COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2011/14 - Herwaarderingsmeerwaarden

Advies van 6 juli 2011


Inleiding

In zowel het volledige, als het verkorte schema van de jaarrekening wordt op het passief van de balans een post III.Herwaarderingsmeerwaarden voorzien.

Onder herwaarderingsmeerwaarden moeten worden verstaan de in de rekeningen bijgeschreven, niet gerealiseerde meerwaarden op vaste activa overeenkomstig artikel 57 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen  (hierna: KB W.Venn.). De terugnemingen van waardeverminderingen overeenkomstig artikel 100 KB W.Venn. en de herwaarderingsmeerwaarden bedoeld in artikel 44, vierde lid KB W.Venn.1 worden eveneens onder de post Herwaarderingsmeerwaarden opgenomen2.

Herwaarderingen overeenkomstig artikel 57 KB W.Venn.

Op grond van artikel 57 KB W.Venn. mag een vennootschap haar materiële vaste activa en haar deelnemingen en aandelen die onder de financiële vaste activa voorkomen, onder bepaalde voorwaarden herwaarderen3. Hieruit blijkt duidelijk dat het boeken van een herwaarderingsmeerwaarde een optie is en geenszins een verplichting uitmaakt. Er is steeds grote voorzichtigheid geboden bij het boeken van een herwaarderingsmeerwaarde.

De geboekte meerwaarden worden rechtstreeks toegerekend aan passiefpost III. Herwaarderingsmeerwaarden en daar behouden zolang de betrokken activa niet worden gerealiseerd4.

De herwaardering beïnvloedt, op het moment van de boeking van de meerwaarde, alleen de balans en heeft tot doel een getrouwer beeld te geven van de inhoud van het totale vermogen. De oorspronkelijke boeking van de herwaarderingsmeerwaarde heeft geen invloed op de resultatenrekening. 

Bij de boeking van herwaarderingsmeerwaarden dient geen rekening te worden gehouden met de eventuele belasting die op deze meerwaarden zal geheven worden bij realisatie van de geherwaardeerde activa.

Boeking

2..8 Vaste activa: geboekte meerwaarden    
  aan 12. Herwaarderingsmeerwaarden    

De geherwaardeerde waarde wordt verantwoord in de toelichting bij de jaarrekening waarin de herwaardering voor het eerst werd toegepast.

In de daaropvolgende jaren dient in de toelichting het bedrag van de meerwaarde per einde van het vorige boekjaar, de mutaties ervan tijdens het boekjaar en het bedrag ervan per einde van het boekjaar te worden vermeld5.

De herwaarderingsmeerwaarde kan geheel of gedeeltelijk het gevolg zijn van inflatie, maar is daar niet aan verbonden. Er kunnen meerwaarden zijn die geheel los staan van elke monetaire factor, zoals bijvoorbeeld de waardevermeerdering van een stuk grond ingevolge de ruimtelijke ordening van een wijk of de waardevermeerdering van een participatie gelet op de rentabiliteit van de vennootschap waarin ze wordt aangehouden. 

De vaststelling van de meerwaarde vloeit niet voort uit de toepassing van een doorlopend systeem. In het algemeen gaat het om een herschatting van welbepaalde goederen op een gegeven tijdstip. 

Voorwaarden

De wettelijke voorwaarden voor het boeken van een herwaarderingsmeerwaarde staan omschreven in artikel 57, § 1 KB W.Venn.:

“De vennootschappen mogen de materiële vaste activa, de deelnemingen en aandelen die onder de financiële vaste activa voorkomen of bepaalde soorten hiervoorgenoemde vaste activa herwaarderen, wanneer de waarde van deze activa, bepaald in functie van hun nut voor de vennootschap, op vaststaande en duurzame wijze uitstijgt boven hun boekwaarde. Wanneer de betrokken activa noodzakelijk zijn voor de voortzetting van het bedrijf van de vennootschap of van een onderdeel daarvan mogen zij slechts worden geherwaardeerd in de mate waarin de aldus uitgedrukte meerwaarde wordt verantwoord door de rentabiliteit van de vennootschap of van het betrokken bedrijfsonderdeel.

De geherwaardeerde waarde die voor deze vaste activa in aanmerking wordt genomen, wordt verantwoord in de toelichting bij de jaarrekening waarin de herwaardering voor het eerst werd toegepast.”

Vaststaand en duurzaam karakter

Een vennootschap dient vooreerst na te gaan of de meerwaarde een vaststaand en duurzaam karakter vertoont. Het bestuursorgaan dient dit vaststaand en duurzaam karakter te beoordelen.

Rentabiliteitsvoorwaarden

Artikel 57 KB W.Venn. is een herneming van artikel 34 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen6. In het Verslag aan de Koning bij het KB van 8 oktober 1976 lezen we dat bepaalde vaste activa “met inachtname van de nodige voorzichtigheid geherwaardeerd mogen worden teneinde hun een waarde toe te kennen die meer met de werkelijkheid overeenstemt. Aangezien het evenwel activa betreft die per definitie bestemd zijn om blijvend de activiteit van de onderneming te dienen, moeten deze herwaarderingen verricht worden in functie van de productiviteit en van het nut van deze goederen en niet in functie van hun loutere handelswaarde.”

Het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 12 september 19837, dat artikel 34 van het KB van 8 oktober 1976 op een aantal punten wijzigde, stelt: "De criteria op basis waarvan een meerwaarde kan worden uitgedrukt, worden nauwkeuriger geformuleerd. Zo moet de herwaardering gebeuren op basis van de waarde van de betrokken activa. Deze waarde moet gerechtvaardigd zijn door een overeenkomstige productiviteit of rendabiliteit op grond waarvan de uit de herwaardering voortvloeiende hogere afschrijvingskost kan worden gefinancierd. Een en ander moet worden verantwoord in de toelichting. In ditzelfde perspectief wordt bepaald dat zo de betrokken activa onmisbaar zijn voor de voortzetting van het bedrijf van de onderneming, een meerwaarde slechts mag worden uitgedrukt zo zij steunt op de rentabiliteit van de ondernemingsactiviteit."

De samenlezing van artikel 57, § 1 KB W.Venn. en het Verslag aan de Koning brengt de Commissie ertoe een onderscheid te maken tussen een actiefgebonden rentabiliteitsvoorwaarde en een bijkomende rentabiliteitsvoorwaarde voor activa die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van het bedrijf.

