijfsopbrengsten: 550.000 euro.

De eerste drie posten komen voort uit het gewoon bedrijf van de vzw. Samen vormen zij een totaal van 1.420.000 euro, waarvan meer dan de helft is samengesteld door opbrengsten buiten “Omzet” (omzet in de zin van artikel 3:172, I.A. KB WVV). In dit geval wordt voor de toepassing van de artikelen 1:28 en 1:29 WVV het cijfer van 1.420.00016 euro als omzet beschouwd.

Duur van het boekjaar van meer of minder dan twaalf maanden

In de regel heeft een boekjaar een duur van twaalf maanden. Het ontbreken van een expliciete toelating dat een boekjaar uit meer of minder dan twaalf maanden kan bestaan, getuigt er volgens de Commissie van dat de wetgever zich ertegen verzet dat het boekjaar stelselmatig een duur zou hebben die verschilt van twaalf maanden. Een uitzonderlijke verlenging of verkorting van het boekjaar tot een duur van meer of minder dan twaalf maanden kan geoorloofd zijn.17 De duur van een boekjaar kan evenwel nooit langer zijn dan vierentwintig maanden min één kalenderdag.18

Indien een boekjaar aldus uitzonderlijk een duur van minder of meer dan twaalf maanden heeft, wordt, voor de beoordeling van het omzetcriterium, het bedrag van de omzet vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer twaalf is en de teller het aantal maanden van het boekjaar, waarbij elke begonnen19 maand voor een volle maand wordt geteld.20

Beoordelingsdatum - balansdatum

Balansdatum van de laatst opgemaakte jaarrekening

De jaaromzet en het balanstotaal moeten worden vastgesteld op balansdatum. De toetsing van de groottecriteria vindt plaats op basis van de laatst opgemaakte jaarrekening.

Wijziging van categorie - Consistentiebeginsel

Wanneer meer dan één van de drie criteria vermeld in artikel 1:28, § 1 respectievelijk 1:29, § 1 WVV worden overschreden of niet meer worden overschreden, heeft dit slechts gevolgen wanneer dit zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet (consistentiebeginsel). De gevolgen hiervan gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk op balansdatum meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden. Door een éénmalige overschrijding zal een vzw haar statuut van kleine vzw niet verliezen. Evenmin zal een vzw door het éénmalig niet overschrijden van meer dan één criterium een kleine vereniging worden. Hetzelfde geldt mutatis mutandis voor de micro-vzw.

Eerste boekjaar

Een vzw die met haar bedrijf start heeft nog geen historische cijfers voor de toetsing van de groottecriteria. De cijfers voor de toepassing van de groottecriteria dienen bijgevolg te goeder trouw geschat te worden. Indien uit deze schatting blijkt dat meer dan één van de criteria zullen worden overschreden, moet daar reeds rekening mee worden gehouden voor dat eerste boekjaar.21

Vzw’s die een vereenvoudigde boekhouding mogen voeren

Criteria

Kleine vzw’s, met inbegrip van de micro-vzw’s, die op de balansdatum van het laatste afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria hebben overschreden, kunnen een vereenvoudigde boekhouding voeren en een overeenkomstige vereenvoudigde jaarrekening opstellen en neerleggen22:

  1. Jaargemiddelde van 5 werknemers;
  2. In totaal 334.500 euro aan andere dan niet-recurrente ontvangsten23, exclusief btw;
  3. In totaal 1.337.000 euro aan bezittingen;
  4. In totaal 1.337.000 euro aan schulden.

Het voeren van een vereenvoudigde boekhouding is een optie die door het bestuursorgaan ieder jaar kan worden gelicht mits aan voormelde voorwaarde is voldaan en dit ongeacht welke boekhouding het jaar voordien werd gevoerd.24 Deze categorie van vzw’s en stichtingen dient dus geen boekhouding te voeren conform de principes van de dubbele boekhouding.

