COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN


CBN Advies 2009/5 -  De rentabiliteitsvoorwaarde bij herwaarderingsmeerwaarden

Advies van 11 maart 2009


Aan de Commissie werd gevraagd naar de praktische toepassing van de rentabiliteitsvoorwaarde bij het boeken van een herwaarderingsmeerwaarde ingeschreven in art. 57 K.B. W.Venn.1 Tevens werd de vraag gesteld wat dient te gebeuren indien blijkt dat een herwaarderingsmeerwaarde onterecht werd geboekt.

In art. 57, § 1 K.B. W.Venn. wordt expliciet gesteld: "De vennootschappen mogen de materiële vaste activa, de deelnemingen en aandelen die onder de financiële vaste activa voorkomen of bepaalde soorten hiervoorgenoemde vaste activa herwaarderen, wanneer de waarde van deze activa, bepaald in functie van hun nut voor de vennootschap, op vaststaande en duurzame wijze uitstijgt boven hun boekwaarde. 
Wanneer de betrokken activa noodzakelijk zijn voor de voortzetting van het bedrijf van de vennootschap of van een onderdeel daarvan mogen zij slechts worden geherwaardeerd in de mate waarin de aldus uitgedrukte meerwaarde wordt verantwoord door de rentabiliteit van de vennootschap of van het betrokken bedrijfsonderdeel. De geherwaardeerde waarde die voor deze vaste activa in aanmerking wordt genomen wordt verantwoord in de toelichting bij de jaarrekening waarin de herwaardering voor het eerst werd toegepast.".

Het Verslag aan de Koning bij het Koninklijk Besluit van 12.09.19832 stelt bij deze passus: "De criteria op basis waarvan een meerwaarde kan worden uitgedrukt, worden nauwkeuriger geformuleerd. Zo moet de herwaardering gebeuren op basis van de waarde van de betrokken activa. Deze waarde moet gerechtvaardigd zijn door een overeenkomstige produktiviteit of rendabiliteit op grond waarvan de uit de herwaardering voortvloeiende hogere afschrijvingskost kan worden gefinancierd. Een en ander moet worden verantwoord in de toelichting. In ditzelfde perspectief wordt bepaald dat zo de betrokken activa onmisbaar zijn voor de voortzetting van het bedrijf van de onderneming, een meerwaarde slechts mag worden uitgedrukt zo zij steunt op de rendabiliteit van de ondernemingsactiviteit.".

Uit de wettelijke bepalingen blijkt dus dat het boeken van een herwaarderingsmeerwaarde algemeen een optie is en geen verplichting uitmaakt binnen het Belgische boekhoudrecht.

Op basis van deze teksten dient een onderscheid gemaakt te worden naargelang het betrokken actief al dan niet noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf van de vennootschap of van een onderdeel daarvan.

Op deze aspecten wordt hierna afzonderlijk ingegaan.

Noodzakelijk zijn voor de voortzetting van het bedrijf

Met deze passus heeft de wetgever naar de mening van de Commissie willen aanduiden dat, opdat de algemene rentabiliteitsvoorwaarde van toepassing zou zijn, het betrokken actief onmisbaar moet zijn voor de voortzetting van het bedrijf.

Dat wil zeggen dat het betrokken actief zondermeer nodig is of onder de gegeven omstandigheden onvermijdelijk is voor de verdere continuïteit van de onderneming. Anders uitgedrukt: de activa moeten een noodzakelijk verband vertonen met de uitoefening van de activiteit van de betrokken onderneming. Dat wil bij wijze van voorbeeld zeggen dat de machines die ingezet worden in het productieproces en het vrachtwagenpark waarmee de distributie wordt verzorgd, zo goed als steeds kunnen beschouwd worden als noodzakelijk voor de voortzetting van het bedrijf. 

Gezien de deelnemingen en aandelen die onder de financiële vaste activa voorkomen eveneens kunnen geherwaardeerd worden, is het mogelijk dat niet alle aandelen opgenomen in deze rubriek nodig zijn om de continuïteit van de onderneming te verzekeren. Evenwel zullen de belangrijke aandelenpakketten die houdstermaatschappijen aanhouden in de regel onder deze classificatie vallen.