Actiefgebonden rentabiliteitsvoorwaarde

Een vennootschap mag haar materiële vaste activa en de deelnemingen en aandelen die onder de financiële vaste activa voorkomen enkel herwaarderen, “wanneer de waarde van deze vaste activa bepaald in functie van hun nut voor de vennootschap, op vaststaande en duurzame wijze uitstijgt boven hun boekwaarde”.

A) Materiële vaste activa

Indien het voor herwaardering in aanmerking te nemen bestanddeel een actief is waarvan de gebruiksduur beperkt is, dienen daar conform artikel 57, § 2 KB W.Venn. in de regel afschrijvingen op toegepast te worden teneinde het bedrag van de eventueel geherwaardeerde aanschaffingskosten van deze vaste activa te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur.

Een herwaardering is volgens het Verslag aan de Koning slechts mogelijk als door de productiviteit of rentabiliteit van het betrokken actief de uit de herwaardering voortvloeiende hogere afschrijvingskost kan worden gefinancierd. Met andere woorden, het betrokken actief dient voldoende rentabiliteit te genereren die het toelaat de hogere afschrijvingskost ingevolge de herwaardering te dragen. Is dit niet het geval, dan kan het actief waarvan de gebruiksduur beperkt is, niet geherwaardeerd worden. Deze voorwaarde opgenomen in het Verslag aan de Koning is naar de mening van de Commissie een explicitering van de passus in artikel 57, § 1 KB W.Venn. dat de waarde van het actief moet bepaald worden in functie van zijn nut voor de vennootschap. Met deze passus in het Verslag aan de Koning heeft de wetgever naar het oordeel van de Commissie deze nuttigheidseis willen expliciteren. Nut moet derhalve rekenkundig worden vertaald in de rentabiliteit van het actief.

De rentabiliteit kan worden vastgesteld door verdiscontering van toekomstige kasstromen die het betrokken actief in de toekomst zal genereren.

De rentabiliteit kan eveneens worden berekend op basis van de cijfers van het huidige boekjaar. Wordt de rentabiliteit gemeten van een welbepaald actief op basis van de cijfers van de jaarrekening, dan zal het bedrijfsresultaat dat behaald wordt met het betrokken vast actief moeten berekend worden op (boek)jaarbasis. Om het bedrijfsresultaat van het actief te meten, dienen de opbrengsten die het actief genereert verminderd te worden met de kosten van het gebruik van het actief die direct aan het actief kunnen worden toegeschreven of op redelijke of consistente basis aan het actief kunnen worden toegerekend. Deze kosten omvatten ook de afschrijvingskost van het vast actief. 

Anders uitgedrukt zijn de opbrengsten deze die geboekt worden in de klasse 70 tot 74 binnen de minimumindeling van een algemeen rekeningstelsel8. De kosten zijn deze die geboekt worden onder de klasse 60 tot 64 van het rekeningenstelsel. 

Bedrijfsresultaat van een actief = bedrijfsopbrengsten (70-74 m.b.t. betrokken actief) –
  bedrijfskosten (60-64 m.b.t. betrokken actief)9

Het bekomen resultaat zal vervolgens worden gedeeld door de geherwaardeerde boekwaarde van het actief. Zodoende wordt een percentage bekomen dat de relatie tussen het bedrijfsresultaat van het actief en het betrokken geherwaardeerde actief duidelijk weerspiegelt. Dit percentage dient aanvaardbaar te blijven in vergelijking met het percentage dat bekomen wordt zonder rekening te houden met de effecten van de herwaardering.

Het komt aan het bestuursorgaan van de vennootschap toe om te oordelen of zij dit percentage aanvaardbaar acht. Aangezien de meerwaarde een vaststaand en duurzaam karakter moet vertonen, moet er bij deze beoordeling ook rekening worden gehouden met cijfers uit het verleden. 

In het geval het niet mogelijk is om het resultaat van een individueel actief te schatten, dient een onderneming het resultaat te bepalen van de eenheid waartoe het actief behoort. 

Bedrijfsresultaat van de eenheid waartoe het actief behoort = opbrengsten (70-74 van de betrokken eenheid) – kosten (60-64 van de betrokken eenheid).

Ook hier zal vervolgens het bekomen bedrijfsresultaat van de groep activa die een eenheid vormen worden gedeeld worden door de geherwaardeerde boekwaarde van deze activa. 

Uit dit alles mag naar de mening van de Commissie niet besloten worden dat de actiefgebonden rentabiliteitsvoorwaarde niet zou vereist zijn ingeval het potentieel te herwaarderen bestanddeel een actief zou zijn met onbeperkte gebruiksduur waar geen afschrijvingen op toegepast worden. Ook de herwaardering van zo'n actief moet bepaald worden in functie van het nut van het betrokken actief voor de vennootschap. Door de toename van de boekwaarde van het actief ingevolge de herwaardering kan de rentabiliteit dalen zodat deze niet meer binnen een aanvaardbare grens ligt.

B) Financiële vaste activa

Wat de aandelen betreft die binnen de financiële vaste activa zijn geboekt, kan algemeen gesteld worden dat die rentabiliteit kan berekend worden door het financiële resultaat dat wordt behaald met het betrokken actief (zijnde de financiële opbrengsten) te relateren aan de boekwaarde van het financieel vast actief. Het bekomen resultaat dient aanvaardbaar te blijven in vergelijking met het resultaat  dat bekomen wordt zonder rekening te houden met de effecten van de herwaardering.

Indien wordt overgegaan tot herwaardering, dient het bestuursorgaan in de toelichting te verantwoorden waarom zij dit resultaat aanvaardbaar acht.

In de regel zullen de financiële opbrengsten de effectieve uitkeringen zijn voor minstens het laatste boekjaar van de betrokken vennootschap waarin de aandelen worden aangehouden. Maar de uitkering van een dividend voor enkel het laatste boekjaar, moet omzichtig benaderd worden.  De dividendenstroom moet in dat geval een duurzaam karakter hebben om er rekening mee te kunnen houden. Voor zover de onderneming over ernstige cijfers voor de toekomst beschikt van de vennootschap waarvan aandelen worden aangehouden met afspraken rond geplande dividenduitkering, kan ook daarmee rekening gehouden worden om de rentabiliteit van de aandelen te berekenen. Maar voorzichtigheid is hier de regel.

Gaat het om aandelen in verbonden ondernemingen waar de onderneming dus de controle over heeft in de zin van artikel 5 W.Venn., kan rekening gehouden worden met de winstgevendheid op zich van de betrokken dochter zelf. Bij controle beslist de onderneming immers zelf of al dan niet een dividend wordt uitgekeerd. Vanuit deze invalshoek is de Commissie van mening dat het behaalde resultaat van de voorbije periode mag in rekening genomen worden bij het berekenen van de rentabiliteit, ook al zijn geen of verwaarloosbare dividenden uitgekeerd.

