COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN
CBN-advies 112-7 - Afschrijvingen van geherwaardeerde activa

Commissie boekhoudnormen1

Artikel 34 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 bepaalt dat de ondernemingen hun lichamelijke beleggingen en hun participaties en aandelen die onder hun financiële beleggingen zijn opgenomen of sommige categorieën van die beleggingen, kunnen herschatten als de waarde ervan, in functie van hun nut voor de onderneming, een vast en duurzaam overschot t.o.v. de geboekte waarde vertoont. 

Als de herschatting betrekking heeft op lichamelijke beleggingen waarvan het gebruik in de tijd beperkt is, dan wordt de herschatte waarde afgeschreven volgens een plan conform artikel 15, om de inaanmerkingneming ervan te spreiden over de residuele duur van het vermoedelijk gebruik van de belegging. 

De commissie stelt in advies 112-3, inzake de afschrijving van belegde activa waarvan de reële waarde groter is dan de geboekte waarde, dat het feit dat de handels- of vervangingswaarde van een belegging waarvan de gebruiksduur beperkt is, de geboekte waarde te boven gaat, de stopzetting van de afschrijvingen niet verantwoordt en niet toelaat; als de gebruikswaarde de balanswaarde op blijvende wijze te boven gaat, dan zal de wil om de wezenlijke waarde van het vermogen in de rekeningen van de onderneming te vermelden het natuurlijk gevolg zijn van de in artikel 34 bedoelde herschatting. 

Kunnen of moeten de ondernemingen die deze herschatting toepassen, hun vroeger afschrijvingsplan ter zake herzien, om de herschatte waarde te spreiden over de duur van het nuttig gebruik van het goed, te rekenen van de datum van de herschatting? 

Antwoord 

Na raadpleging van de Commissie voor boekhoudkundige normen, gelieve het geachte lid hierna mijn antwoord te vinden. 

Wanneer een onderneming bij toepassing van artikel 34 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen een materieel vast activum met beperkte gebruiksduur herwaardeert, dan dient zij krachtens het derde lid van hetzelfde artikel, af te schrijven op basis van de geherwaardeerde waarde, volgens een overeenkomstig artikel 15 van hetzelfde besluit opgemaakt plan, dat ertoe moet strekken «de toerekening van de geherwaardeerde waarde te spreiden over de vermoedelijke residuele gebruiksduur van de betrokken activa». 

Als gevolg van de toegepaste herwaardering moet het oorspronkelijke afschrijvingsplan worden aangepast om rekening te houden met deze bijkomende afschrijvingsverplichting. Daarbij komt het de onderneming toe, te oordelen of de in het oorspronkelijke plan geschatte gebruiksduur van de betrokken activa moet worden gehandhaafd, dan wel gewijzigd. 

Bij deze beoordeling zal de onderneming de relevante factoren, eigen aan het concrete geval, toetsen aan haar bestendig toegepaste criteria ter zake van gebruiksduur of nuttigheidsduur, zoals zij deze hoort vast te stellen in het kader van haar waarderingsregels (artikel 15 van het koninklijk besluit). 

In de regel geeft dergelijke aanpassing van het oorspronkelijke afschrijvingsplan als gevolg van een herwaardering geen aanleiding tot een terugneming van afschrijvingen, tenzij de voorwaarden waarin artikel 28, § 2, derde lid, eerste volzin, van het jaarrekeningsbesluit zijn vervuld en de onderneming van deze mogelijkheid gebruik maakt. 

Ten slotte kan het vereist zijn, gelet op het fundamentele beginsel van het getrouwe beeld uitgedrukt in artikel 3 van het jaarrekeningbesluit, in de toelichting passende informatie op te nemen over de herwaardering en de geraamde invloed ervan op het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming, voor zover de betrokken bedragen belangrijk zijn. 
 

  • 1. Parlementaire vraag nr. 18 d.d. 28 december 1988 van Senator Wintgens, Bulletin Vragen en Antwoorden, 21 februari 1989 (nr. 20), p. 945. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen is niet aansprakelijk voor de bedenkelijke kwaliteit van de Nederlandse versie van de betrokken vraag.