Algemeen ziet de Commissie twee grote categorieën materiële vaste activa die niet noodzakelijk zijn voor de voortzetting van het bedrijf.3 
 

  1. In eerste instantie kan het gaan om sommige activa die conform art. 95, § 1, III. E. innen de rubriek “Overige materiële vaste activa” dienen geboekt te worden. Zo worden onder deze rubriek de onroerende goederen geboekt die worden aangehouden als onroerende reserve. Vermits zij aangehouden worden als reserve, kan redelijkerwijs gesteld worden dat deze veelal niet noodzakelijk zijn voor de voortzetting van het bedrijf. In deze kunnen ook de buiten gebruik of buiten de exploitatie gestelde materiële vaste activa begrepen worden.
     
  2. In tweede instantie kan gedacht worden aan de materiële vaste activa aangehouden met het oog op de verkoop ervan. Deze activa zijn bijgevolg niet (langer) noodzakelijk voor de continuïteit van de onderneming. De Commissie is van oordeel dat dergelijke niet meer duurzaam tot de activiteit van de vennootschap bijdragende materiële vaste activa om deze reden dan ook niet kunnen worden geherwaardeerd. Op te merken valt dat binnen het Belgisch boekhoudrecht en evenmin binnen de Vierde  Richtlijn4 een afzonderlijke rubriek binnen het actief bestaat om vaste activa en groepen af te stoten activa aangehouden voor verkoop afzonderlijk te boeken binnen de vlottende activa.5  

Wat de financiële vaste activa betreft, moet worden gewezen op art. 95, § 1, VIII. B. Onder de post "Overige beleggingen" binnen de geldbeleggingen mogen de aandelen in verbonden ondernemingen of in ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat, worden opgenomen indien ze zijn verkregen of waarop is ingeschreven met het oog op de wederafstand daarvan, of indien ze, krachtens een beslissing van de vennootschap, bestemd zijn om binnen twaalf maanden te worden gerealiseerd. Indien het bestuursorgaan ervoor kiest de aandelen te boeken als geldbeleggingen, is elke boeking van een herwaarderingsmeerwaarde uitgesloten gezien art. 57, § 1 K.B. W.Venn. herwaardering van geldbeleggingen niet toelaat. Zo zal een reeds vroeger geboekte herwaarderingsmeerwaarde moeten afgeboekt worden bij de overboeking naar de post "Overige beleggingen". Voor geldbeleggingen kunnen immers geen herwaarderingsmeerwaarden geboekt worden.

Rentabiliteitsvoorwaarde

Samenlezing van de tekst van art. 57, § 1 K.B. W.Venn. met het reeds geciteerde Verslag aan de Koning brengt de Commissie ertoe een onderscheid te maken tussen een actiefgebonden nuttigheidsvoorwaarde en een algemene rentabiliteitsvoorwaarde.

 

a.    Actiefgebonden nuttigheidsvoorwaarde

Materiële vaste activa

Indien het voor herwaardering in aanmerking te nemen bestanddeel een actief is waarvan de gebruiksduur beperkt is, dienen daar conform art. 57, § 2 K.B. W.Venn. in de regel afschrijvingen op toegepast te worden ten einde het bedrag van de eventueel geherwaardeerde aanschaffingskosten van deze vaste activa te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur.

Een herwaardering is alsdan volgens het Verslag aan de Koning slechts mogelijk als door de overeenkomstige productiviteit of rentabiliteit van het betrokken actief de uit de herwaardering voortvloeiende hogere afschrijvingskost kan worden gefinancierd. Met andere woorden: het betrokken actief dient voldoende rentabiliteit te genereren die het toelaat de hogere afschrijvingskost ingevolge de herwaardering te dragen. Is dit niet het geval, dan kan het actief waarvan de gebruiksduur beperkt is, niet geherwaardeerd worden. Deze voorwaarde opgenomen in het Verslag aan de Koning is naar de mening van de Commissie een explicitering van de passus in art. 57, § 1, in fine K.B. W.Venn. dat de waarde van het actief moet bepaald worden in functie van zijn nut voor de vennootschap. Met deze passus in het Verslag aan de Koning heeft de wetgever naar de mening van de Commissie deze nuttigheidseis willen expliciteren. Nut moet derhalve rekenkundig worden vertaald in de rentabiliteit van het actief.