Bij genoteerde aandelen geboekt als financieel vast actief kan de beurskoers ook een indicatie zijn. Maar dan moet deze beurskoers op vaststaande en duurzame wijze uitstijgen boven de boekwaarde van de aandelen. Bijkomend moet de rentabiliteit van het aandeel zoals hoger uitgetekend, aanwezig zijn. Zo zal een stijging van de aandelenprijs ingegeven door speculatie, geen element zijn dat een herwaardering motiveert als deze hogere beurskoers niet onderbouwd is door de rentabiliteit van het actief. Eenzelfde redenering kan gehanteerd worden bij niet genoteerde aandelen. Ook in dit geval kan de reële waarde10 van de aandelen een indicatie zijn voor een herwaardering. Op voorwaarde dat de rentabiliteit van het actief deze hogere waarde onderbouwt. Het feit dat de reële waarde van zowel genoteerde als niet genoteerde aandelen hoger is dan de boekwaarde en dat dus de aandelen zouden kunnen verkocht worden tegen een hogere waarde, motiveert op zich geenszins het boeken van een herwaarderingsmeerwaarde. Financiële activa worden naar Belgisch boekhoudrecht niet geboekt aan reële waarde. Enkel als hun waarde bepaald in functie van hun nut voor de onderneming uitstijgt boven de boekwaarde is een herwaardering mogelijk. Maar de enkele motivering dat de verkoopprijs van de aandelen hoger zou zijn, is onvoldoende om te besluiten tot een herwaardering. Dit nut moet minstens vertaald worden in rentabiliteit. Een onderneming is immers in de regel bereid een prijs te betalen voor aandelen in het licht van hun toekomstig nut en dus winstgevendheid.

Bijkomende rentabiliteitsvoorwaarde voor activa noodzakelijk voor de voortzetting van het bedrijf

Indien het actief noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf, dient een bijkomende rentabiliteitsvoorwaarde vervuld te worden naast de reeds besproken actiefgebonden rentabiliteitsvoorwaarde.

Indien het actief niet noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf, dient enkel de actiefgebonden rentabiliteitsvoorwaarde vervuld te worden.

A) Noodzakelijk voor de voortzetting van het bedrijf

Naar het oordeel van de Commissie is een actief noodzakelijk voor de voortzetting van het bedrijf  van de vennootschap of van een onderdeel daarvan, wanneer het betrokken actief zonder meer nodig is of onder de gegeven omstandigheden onvermijdelijk is voor de verdere continuïteit van de onderneming. Anders uitgedrukt: de activa moeten een noodzakelijk verband vertonen met de uitoefening van de activiteit van de betrokken onderneming. Dat wil bij wijze van voorbeeld zeggen dat de machines die ingezet worden in het productieproces en het vrachtwagenpark waarmee de distributie wordt verzorgd, zo goed als steeds kunnen beschouwd worden als noodzakelijk voor de voortzetting van het bedrijf. Gezien de deelnemingen en aandelen die onder de financiële vaste activa voorkomen eveneens kunnen geherwaardeerd worden, is het mogelijk dat niet alle aandelen opgenomen in deze rubriek nodig zijn om de continuïteit van de onderneming te verzekeren. Evenwel zullen de belangrijke aandelenpakketten die houdstermaatschappijen aanhouden in de regel onder deze classificatie vallen.

Algemeen ziet de Commissie twee grote categorieën van materiële vaste activa die niet noodzakelijk zijn voor de voortzetting van het bedrijf.
 

  1. In eerste instantie kan het gaan om sommige activa die conform artikel 95, § 1, III. E. KB W.Venn. binnen de rubriek Overige materiële vaste activa dienen geboekt te worden. Zo worden onder deze rubriek de onroerende goederen geboekt die worden aangehouden als onroerende reserve. Vermits zij aangehouden worden als reserve, kan redelijkerwijs gesteld worden dat deze veelal niet noodzakelijk zijn voor de voortzetting van het bedrijf. In deze kunnen ook de buiten gebruik of buiten exploitatie gestelde materiële vaste activa begrepen worden.
     
  2. In tweede instantie kan gedacht worden aan de materiële vaste activa aangehouden met het oog op de verkoop ervan. Deze activa zijn bijgevolg niet (langer) noodzakelijk voor de continuïteit van de onderneming. De Commissie is van oordeel dat dergelijke niet meer duurzaam tot de activiteit van de vennootschap bijdragende materiële vaste activa om deze reden dan ook niet kunnen worden geherwaardeerd. Op te merken valt dat binnen het Belgisch boekhoudrecht en evenmin binnen de Vierde Richtlijn11 een afzonderlijke rubriek binnen het actief bestaat om vaste activa en groepen af te stoten activa aangehouden voor verkoop afzonderlijk te boeken binnen de vlottende activa12

Wat de financiële vaste activa betreft, moet worden gewezen op artikel 95, § 1, VIII. B KB W.Venn. Onder de post Overige beleggingen binnen de geldbeleggingen mogen de aandelen in verbonden ondernemingen of in ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat, worden opgenomen indien ze zijn verkregen of waarop is ingeschreven met het oog op de wederafstand daarvan, of indien ze, krachtens een beslissing van de vennootschap, bestemd zijn om binnen twaalf maanden te worden gerealiseerd. Indien het bestuursorgaan ervoor kiest de aandelen te boeken als geldbeleggingen, is elke boeking van een herwaarderingsmeerwaarde uitgesloten gezien artikel 57, § 1 KB W.Venn. herwaardering van geldbeleggingen niet toelaat. Zo zal een reeds vroeger geboekte herwaarderingsmeerwaarde moeten afgeboekt worden bij de overboeking naar de post Overige beleggingen. Voor geldbeleggingen kunnen immers geen herwaarderingsmeerwaarden geboekt worden.

B) Rentabiliteit van de vennootschap of betrokken bedrijfsonderdeel (voor activa noodzakelijk voor de voortzetting van het bedrijf)

Indien de activa noodzakelijk zijn voor de voortzetting van het bedrijf van de vennootschap of van een onderdeel daarvan mogen zij overeenkomstig artikel 57, § 1 KB W.Venn. slechts worden geherwaardeerd “in de mate waarin de aldus uitgedrukte meerwaarde wordt verantwoord door de rentabiliteit van de vennootschap of van het betrokken bedrijfsonderdeel”.