Vorm van de jaarrekening

De vorm van de jaarrekening van de vzw wordt bepaald door bepalingen uit het WER25 en het WVV26 en de bijhorende uitvoeringsbesluiten.

De vzw’s die een dubbele boekhouding voeren, gebruiken het schema van de balans en de resultatenrekening zoals bepaald in bijlage 6 bij het KB WVV; de kleine vzw’s, met inbegrip van de micro-vzw’s mogen het verkorte schema gebruiken zoals bepaald in bijlage 7 bij het KB WVV. De vzw’s die een vereenvoudigde boekhouding voeren gebruiken het schema zoals bepaald in bijlage 8 bij het KB WVV.

Neerlegging van de jaarrekening

De jaarrekening van de vzw moet binnen de dertig dagen na haar goedkeuring worden neergelegd door de bestuurders met het oog op de opname ervan in het verenigingsdossier.27 Het verenigingsdossier wordt gehouden op de griffie van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de vzw.28 De jaarrekening wordt ontvangen op voormelde griffie hetzij rechtstreeks, hetzij middels tussenkomst van de Nationale Bank van België. Hierna verduidelijkt de Commissie op welke wijze deze neerlegging geschiedt. De wijze van neerlegging is afhankelijk van de grootte van de vzw.

Bij de griffie

De neerlegging vindt rechtstreeks plaats bij de griffie29 van de ondernemingsrechtbank van de zetel van de vzw indien op de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria worden overschreden:

  1. Jaargemiddelde van 5 werknemers;
  2. In totaal 334.500 euro aan andere dan niet-recurrente ontvangsten, exclusief btw;
  3. In totaal 1.337.000 euro aan bezittingen;
  4. In totaal 1.337.000 euro aan schulden.  

Indien een vzw ervoor kiest om een dubbele boekhouding te voeren hoewel deze de criteria niet overschrijdt om een vereenvoudigde boekhouding te voeren, moet deze ook de bijhorende jaarrekening opstellen volgens het verkort schema of het microschema. Niettemin kan deze vzw nog steeds de jaarrekening gratis neerleggen bij de bevoegde griffie.

De bestuursorganen van de hier bedoelde vzw’s zijn niet verplicht om een jaarverslag op te stellen.30

Bij de Nationale Bank van België

De jaarrekening moet bij de Nationale Bank van België worden neergelegd indien op de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar meer dan één van de volgende criteria worden overschreden:

  1. Jaargemiddelde van 5 werknemers;
  2. In totaal 334.500 euro aan andere dan niet-recurrente ontvangsten, exclusief btw;
  3. In totaal 1.337.000 euro aan bezittingen;
  4. In totaal 1.337.000 euro aan schulden.  

De Nationale Bank van België stelt voor deze neerlegging standaardschema’s ter beschikking op haar website.

De bestuursorganen van de hier bedoelde vzw’s zijn verplicht31 om een jaarverslag op te stellen dat gelijktijdig wordt neergelegd32 met de jaarrekening.

Financieel plan - begroting

De oprichters van een besloten vennootschap, een coöperatieve vennootschap of een naamloze vennootschap moeten vóór de oprichting een financieel plan overhandigen aan de bij de oprichting optredende notaris  waarin zij het bedrag van het aanvangsvermogen verantwoorden in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid van de vennootschap over een periode van ten minste twee jaar.33 Er bestaat geen equivalente verplichting voor de oprichting van een vzw.

Niettemin moet iedere vzw jaarlijks een begroting opmaken. Deze begroting moet binnen de zes maanden te rekenen vanaf de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar ter goedkeuring worden voorgelegd aan de algemene vergadering.34 Er gelden geen vormvoorschriften voor de opmaak van deze begroting. De Commissie merkt op dat het bestuursorgaan van iedere vzw, ongeacht haar grootte, tijdens de gewone algemene vergadering de financiële toestand en de uitvoering van de begroting moet toelichten.35 Het kan hiervoor nuttig zijn dat de begroting in dezelfde vorm opgemaakt wordt als de jaarrekening van de vzw.  