Om de rentabiliteit te meten van een welbepaald actief6, zal het bedrijfsresultaat dat behaald wordt met het betrokken vast actief moeten berekend worden op (boek)jaarbasis. Om het bedrijfsresultaat van het actief te meten dienen de opbrengsten die het actief genereert verminderd te worden met de kosten van het gebruik van het actief die direct aan het actief kunnen worden toegeschreven of op redelijke of consistente basis aan het actief kunnen worden toegerekend. 

Deze kosten omvatten ook de afschrijvingskost van het vast actief. 
Anders uitgedrukt zijn de opbrengsten deze die geboekt worden in de klasse 70 tot 74 binnen de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel7. De kosten zijn deze die geboekt worden onder de klasse 60 tot 64 van het rekeningenstelsel. 

Bedrijfsresultaat van een actief = bedrijfsopbrengsten (70-74 m.b.t. betrokken actief) – bedrijfskosten (60-64 m.b.t. betrokken actief).

Het resultaat dat aldus overblijft dient aanvaardbaar te blijven in vergelijking met het resultaat dat bekomen wordt zonder rekening te houden met de effecten van de herwaardering. Het bekomen resultaat zal vervolgens worden gedeeld door de geherwaardeerde boekwaarde van het actief. Zodoende wordt een percentage bekomen dat de relatie tussen het bedrijfsresultaat van het actief en het betrokken geherwaardeerde actief duidelijk weerspiegelt.

In het geval het niet mogelijk is het resultaat van een individueel actief te schatten, dient een onderneming het resultaat te bepalen van de eenheid waartoe het actief behoort. 

Bedrijfsresultaat van de eenheid waartoe het actief behoort = opbrengsten (70-74 van de betrokken eenheid) – kosten (60-64 van de betrokken eenheid).

Ook hier zal vervolgens het bekomen bedrijfsresultaat van de groep activa die een eenheid vormen worden gedeeld worden door de geherwaardeerde boekwaarde van het actief. 

Uit dit alles mag echter naar de mening van de Commissie niet besloten worden dat de actiefgebonden nuttigheidsvoorwaarde niet zou vereist zijn in het geval het potentieel te herwaarderen bestanddeel een actief zou zijn met onbeperkte gebruiksduur waar geen afschrijvingen op toegepast worden. Ook de herwaardering van zo'n actief moet bepaald worden in functie van het nut van het betrokken actief voor de vennootschap. Door de toename van de boekwaarde van het actief ingevolge de herwaardering kan de rentabiliteit dalen zodat deze niet meer binnen een aanvaardbare grens ligt.


Financiële vaste activa

Wat de aandelen betreft die binnen de financiële vaste activa zijn geboekt, kan algemeen gesteld worden dat die rentabiliteit kan berekend worden door enerzijds het financiële resultaat dat wordt behaald met het betrokken actief (zijnde de financiële opbrengsten) te relateren aan de boekwaarde van het financieel vast actief. In de regel zullen deze opbrengsten de effectieve uitkeringen zijn voor minstens het laatste boekjaar van de betrokken vennootschap waarin de aandelen worden aangehouden. Maar de uitkering van een dividend voor enkel het laatste boekjaar, moet omzichtig benaderd worden.  De dividendenstroom moet in dat geval een duurzame karakter hebben om er rekening mee te kunnen houden. Voor zover de onderneming over ernstige cijfers voor de toekomst beschikt van de vennootschap waarvan aandelen worden aangehouden met afspraken rond geplande dividenduitkering, kan ook daarmee rekening gehouden worden om de rentabiliteit van de aandelen te berekenen. Maar voorzichtigheid is hier de regel.