Het begrip algemene rentabiliteit gaat in wezen uit van de verhouding tussen het resultaat en het geïnvesteerde vermogen waarmede dit resultaat is behaald. Een voldoende rentabiliteit betekent dat het verschil tussen opbrengsten en kosten voldoende is in vergelijking met het geïnvesteerde vermogen, dat men terugvindt op de balans13. Daarbij kan gewerkt worden met de rentabiliteit van het totaal van de activa of bedrijfsactiva of met de rentabiliteit van het eigen vermogen. Door de herwaardering zal het totaal van de activa en het eigen vermogen stijgen, waardoor de rentabiliteit in de regel zal dalen.

Rentabiliteit van het totaal van de activa: voorbeeldmethoden

Een methode om het rendement van het totaal van de activa te berekenen is het bruto- of nettoresultaat, verkregen vóór de aanrekening van de belastingen en de financiële kosten, te vergelijken met het balanstotaal. Op die manier krijgt men zicht op de economische rentabiliteit van de onderneming zonder beïnvloeding door de financieringswijze of het belastingtarief. 

Brutorentabiliteit van het totaal der activa, vóór belasting en kosten van schulden =

Nettoresultaat van het boekjaar vóór belasting + niet-kaskosten + kosten van schulden
Totaal van de activa


Nettorentabiliteit van het totaal der activa, vóór belasting en kosten van schulden =

Nettoresultaat van het boekjaar vóór belasting + kosten van schulden
                Totaal van de activa

Rentabiliteit van het eigen vermogen: voorbeeldmethoden

De nettorentabiliteit van het eigen vermogen wordt verkregen na aftrek van alle kosten van het boekjaar en wordt berekend na belastingen, maar voor resultaatverwerking:

Winst of verlies van het boekjaar
Eigen vermogen

De brutorentabiliteit van het eigen vermogen wordt berekend op basis van de cashflow, dit is het nettoresultaat na belastingen, verhoogd met de niet-kaskosten (zijnde de afschrijvingen, de waardeverminderingen, de voorzieningen, enzoverder):

      Cashflow     
 Eigen vermogen

Het komt aan het bestuursorgaan van de vennootschap toe om te oordelen of de rentabiliteit voldoende blijft na een geplande herwaarderingsmeerwaarde indien bij deze herwaardering de bijkomende rentabiliteitsvoorwaarde van toepassing is.

Indien een onderneming onderscheiden bedrijven in economische zin uitoefent, dient de beschreven rentabiliteit bekeken te worden in functie van het bedrijfsonderdeel binnen hetwelk de herwaardering gepland wordt.
 
Dit houdt in dat enkel kan geherwaardeerd worden als ondanks de toename van de activa en het eigen vermogen, de rentabiliteit van de onderneming aanvaardbaar blijft. De Commissie is dan ook de mening toegedaan dat deze rentabiliteitsvoorwaarde in de regel moeilijk zal te vervullen zijn bij ondernemingen die hun rentabiliteit nog niet hebben bewezen.
Het is in de praktijk perfect mogelijk dat de actiefgebonden rentabiliteitsvoorwaarde van het te herwaarderen actief binnen aanvaardbare grenzen blijft daar waar de bijkomende rentabiliteitsvoorwaarde negatief uitvalt. Zo kan bijvoorbeeld het individuele actief op zich voldoende resultaat genereren die evenwel wordt teniet gedaan door de algemene rentabiliteit van de onderneming. In het geval het betrokken actief noodzakelijk is voor de voortzetting van het bedrijf van de vennootschap of van een onderdeel daarvan, zal dit actief alsdan niet mogen geherwaardeerd worden.

Geherwaardeerde waarde gelimiteerd tot de marktwaarde

De Commissie wenst er ook op te wijzen dat de marktwaarde van het geherwaardeerde actief nooit mag overschreden worden bij het boeken van een herwaarderingsmeerwaarde op het betrokken actief.

Onderscheid tussen terugname afschrijvingen en herwaarderingen

Overeenkomstig artikel 45 KB W.Venn. hebben afschrijvingen tot doel de aanschaffingsprijs van immateriële of materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur. Nu kan het gebeuren dat door externe omstandigheden (bijvoorbeeld de verlenging van een oorspronkelijk voor een beperkte duur toegekende exploitatievergunning) de nuttigheids- of gebruiksduur van een materieel vast actief aanzienlijk wordt gewijzigd met als gevolg dat een reeds volledig afgeschreven vast actief een nieuwe economische waarde verwerft. 

De vraag kan worden gesteld of artikel 24 KB W.Venn. dat bepaalt dat de jaarrekening een getrouw beeld moet geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap er niet toe verplicht de boekwaarde van dit reeds volledig afgeschreven actief aan te passen. Naar het oordeel van de Commissie bestaat een dergelijke verplichting niet. Wel is het aangewezen dat bij niet-aanpassing van de boekwaarde in de toelichting een passende vermelding wordt opgenomen met aanduiding van de invloed op het vermogen en de resultaten van het nieuwe feit. 

Wordt toch tot een aanpassing overgegaan dan kan bij materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur worden geopteerd voor één van de volgende oplossingen : een herwaardering op basis van artikel 57 KB W.Venn., tenminste als de hierboven beschreven voorwaarden vervuld zijn, of een terugneming van de tijdens vorige boekjaren doorgevoerde afschrijvingen die ondertussen overtollig zijn gebleken. 

Artikel 64, § 1, derde lid KB W.Venn. bepaalt dat afschrijvingen op materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur slechts mogen worden teruggenomen, wanneer blijkt dat het daarvoren toegepaste afschrijvingsplan, wegens gewijzigde economische of technologische omstandigheden, een te snelle afschrijving tot gevolg heeft gehad14. In het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 12 september 1983 lezen we hieromtrent: “Teneinde te vermijden dat afschrijvingen op arbitraire wijze zouden worden teruggenomen, wordt de terugneming van afschrijvingen beperkt tot het geval waarin als gevolg van een wijziging van de economische of technologische omstandigheden of van een feit waarover de onderneming niet alleen oordeelt, blijkt dat het ritme van het vroeger toegepaste afschrijvingsplan te snel is geweest.”

De terugneming van afschrijvingen moet geschieden via de resultatenrekening door de boeking van een uitzonderlijke opbrengst. De afschrijving van het materieel vast actief zal via een normaal ritme worden hervat met spreiding van de nieuwe waarde over de resterende gebruiksduur van het betrokken actief. 