Voorbeelden

Aan de hand van de onderstaande voorbeelden wordt toegelicht welke vzw’s kunnen opteren om een vereenvoudigde boekhouding te voeren (aangeduid met een jokersymbool). Met VOL, VKT, MIC wordt verwezen naar het jaarrekeningschema volgens het respectievelijke volledig, verkort of micromodel. Bij de voorbeelden wordt abstractie gemaakt van het consistentiebeginsel.

Voorbeeldtabel

Ivzw’s en stichtingen

Het voorgaande geldt mutatis mutandis voor de ivzw’s en de stichtingen. De Commissie merkt hierbij evenwel op dat stichtingen de jaarrekening en de begroting wel moeten opmaken maar niet ter goedkeuring voorleggen aan de algemene vergadering wegens het ontbreken van een algemene vergadering bij de stichtingen.36

Schematische voorstelling

Tabel

Volledig schema van de jaarrekening: Bijlage 6 bij het KB WVV
Verkort en microschema van de jaarrekening: Bijlage 7 bij het KB WVV
Vereenvoudigde schema van de jaarrekening: Bijlage 8 bij het KB WVV

 

  • 1. Onderhavig advies is tot stand gekomen nadat een ontwerpadvies op 24 juli 2019 ter publieke consultatie werd gepubliceerd op de website van de CBN.
  • 2. Voorheen waren de jaarrekeningrechtelijke bepalingen die gelden voor (i)vzw’s en stichtingen opgenomen in de Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen.
  • 3. Voorheen waren beiden terug te vinden in de Wet van 27 juni 1921 betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen, het KB van 26 juni 2003 betreffende de vereenvoudigde boekhouding van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen en het KB van 19 december 2003 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen.
  • 4. De Commissie merkt op dat het CBN-advies 174/1 – Beginselen van een regelmatige boekhouding binnen afzienbare tijd zal worden aangepast aan de wijzigingen ten gevolge van het gemoderniseerde ondernemingsrecht.
  • 5. Artikelen 1:28 en 1:29 WVV.
  • 6. Artikel 3:47, § 3 WVV.
  • 7. Artikel 3:47, § 4 WVV.
  • 8. Artikel 1:28, § 1 WVV.
  • 9. Artikel 1:29, § 1 WVV.
  • 10. Zie artikel 17, § 5 en § 6 van de inmiddels opgeheven Wet van 27 juni 1921 betreffende de vereniging zonder winstoogmerk, de stichtingen en de Europese politieke partijen en stichtingen. De verplichte opmaak (niet noodzakelijk neerlegging) van een jaarrekening volgens het volledig schema wanneer de vzw meer dan 100 werknemers telt, is wel nog relevant voor andere wetgeving, bijvoorbeeld met betrekking tot de Wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven.
  • 11. De definitie van het begrip personeel vermeld in artikel 1:27 WVV is hier niet van toepassing.
  • 12. Artikel 1:28, § 5, eerste en tweede lid WVV en artikel 1:29, § 2 WVV.
  • 13. De Commissie heeft in het verleden reeds enkele adviezen gepubliceerd omtrent de inhoud van het omzetbegrip : zie onder meer CBN-advies 100 - Omzet – Begrip; rekening houdende met het feit dat geen compensaties mogen worden verricht tussen kosten en opbrengsten, behoren doorgerekende kosten tot de omzet indien deze doorrekening tot de gebruikelijke activiteit van de onderneming behoort, of de onderneming deze kosten betaalt voor eigen rekening en niet als lasthebber voor rekening van een derde, haar lastgever. Met betrekking tot de omzet van tussenpersonen: zie CBN-advies 103 - Omzet – Tussenpersonen; de accijns