COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 110-4 - Bijkantoren of centra van werkzaamheden in België van ondernemingen naar buitenlands recht - Toepassing van artikel 10, par. 2 van de Boekhoudwet en van artikel 198 van de Vennootschapswet

 

Aan de Commissie werd gevraagd de draagwijdte toe te lichten van de publikatieplicht ten laste van in België gevestigde bijkantoren en centra van werkzaamheden van buitenlandse ondernemingen na de jongste wetswijziging. 

Krachtens de nieuwe artikelen 10, § 2 van de boekhoudwet en 10 van het algemeen uitvoeringsbesluit van 12 september 1983 zijn de «grote» in België gevestigde bijkantoren en centra van werkzaamheden van ondernemingen naar buitenlands recht ertoe verplicht - voor de eerste maal voor de jaarrekening afgesloten op het einde van het eerste boekjaar dat ingaat na 31 december 19821 - hun jaarrekening openbaar te maken door neerlegging ter griffie van de Rechtbank van Koophandel en dit ten laatste zeven maand na de afsluitingsdatum van het boekjaar. 

De omvang van het bijkantoor dient beoordeeld te worden aan de hand van de criteria opgenomen in artikel 12 van de boekhoudwet. De berekening van deze criteria geschiedt overeenkomstig de artikelen 11 en 12 van het algemeen uitvoeringsbesluit d.d. 12 september 1983. 

Toegepast op Belgische bijkantoren van ondernemingen naar buitenlands recht hebben deze bepalingen tot gevolg dat de criteria inzake omzet en balanstotaal bedoeld in artikel 12, § 2 van de boekhoudwet op geconsolideerde basis moeten worden berekend. 

De onderneming naar buitenlands recht wordt immers gelijkgesteld met een verbonden onderneming2, wat verplichte berekening op geconsolideerde basis impliceert. Wat het criterium personeelsbestand betreft, wordt het aantal werknemers opgeteld dat door het bijkantoor en de met haar verbonden ondernemingen jaarlijks gemiddeld wordt tewerkgesteld. 

Deze nieuw ingevoerde publikatieplicht betreft dus enkel de jaarrekening van het bijkantoor, opgemaakt conform de Belgische wetgeving, wat bijvoorbeeld impliceert dat zij uitgedrukt is in (duizenden) Belgische franken. 

Krachtens artikel 198 van de Vennootschapswet - dat ongewijzigd is gebleven - moet de vennootschap naar buitenlands recht met een Belgisch bijkantoor bovendien haar eigen jaarrekening - uiteraard opgesteld volgens de buitenlandse normen - in België openbaar maken volgens de modaliteiten bepaald in artikel 80 van de Vennootschapswet3

In veruit de meeste gevallen zullen dus - als gevolg van de gelijktijdige toepassing enerzijds van de hogergeciteerde bepalingen uit de boekhoudwetgeving inzake publikatieplicht ten laste van bijkantoren, anderzijds van artikel 198 van de Vennootschapswet - twee stukken worden openbaar gemaakt : de jaarrekening van het Belgisch bijkantoor evenals de jaarrekening van de buitenlandse moedervennootschap. 

 

In dezelfde context werd tevens de vraag opgeworpen of het geciteerde artikel 198 van de Vennootschapswet wel moet worden toegepast als de buitenlandse vennootschap in het land van oorsprong géén eigen jaarrekening dient openbaar te maken. 

Vermits het antwoord op deze vraag interpretatie vergt van de Vennootschapswet heeft de Commissie vooraleer het hierna weergegeven advies uit te brengen de bevoegde diensten van het Ministerie van Justitie geraadpleegd. 

Grijpt men terug naar de ratio legis van deze bepaling, dan blijkt het de bedoeling van de wetgever geweest te zijn de Belgische rechtssubjecten handelend met een in België gevestigd bijkantoor van een buitenlandse vennootschap, te beschermen door ze de mogelijkheid te geven zich hier te lande over deze buitenlandse vennootschap te informeren. Bovendien wilde de wetgever vermijden dat op buitenlandse vennootschappen die via de inrichting van een bijkantoor actief opereren op de Belgische markt, een gunstiger regeling zou van toepassing zijn dan op Belgische vennootschappen die bepaalde publikatieverplichtingen voor hun akten en voor hun jaarrekening moeten nakomen. Zo blijkt duidelijk uit de voorbereidende stukken4 dat de bepaling tot doel had de buitenlandse vennootschappen te onderwerpen aan de openbaarmakingsregeling van het land waarin zij een bijkantoor hadden ingericht. 

De toenmalige publikatieregeling kan als volgt worden samengevat : voor alle vennootschappen, de openbaarmaking van de oprichtingsakte en de akten tot wijziging daarvan; daarnaast, voor de naamloze vennootschappen de jaarlijkse openbaarmaking van hun balans en resultatenrekening en de vermelding van hun rechtsvorm in alle facturen, brieven, enz. Ondertussen werd de publikatieplicht inzake de jaarrekening aanzienlijk verruimd en werd de procedure voor alle betrokken vennootschappen gelijkgeschakeld. Slechts vennootschappen onder firma en gewone commanditaire vennootschappen zijn op dit ogenblik - behoudens onder meer indien ze «groot» zijn en ze één of meer rechtspersonen onder hun vennoten tellen5 - niet publikatieplichtig. 

Gelet op het voorgaande heeft de Commissie geadviseerd dat een buitenlandse vennootschap die hier te lande een bijkantoor heeft gevestigd, in België haar jaarrekening dient openbaar te maken indien zij is opgericht in een rechtsvorm die equivalent is met een Belgische publikatieplichtige vennootschapsvorm. Dit geldt ook al zou zij in haar land van oorsprong daartoe niet verplicht zijn wegens haar rechtsvorm of wegens een bijzondere bepaling getroffen bijvoorbeeld in toepassing van artikel 57 van de vierde E.E.G.-richtlijn van 25 juli 1978. Voor de toepassing van artikel 198 van de vennootschapswet is de openbaarmakingsregeling van het land van oorsprong inderdaad irrelevant. Dit advies vindt tevens steun in artikel 54 van de vierde E.E.G.- richtlijn waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat de richtlijn de wetgevingen van de Lid-Staten onverlet laat die voorschrijven dat jaarrekeningen van niet onder hun recht vallende vennootschappen moeten worden neergelegd in een register waar vestigingen van deze vennootschappen zijn ingeschreven. 

 

  • 1. Art 14, tweede lid, koninklijk besluit van 12 september 1983
  • 2. Zie de omschrijving van «verbonden ondernemingen» in Hoofdstuk III van de bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976
  • 3. Zie ook advies 110/2, Bull.Bull. CBN, nr. 4
  • 4. Cf. GUILLERY, Commentaire législatif de la loi du 18 mai 1873, II nr. 86
  • 5. Cf. artikel 10, § 1, koninklijk besluit van 12 september 1983