Omzetting van herwaarderingsmeerwaarden in kapitaal

Krachtens artikel 57, § 3 KB W.Venn. mogen de meerwaarden die werden geboekt op bepaalde vaste activa in kapitaal worden omgezet. Ook de Vierde Richtlijn voorziet dat de “herwaarderingsreserve te allen tijde geheel of gedeeltelijk in kapitaal kan worden omgezet”15

De Commissie wenst te benadrukken dat grote voorzichtigheid geboden is bij het herwaarderen in het algemeen en dat zeer omzichtig te werk moet worden gegaan met het omzetten van herwaarderingsmeerwaarden in kapitaal. 

De Commissie raadt daarenboven aan de omzetting van een herwaarderingsmeerwaarde in het kapitaal te beperken tot het bedrag dat overblijft na aftrek van de geraamde belasting die ingeval van realisatie op de meerwaarde zou worden geheven16

Voorbeeld 1

Een vennootschap bezit een gebouw met een boekwaarde van 200.000 euro dat in aanmerking komt voor herwaardering. Er wordt op het gebouw een herwaarderingsmeerwaarde uitgedrukt van 50.000 euro. Deze herwaarderingsmeerwaarde wordt tijdens hetzelfde boekjaar omgezet in kapitaal ten belope van 66,01 % (het percentage dat overblijft na aftrek van het huidige vennootschapsbelastingpercentage van 33,99 %). Op het moment van herwaarding heeft het gebouw nog een waarschijnlijke gebruiksduur van 10 jaar. De vennootschap wijzigt het oorspronkelijke afschrijvingsplan niet.
 

  • Boeking van de herwaardering:
2218 Gebouwen: Geboekte meerwaarden 50.000  
  aan 121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa   50.000
  • Boeking van de omzetting van de herwaarderingsmeerwaarde in kapitaal:
121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 33.00517  
  aan 100 Geplaatst kapitaal   33.005
  • Inventarisverrichtingen:
6302 Afschrijvingen op materiële vaste activa 25.000  
  aan 22109 Gebouwen: Geboekte afschrijvingen op aanschaffingswaarde   20.000
    22189 Gebouwen: Geboekte afschrijvingen op meerwaarde   5.000
121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 1.699,518  
  aan 133 Beschikbare reserve19   1.699,5

 Aanwending van herwaarderingsmeerwaarden ter aanzuivering van verliezen

Zoals hierboven vermeld, moeten de geboekte meerwaarden krachtens artikel 57, § 3 KB W.Venn. rechtstreeks worden toegerekend aan de passiefpost III. Herwaarderingsmeerwaarden

Deze bepaling wijst erop dat een herwaarderingsmeerwaarde in de zin van hogergenoemd artikel 57 KB W.Venn. geen “resultaat” uitmaakt, dat aanleiding kan zijn tot winstbestemming. 

Naar het oordeel van de Commissie is het derhalve principieel uitgesloten dat  de bedragen geboekt onder de post Herwaarderingsmeerwaarden direct of indirect zouden worden aangewend om bijvoorbeeld geleden verliezen geheel of gedeeltelijk aan te zuiveren.

 Afschrijving van geherwaardeerde activa

Indien de herwaardering betrekking heeft op materiële vaste activa met een beperkte gebruiksduur, dan wordt op basis van de geherwaardeerde waarde afgeschreven overeenkomstig een afschrijvingsplan dat ertoe strekt de toerekening van de geherwaardeerde waarde te spreiden over de vermoedelijke residuele gebruiksduur van de betrokken activa20

Bij herwaardering kan het oorspronkelijke afschrijvingsplan desgevallend worden aangepast om rekening te houden met deze bijkomende afschrijvingsverplichting. Daarbij komt het de onderneming toe te oordelen of de in het oorspronkelijke plan geschatte gebruiksduur van de betrokken activa moet worden gehandhaafd, dan wel gewijzigd. Bij deze beoordeling zal de onderneming de relevante factoren eigen aan het concrete geval toetsen aan haar bestendig toegepaste citeria ter zake van gebruiksduur of nuttigheidsduur, zoals zij deze hoort vast te stellen in het kader van haar waarderingsregels21. In de regel geeft dergelijke aanpassing van het oorspronkelijke afschrijvingsplan als gevolg van een herwaardering geen aanleiding tot een terugneming van afschrijvingen, tenzij de voorwaarden van artikel 64, § 1, derde lid KB W.Venn. zijn vervuld en de onderneming van deze mogelijkheid gebruik maakt. 

Voorbeeld 2

Een onderneming kocht in jaar N-20 voor de prijs van 2.500.000 euro een gebouw aan. De waarschijnlijke gebruiksduur van het gebouw werd destijds geschat op 25 jaar. In jaar N blijkt evenwel dat de werkelijke waarde (1.500.000) van het gebouw veel hoger ligt dan de boekwaarde (500.000) en dat het gebouw nog 10 jaar zal kunnen gebruikt worden door de onderneming. De onderneming beslist om het gebouw te herwaarderen (voorwaarden zijn vervuld) en om de geschatte gebruiksduur van het gebouw met 5 jaar te verlengen.

Boeking van de herwaardering in jaar N:

2218 Gebouwen: Geboekte meerwaarden 1.000.000  
  aan 121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa   1.000.000

Inventarisverrichtingen (31.12.N):

630 Afschrijvingen en waardeverminderingen op vaste activa 150.000  
  aan 22109 Geboekte afschrijvingen op aanschaffingswaarde   50.00022
    22189 Geboekte afschrijvingen op meerwaarde   100.00023
121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 100.000  
  aan 133 Beschikbare reserves   100.000

Overeenkomstig artikel 57, § 3, 1° KB W.Venn. mag een herwaarderingsmeerwaarde tot het beloop van de op de meerwaarde geboekte afschrijvingen worden overgeboekt naar een reserve. De Commissie is van oordeel dat deze overboeking aan te bevelen is omdat daardoor een getrouwer beeld wordt gegeven van de vermogenstoestand van de onderneming. Ten belope van de geboekte afschrijvingen gaat het immers niet meer om een louter uitgedrukte meerwaarde, maar om een via het resultaat geboekte vermogensaangroei24

Vermits deze overboeking los staat van de verwerking van het resultaat mag zij rechtstreeks geschieden zonder via de staat van de verwerking van het resultaat te gaan. Het betreft een mutatie binnen het eigen vermogen met tegenboeking in een balanspost25.