op bepaalde producten en de Vlaamse afvalstoffenheffing zijn niet rechtstreeks met de omzet verbonden en kunnen dus niet van het bedrag van de omzet worden afgetrokken: zie CBN-advies 2013/11 - Begrip “omzet”: doorrekening van belastingen en accijnzen; ontvangen royalties worden gerekend tot de omzet voor zover ze tot de gewone activiteit van de onderneming behoren of in het rechtstreekse verlengde liggen van haar hoofdbedrijvigheid: zie CBN-advies 104 - Royalties. Overige CBN-adviezen met betrekking tot de omzet zijn: CBN-advies 102 - Omzet - Verkopen CIF; CBN-advies 103/2 - Omzet van expediteurs en CBN-advies 103/3 - Omzet van lijnagenten.
  • 14. Bijlage 3 bij het KB van 21 oktober 2018 tot uitvoering van de artikelen III.82 tot en met III.95 van het WER: minimumindeling van het algemeen rekeningenstelsel voor verenigingen en stichtingen.
  • 15. Artikel 1:28, § 5, derde lid WVV en artikel 1:29, § 2 WVV.
  • 16. Dit is 300.000 + 850.000 + 270.000.
  • 17. Zie ook CBN-advies 2010/10 - Duur van het boekjaar en CBN-advies 2016/3 – Beoordeling groottecriteria artikelen 15 en 15/1 W.Venn.
  • 18. Artikel 1:28, § 4 en artikel 1:29, § 2 WVV.
  • 19. De berekening van het aantal maanden dat een boekjaar bestrijkt wordt berekend in functie van het aantal effectief verstreken maanden te rekenen van dag tot dag (zie ook CBN-advies 2017/03 – Groottecriteria – Boekjaar korter of langer dan 12 maanden).
  • 20. Artikel 1:28, § 4 en artikel 1:29, § 2 WVV.
  • 21. Artikel 1:28, § 3 en artikel 1:29, § 3 WVV.
  • 22. Artikel III.85, § 2 WER en artikel 3:47, § 2 WVV.
  • 23. De Commissie verwijst naar randnummer 10 en volgende van het CBN-advies 2019/11 - De vereenvoudigde boekhouding van een natuurlijke persoon, maatschap, vennootschap onder firma en commanditaire vennootschap: groottecriteria – omzetdefinitie ter verduidelijking van wat onder andere dan niet-recurrente ontvangsten moet worden verstaan.
  • 24. En dit dus in tegenstelling tot de consistentieregel die geldt voor vzw’s die een dubbele boekhouding moeten voeren. Die consistentieregel is vervat in artikel 1:28, § 2 WVV en luidt als volgt: “Wanneer meer dan één van de in artikel [1:28,] § 1 [WVV] bedoelde criteria worden overschreden of niet meer worden overschreden, heeft dit slechts gevolgen wanneer dit zich gedurende twee achtereenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden.”.
  • 25. Artikel III.90, § 2 WER.
  • 26. Artikel 3:47 WVV.
  • 27. Artikel 2:9, § 1 eerste lid, 8° WVV.
  • 28. Artikel 2:7, § 1 WVV. Het adres van de bevoegde griffie kan online worden teruggevonden: https://justitie.belgium.be/nl/zoek_een_rechtbank
  • 29. De Commissie wijst erop dat het artikel 3:186 KB WVV reeds rekening hield met een veralgemeende neerleggingsverplichting bij de Nationale Bank van België van de jaarrekening van iedere vzw ongeacht de omvang. Het wetsontwerp (DOC 54 3550/004) dat daartoe werd voorbereid, werd goedgekeurd door de Kamercommissie van 26 maart 2019 doch kon niet meer worden gestemd in het Parlement wegens “Kamer vervallen”.
  • 30. Artikel 3:48 WVV.
  • 31. Artikel 3:48 WVV.
  • 32. Artikel 3:47, § 7, tweede lid, 3° WVV.
  • 33. Artikelen 5:4, 6:5 en 7:3 WVV.
  • 34. Artikel 3:47, § 1, tweede lid WVV.
  • 35. Artikel 9:19 WVV.
  • 36. Artikel 3:51, § 1, eerste lid WVV.