Gaat het om aandelen in verbonden ondernemingen waar de onderneming dus de controle over heeft in de zin van art. 5 W.Venn., kan rekening gehouden worden met de winstgevendheid op zich van de betrokken dochter zelf.
Bij controle beslist de onderneming immers zelf of al dan niet een dividend wordt uitgekeerd. Vanuit deze invalshoek is de Commissie van mening dat het behaalde resultaat van de voorbije periode mag in rekening genomen worden bij het berekenen van de rentabiliteit, ook al zijn geen of verwaarloosbare dividenden uitgekeerd.

Bij genoteerde aandelen geboekt als financieel vast actief kan de beurskoers ook een indicatie zijn. Maar dan moet deze beurskoers op vaststaande en duurzame wijze uitstijgen boven de boekwaarde van de aandelen. Bijkomend moet de rentabiliteit van het aandeel zoals hoger uitgetekend, aanwezig zijn. Zo zal een stijging van de aandelenprijs ingegeven door speculatie, geen element zijn dat een herwaardering motiveert als deze hogere beurskoers niet onderbouwd is door de rentabiliteit van het actief. Eenzelfde redenering kan gehanteerd worden bij niet genoteerde aandelen. Ook in dit geval kan de reële waarde van de aandelen een indicatie zijn voor een herwaardering. Op voorwaarde dat de rentabiliteit van het actief deze hogere waarde onderbouwt. Het feit dat de reële waarde van zowel genoteerde als niet genoteerde aandelen hoger is dan de boekwaarde en dat dus de aandelen zouden kunnen verkocht worden tegen een hogere waarde, motiveert op zich geenszins het boeken van een herwaarderingsmeerwaarde. Financiële activa worden naar intern Belgisch boekhoudrecht niet geboekt aan reële waarde. Enkel als hun waarde bepaald in functie van hun nut voor de onderneming uitstijgt boven de boekwaarde is een herwaardering mogelijk. Maar de enkele motivering dat de verkoopprijs van de aandelen hoger zou zijn, is onvoldoende om te besluiten tot een herwaardering. Dit nut moet minstens vertaald worden in rentabiliteit. Een onderneming is immers in de regel bereid een prijs te betalen voor aandelen in het licht van hun toekomstig nut en dus winstgevendheid.

 

b.    Algemene rentabiliteitsvoorwaarde

Indien het actief of de activa noodzakelijk zijn voor de voortzetting van het bedrijf, dient een algemene rentabiliteitsvoorwaarde vervuld te worden naast de reeds besproken actiefgebonden nuttigheidsvoorwaarde voor het betrokken actief.

De tekst van art. 57, § 1 K.B. W.Venn. bepaalt verder dat de bedoelde activa slechts worden geherwaardeerd in de mate waarin de aldus uitgedrukte meerwaarde wordt verantwoord door de rentabiliteit van de vennootschap of van het betrokken bedrijfsonderdeel.

Het begrip algemene rentabiliteit gaat in wezen uit van de verhouding tussen het resultaat en het geïnvesteerde vermogen waarmede dit resultaat is behaald. Een voldoende rentabiliteit betekent dat het verschil tussen opbrengsten en kosten voldoende is in vergelijking met het geïnvesteerde vermogen, dat men terugvindt op de balans.8 Daarbij kan gewerkt worden met de rentabiliteit van de activa of bedrijfsactiva of met de rentabiliteit van het eigen vermogen. Door de herwaardering zal het totaal van de activa en het eigen vermogen stijgen. Waardoor de rentabiliteit in de regel zal dalen, tenzij de onderneming bijvoorbeeld door maatregelen die de efficiëntie verhogen uitkijkt op stijgend resultaat. Het komt aan het bestuursorgaan van de vennootschap toe om te oordelen of de rentabiliteit voldoende blijft na een geplande herwaarderingsmeerwaarde indien bij deze herwaardering de algemene rentabiliteitsvoorwaarde van toepassing is.

Indien een onderneming onderscheiden bedrijven in economische zin uitoefent, dient de beschreven rentabiliteit bekeken te worden in functie van het bedrijfsonderdeel binnen hetwelk de herwaardering gepland wordt.
 