Voorbeeld 3

Een grote onderneming die haar boekhouding per kalenderjaar voert, herwaardeert een gebouw op 1 juni van het jaar N+10. Dit gebouw werd aangekocht in het jaar N voor 400.000 euro. De waarschijnlijke gebruiksduur van het gebouw bedraagt 20 jaar. In het jaar N+10 blijkt het gebouw meer waard te zijn dan haar huidige boekwaarde. De onderneming besluit om op het gebouw een herwaarderingsmeerwaarde van 100.000 euro te boeken (voorwaarden zijn vervuld) en deze herwaarderingsmeerwaarde vrijwillig pro rata temporis af te schrijven. De geschatte gebruiksduur van het gebouw blijft behouden.

Boeking van de herwaardering op 01.06.N+10:

2218 Gebouwen: Geboekte meerwaarden 100.000  
  aan 121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa   100.000

Inventarisverrichtingen (31.12.N+10):

630 Afschrijvingen en waardeverminderingen op vaste activa – toevoeging 25.863  
  aan 22109 PostGeboekte afschrijvingen op aanschaffingswaarde   20.000
    22189 Geboekte afschrijvingen op meerwaarde   5.86326
121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 5.8630  
  aan 133 Beschikbare reserves   5.863

Ingeval de herwaarderingsmeerwaarde werd omgezet in kapitaal, kan de herwaarderingsmeerwaarde uiteraard niet meer overgeboekt worden naar een reserverekening, tenzij voor het deel dat niet geïncorporeerd werd in het kapitaal (zie punt C hierboven). 

Correctie van herwaarderingsmeerwaarden

De onderneming dient jaarlijks op inventarisdatum na te gaan of de herwaarderingsmeerwaarde nog bestaat. Indien door het optreden van nieuwe feiten de voorheen uitgedrukte meerwaarde niet meer (volledig) bestaat, dan moet de nog niet afgeschreven, overtollige meerwaarde worden afgeboekt door een eenvoudig terugdraaien van de verrichting via een tegengestelde boeking27. De correctie kan niet gebeuren door een uitzonderlijke afschrijving op de meerwaarde te boeken.

Boeking

120 of 121 Herwaarderingsmeerwaarden    
  aan 2..8 Vaste activa: geboekte meerwaarden    

Voorbeeld 4

Een vennootschap bezit een gebouw met een boekwaarde van 200.000 euro dat in aanmerking komt voor herwaardering. Er wordt in het jaar N op het gebouw een herwaarderingsmeerwaarde uitgedrukt van 50.000 euro. Op het moment van herwaarding heeft het gebouw nog een waarschijnlijke gebruiksduur van 10 jaar. De vennootschap wijzigt het oorspronkelijke afschrijvingsplan niet. Tijdens het jaar N+5 blijkt echter dat het gebouw slechts 110.000 euro waard is. Aangezien de boekwaarde van het gebouw op dat moment 125.000 euro28 bedraagt, dient de vennootschap de herwaarderingsmeerwaarde ten belope van 15.000 euro af te boeken.

121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 15.000  
  aan 2218 Gebouwen: geboekte meerwaarden   15.000

De vraag stelt zich of op dezelfde wijze te werk moet worden gegaan wanneer de herwaarderingsmeerwaarde werd omgezet in kapitaal. Moet het kapitaal dan worden verminderd ten belope van hetzelfde bedrag? Of moet de omzetting in kapitaal als onomkeerbaar worden beschouwd en het verdwijnen van de meerwaarde als kost in de resultatenrekening worden geboekt? Of mag men de waardevermindering rechtstreeks aanrekenen op een reserve? 

Volgens de Commissie is de rechtstreekse aanrekening op de reserves strijdig met het KB W.Venn. Zij leidt immers tot een rechtstreekse afrekening via de reserves van waardeverminderingen geboekt op activa. 

De Commissie is van oordeel dat de correctie van een herwaarderingsmeerwaarde die werd omgezet in kapitaal, in principe via een kapitaalsvermindering dient te gebeuren, aangezien dit de meest coherente oplossing is. In uitzonderlijke gevallen29, mag de onderneming een uitzonderlijke kost boeken. In dat geval moet in de toelichting een commentaar worden verstrekt over de aard van deze uitzonderlijke kost en haar invloed op het resultaat van het boekjaar.

Voorbeeld 5

Een vennootschap bezit een gebouw met een boekwaarde van 200.000 euro dat in aanmerking komt voor herwaardering. Er wordt in het jaar N op het gebouw een herwaarderingsmeerwaarde uitgedrukt van 50.000 euro. Deze herwaarderingsmeerwaarde wordt vervolgens omgezet in kapitaal ten belope van 66,01 % (het percentage dat overblijft na aftrek van het huidige vennootschapsbelastingpercentage van 33,99 %)30. Op het moment van herwaarding heeft het gebouw nog een waarschijnlijke gebruiksduur van 10 jaar. De vennootschap wijzigt het oorspronkelijke afschrijvingsplan niet. Tijdens het jaar N+5 blijkt echter dat het gebouw slechts 110.000 euro waard is. De vennootschap dient de herwaarderingsmeerwaarde ten belope van 15.000 euro af te boeken (cf. voorbeeld 4). Op dat moment staat op de rekening 121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa nog een saldo van 8.497,5 euro31. Dit saldo  dient te worden afgeboekt en het kapitaal dient te worden verminderd ten belope van de overige 6.502,5 euro.

121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 8.497,5  
  aan 2218 Gebouwen: geboekte meerwaarden   8.497,5
100 Geplaatst kapitaal 6.502,5  
  aan 2218 Gebouwen: geboekte meerwaarden   6.502,5

Omwille van het voorgaande onderstreept de Commissie nogmaals dat grote voorzichtigheid geboden is bij het omzetten van een herwaarderingsmeerwaarde in kapitaal. 

Realisatie van geherwaardeerde activa

Bij de realisatie van de geherwaardeerde activa, dienen alle rekeningen met betrekking tot de voorheen uitgedrukte, niet-gerealiseerde meerwaarde tegengeboekt te worden, zodanig dat het actief aan zijn oorspronkelijke boekwaarde gewaardeerd wordt in de balans .

Het bij de realisatie bekomen resultaat wordt vervolgens bepaald in functie van de aanschaffingswaarde van het betrokken actief, in voorkomend geval na rekening te hebben gehouden met de geboekte afschrijvingen op de aanschaffingswaarde. 

Voorbeeld 6

Een onderneming koopt op 1 januari van het jaar N een gebouw aan voor 600.000 euro. Dit gebouw zal over 30 jaren worden afgeschreven. Op 1 juni N+10 stelt de onderneming vast dat het gebouw een duurzame meerwaarde vertoont ten opzichte van de boekhoudkundige toestand. De machine komt op basis van artikel 57 KB W.Venn. in aanmerking voor herwaardering. De meerwaarde wordt vastgesteld op 60.000 euro. De onderneming schrijft het gebouw verder af op basis van deze geherwaardeerde waarde (de waarschijnlijke gebruiksduur van het gebouw wordt niet aangepast) en het afgeschreven deel van de herwaarderingsmeerwaarde wordt overgeboekt naar beschikbare reserves (wat volgens de Commissie aan te bevelen is). Op 31 oktober N+23 wordt de machine evenwel verkocht. Hierna worden de boekingen met betrekking tot de herwaarderingsmeerwaarde weergegeven.
 

Boeking op 01.06.N+10:

2218 Gebouwen: geboekte meerwaarden 60.000  
  aan 121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa   60.000

Inventarisverrichtingen (31.12.N+10→N+22):

6302 Afschrijvingen op materiële vaste activa 23.000  
  aan 22109 Gebouwen: geboekte afschrijvingen op aanschaffingswaarde   20.000
    22189 Gebouwen: geboekte afschrijvingen op meerwaarde   3.000
121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 3.000  
  aan 133  Beschikbare reserves   3.000

Boeking op 31.10.N+23

121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 21.000  
22189 Gebouwen: geboekte afschrijvingen op meerwaarde 39.000  
  aan 2218 Gebouwen: geboekte meerwaarden   60.000

Stel dat het afgeschreven deel van de herwaarderingsmeerwaarde niet werd overgeboekt naar de beschikbare reserves, dan zou dit alsnog bij de realisatie dienen te gebeuren:

121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 60.000  
22189 Gebouwen: geboekte afschrijvingen op meerwaarde 39.000  
  aan 2218 Gebouwen: geboekte meerwaarden   60.000
    133 Beschikbare reserves   39.000

Werd de meerwaarde daarentegen (gedeeltelijk) omgezet in kapitaal dan kan bij de realisering van het betrokken actief de meerwaarde niet worden afgeboekt van de post herwaarderingsmeerwaarden. Het ‘tekort‘ dient in principe als een kapitaalvermindering geboekt te worden.In uitzonderlijke gevallen, mag een uitzonderlijke kost geboekt te worden32.

Voorbeeld 7

Zelfde gegevens als in voorbeeld hierboven, maar de herwaarderingsmeerwaarde wordt in hetzelfde boekjaar N+ 10 ten belope van 66,01 % omgezet in kapitaal. 
 

Boeking op 01.06.N+10:

2218 Gebouwen: geboekte meerwaarden 60.000  
  aan 121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa   60.000

Boeking van de omzetting van de herwaarderingsmeerwaarde in kapitaal:

121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 39.60633  
  aan 100 Geplaatst kapitaal   39.606

Inventarisverrichtingen (31.12.N+10→N+22):

6302 Afschrijvingen op materiële vaste activa 23.000  
  aan 22109 Gebouwen: geboekte afschrijvingen op aanschaffingswaarde   20.000
    22189 Gebouwen: geboekte afschrijvingen op meerwaarde   3.000
121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 1.019,7  
  aan 133 Beschikbare reserves   1.019,7

Boeking op 31.10.N+23:

121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 7.137,934  
22189 Gebouwen: geboekte afschrijvingen op meerwaarde 39.000  
100 Geplaatst kapitaal 13.862,1  
  aan 2218 Gebouwen: geboekte meerwaarden   60.000

Indien de algemene vergadering niet akkoord gaat met de kapitaalsvermindering, dient de volgende boeking te gebeuren:

121 Herwaarderingsmeerwaarden op materiële vaste activa 7.137,9  
22189 Gebouwen: geboekte afschrijvingen op meerwaarden 39.000  
668 Andere uitzonderlijke kosten 13.862,1  
  aan 2218 Gebouwen: geboekte meerwaarden   60.000

Vervolgens wordt de meer- of minwaarde bij realisatie geboekt ten opzichte van de boekwaarde van het actief zonder herwaardering.

Terugneming van waardeverminderingen overeenkomstig artikel 100 KB W.Venn.

Het schema van de resultatenrekening (artikel 89 KB W.Venn.) bevat onder de uitzonderlijke opbrengsten afzonderlijke posten met betrekking tot de terugneming van afschrijvingen en waardeverminderingen op immateriële en materiële activa enerzijds, en de terugneming van waardeverminderingen op financiële activa anderzijds. 

Overeenkomstig artikel 96 KB W.Venn. moeten onder de post VII.A. Terugneming van afschrijvingen en van waardeverminderingen op immateriële en materiële vaste activa worden opgenomen:

  1. de met toepassing van artikel 61, § 1, derde lid35 en artikel 64, § 1, derde lid verrichte terugnemingen van afschrijvingen die tijdens een vorig boekjaar werden geboekt;
  2. de terugnemingen van waardeverminderingen die tijdens een vorig boekjaar werden geboekt op immateriële en materiële vaste activa en die te hoog zijn gebleken.

Artikel 100 KB W.Venn. vormt een uitzondering op het algemeen beginsel dat wil dat terugnemingen van afschrijvingen en waardeverminderingen bij de uitzonderlijke resultaten worden geboekt. Krachtens artikel 100 KB W.Venn. mogen 

  1. de terugneming van waardeverminderingen op deelnemingen, effecten en andere in portefeuille gehouden waardepapieren, voor zover deze waardeverminderingen werden geboekt vóór 1 januari 1976 of, indien de vennootschap het boekjaar anders dan per 31 december afsluit, vóór het begin van het boekjaar afgesloten in de loop van 1977; e
  2.  de terugneming van waardeverminderingen geboekt op immateriële vaste activa en op materiële vaste activa zonder beperkte gebruiksduur rechtstreeks onder de post Herwaarderingsmeerwaarden worden geboekt en gehandhaafd tot op het ogenblik waarop de betrokken goederen gerealiseerd zijn.