Dit houdt in dat enkel kan geherwaardeerd worden als ondanks de toename van de activa en het eigen vermogen, de rentabiliteit van de onderneming aanvaardbaar blijft. De Commissie is dan ook de mening toegedaan dat deze algemene rentabiliteitsvoorwaarde in de regel moeilijk zal te vervullen zijn bij ondernemingen die hun rentabiliteit nog niet hebben bewezen. Tenzij een onderneming die haar rentabiliteit nog niet heeft bewezen op het tijdstip van de herwaardering een geloofwaardig business plan kan voorleggen waaruit blijkt dat de activiteit winstgevend zal worden en ondanks de herwaardering een aanvaardbare rentabiliteit wordt behaald.

Het is in de praktijk perfect mogelijk dat de actiefgebonden nuttigheidsvoorwaarde van het te herwaarderen actief binnen aanvaardbare grenzen blijft daar waar de algemene rentabiliteitsvoorwaarde negatief uitvalt. Zo bijvoorbeeld kan het individuele actief op zich voldoende resultaat genereren die evenwel worden teniet gedaan door de algemene rentabiliteit van de onderneming. In het geval het betrokken actief noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf van de vennootschap of van een onderdeel daarvan zal dit actief alsdan niet kunnen geherwaardeerd worden.

Onterecht geboekte herwaarderingsmeerwaarde

Tenslotte wenst de Commissie in te gaan op de vraag wat het lot is van een geboekte herwaarderingsmeerwaarde in strijd met de hierboven uiteengezette regels.

Het geciteerde Verslag aan de Koning wijdt een passus aan het geval waarin de uitgedrukte meerwaarde naderhand niet gegrond blijkt of nadien verdwijnt ten gevolge, bijvoorbeeld, van nieuwe feiten of doordat de vooruitzichten inzake rentabiliteit waarop de herwaardering was gesteund, niet worden bewaarheid. In dat geval zal de meerwaarde die aan activa werd toebedeeld moeten worden afgeboekt tot het beloop van het nog niet afgeschreven gedeelte van de meerwaarde. Deze afboeking heeft als tegenboeking het op het passief geboekte bedrag van de uitgedrukte meerwaarde.

Boeking

12... Herwaarderingsmeerwaarden ...  
  aan 2...8 Vaste activa: geboekte meerwaarden   ...

Het reeds afgeschreven gedeelte kan dan, voor zover dit nog niet zou gebeurd zijn, in toepassing van art. 57, § 3, 1° K.B. W.Venn. worden overgebracht naar een reserve. In dat geval geldt volgende boeking:

12... Herwaarderingsmeerwaarden ...  
2...89 Vaste activa: geboekte afschrijvingen op meerwaarden ...  
  aan 2...8 Vaste activa: geboekte meerwaarden   ...
    133 Beschikbare reserves   ...

Aldus verdwijnt de herwaarderingsmeerwaarde uit de balans van de betrokken onderneming. 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


 

  • 1. Art. 100 K.B. W.Venn. wordt hierbij niet besproken. Maar het moge duidelijk zijn dat in art. 100 K.B. W.Venn. enkel een terugneming van waardeverminderingen wordt bedoeld. Bij deze terugneming gelden de voorwaarden nader toegelicht in dit advies niet.
  • 2. B.S., 29.09.1983, err., B.S., 15.10.1983
  • 3. Zie ook DE LEMBRE, E., Grondige studie van de jaarrekening naar Belgisch recht, Wolters Plantyn, 2004, p. 75-76.
  • 4. Vierde Richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (78/660/EEG), PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11.
  • 5. Wat wel het geval is binnen IFRS. Zie daartoe IAS 1, § 54, j. Een balans moet ten minste de volgende posten bevatten ... het totaalbedrag van activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop en activa in groepen activa die worden afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig IFRS 5.
  • 6. Deze berekening is geïnspireerd op de definitie van de nettorentabiliteit van de bedrijfsactiva zoals beschreven bij OOGHE, H., VAN WYMEERSCH, C., Handboek Financiële Analyse van de Onderneming, Deel 1, Intersentia, 2003, p. 199-205.
  • 7. Zoals bepaald in het K.B. 12.09.1983, B.S., 29.09.1983.
  • 8. OOGHE, H., VAN WYMEERSCH, C., Handboek Financiële Analyse van de Onderneming, Deel 1, Intersentia, 2003, p. 6.