Deze bepaling is één van de maatregelen die destijds door de Regering getroffen werden om de fiscale neutraliteit van het besluit over de jaarrekening te waarborgen. In het Verslag aan de Koning dat het besluit van 8 oktober 1976 voorafgaat, wordt die maatregel als volgt gerechtvaardigd: “Bovendien werd een bepaling opgenomen (artikel 4436) waardoor de verplichting de overtollige afschrijvingen en waardeverminderingen terug te nemen, niet tot gevolg zou hebben ze onmiddellijk belastbaar te maken, daar waar ze luidens de fiscale wetgeving pas in een later stadium, onder meer bij de realisering van de betrokken goederen, belastbaar zouden worden”.

Artikel 100 KB W.Venn. biedt een keuzemogelijkheid aan de ondernemingen, met de bedoeling de fiscale neutraliteit te waarborgen, doch het staat de ondernemingen vrij hiervan geen gebruik te maken.


Dit advies vervangt de adviezen 109, 112/4, 112/6, 112/7, 113/1, 113/3, 113/3bis, 113/4 en 2009/5.
 

  • 1. Artikel 44, vierde lid KB W.Venn. is een overgangsbepaling op grond waarvan de meerwaarden geboekt tijdens een boekjaar dat voorafgaat aan het boekjaar dat ingaat na 31 december 1983 in de rubriek III. Herwaarderingsmeerwaarden behouden mogen blijven.
  • 2. Artikel 95, § 2 KB W.Venn.
  • 3. Immateriële vaste activa kunnen overeenkomstig het Belgisch boekhoudrecht niet geherwaardeerd worden.
  • 4. Deze meerwaarden mogen nochtans overeenkomstig artikel 57, § 3 KB W.Venn. worden overgebracht naar een reserve tot het beloop van de op de meerwaarde geboekte afschrijvingen; in kapitaal worden omgezet en bij latere minwaarde worden afgeboekt tot beloop van het nog niet afgeschreven gedeelte van de meerwaarde (cf. infra).
  • 5. Artikel 91, A., III resp. IV KB W.Venn.
  • 6. BS 19 oktober 1976.
  • 7. Zie Verslag aan de Koning bij het KB van 12 september 1983 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen (BS 29 september 1983, err., BS 15 oktober 1983).
  • 8. Zoals bepaald in het KB 12.09.1983, BS 29.09.1983.
  • 9. Deze berekening is geïnspireerd op de definitie van de nettorentabiliteit van de bedrijfsactiva zoals beschreven bij H. OOGHE en C. VAN WYMEERSCH, Handboek Financiële Analyse van de Onderneming, Deel 1, Intersentia, 2003, 199-205.
  • 10. Met reële waarde wordt bedoeld het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een verplichting kan worden afgewikkeld in een zakelijke, objectieve transactie tussen ter zake goed geïnformeerde, tot een transactie bereid zijnde partijen die onafhankelijk zijn.
  • 11. Vierde Richtlijn van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (78/660/EEG), PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11.
  • 12. Wat wel het geval is binnen IFRS. Zie daartoe IAS 1, § 54, j. Een balans moet ten minste de volgende posten bevatten ... het totaalbedrag van activa die zijn geclassificeerd als aangehouden voor verkoop en activa in groepen activa die worden afgestoten geclassificeerd als aangehouden voor verkoop overeenkomstig IFRS 5.
  • 13. H. OOGHE, H en C. VAN WYMEERSCH, Handboek Financiële Analyse van de Onderneming, Deel 1, Antwerpen, Intersentia, 2008, 6.
  • 14. De aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen die niet langer verantwoord blijken, moeten daarentegen worden teruggenomen ten belope van het surplus ten opzichte van de gewone afschrijvingen.
  • 15. Artikel 33, 2. b) Vierde Richtlijn.
  • 16. Zie ook Verslag aan de Koning bij KB van 12 september 1983: “Uit voorzichtigheid lijkt het overigens aangewezen het gedeelte van de meerwaarde dat overeenstemt met de geraamde belasting die in geval van realisatie zou worden geheven, niet in kapitaal om te zetten.”
  • 17. 50.000 x 0,6601.
  • 18. 50.000 x 0,3399 x 0,1.
  • 19. Overeenkomstig artikel 57, § 3, 1° KB W.Venn. mag een herwaarderingsmeerwaarde tot het beloop van de op de meerwaarde geboekte afschrijvingen worden overgeboekt naar een reserve. De Commissie is van oordeel dat deze overboeking aan te bevelen is omdat daardoor een getrouwer beeld wordt gegeven van de vermogenstoestand van de onderneming (cf. infra).
  • 20. Artikel 57, § 2 KB W.Venn. Er dient hierbij opgemerkt te worden dat op fiscaal gebied enkel de afschrijvingen gegrond op de aanschaffingswaarde aanvaard worden (artikel 61 WIB 92). De afschrijvingen die betrekking hebben op de herwaarderingsmeerwaarde zullen met andere woorden fiscaal niet als beroepskost aanvaard worden.
  • 21. Artikel 28, § 1 KB W.Venn.
  • 22. 500.000/10 = 50.000.
  • 23. 1.000.000/10 = 100.000.
  • 24. Zie Verslag aan de Koning bij het KB van 12 september 1983 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen (B.S., 29.09.1983, err., B.S., 15.10.1983).
  • 25. Zie advies 121/3 “Mutaties binnen het eigen vermogen”, Bulletin CBN, nr. 34, maart 1995, 3-10.
  • 26. 100.000 x 10 % x 214/365 = 5.863.
  • 27. Artikel 57, § 3, 3° bepaalt dat meerwaarden “bij latere minderwaarde worden afgeboekt tot het beloop van het nog niet afgeschreven gedeelte van de meerwaarde”.
  • 28. (200.000 – (5 x 20.000)) + (50.000 – (5 x 5.000)).
  • 29. Bijvoorbeeld indien de algemene vergadering niet akkoord gaat met een kapitaalsvermindering.
  • 30. Voor deze boekingen, zie voorbeeld 2 hierboven.
  • 31. (50.000 x 0,3399) - (50.000 x 0,3399 x 0,1 x 5)= 8.497,5
  • 32. Cf. supra.
  • 33. 60.000 x 0,6601.
  • 34. (60.000 x 0,3399) – (13 x 1.019,7).
  • 35. In de huidige geconsolideerde versie van het KB W.Venn. wordt enkel naar de met toepassing van artikel 64, § 1, derde lid verrichte terugnemingen van afschrijvingen verwezen, maar naar het oordeel van de Commissie dient ook naar de met toepassing van artikel 61, § 1, derde lid verrichte terugnemingen van afschrijvingen verwezen te worden. De Commissie zal voorstellen om dit aan te passen in het KB W.Venn.
  • 36. Cf. huidig artikel 100 KB W.Venn (nvdr).