COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 107/3 - Verplichtingen voortvloeiend uit brugpensioen

Aan de Commissie werd gevraagd hoe in de jaarrekening van een onderneming verplichtingen moeten worden geboekt die zij aangaat wanneer zij, in het kader van het conventioneel brugpensioenstelsel ingevoerd door de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 17 van 19 november 19741, bepaalde werknemers op brugpensioen stelt.

In het bijzonder werd de vraag gesteld:

  1. of de onderneming deze verplichtingen als voorziening op het passief moet boeken dan wel of zij, naar analogie met wat artikel 45 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de verplichtingen inzake rust- en overlevingspensioen toestaat, zich ertoe kan beperken de toedracht ervan in de toelichting te beschrijven;
  2. in de veronderstelling dat deze verplichtingen als voorziening moeten worden geboekt, of hun aanrekening mag worden gespreid over een beperkt aantal boekjaren door afschrijving van deze op het actief geboekte kosten.

Het conventioneel brugpensioenstelsel2 is bedoeld om, in geval van ontoereikende werkgelegenheid, ervoor te zorgen dat jongere werknemers aan het werk kunnen blijven. Daartoe biedt het de mogelijkheid om werknemers ouder dan 60 jaar op initiatief van de werkgever op brugpensioen te stellen, op voorwaarde dat deze laatste een vergoeding uitbetaalt die bij de werkloosheidsvergoeding wordt gevoegd en gelijk is aan de helft van het verschil tussen het netto-referteloon en de werkloosheidsuitkering. Deze vergoeding dient te worden betaald tot op de dag waarop het eigenlijke rustpensioen ingaat.

De verplichting aangegaan door de onderneming om haar werknemers met brugpensioen bovenvermelde vergoeding uit te betalen, ook al leveren zij geen arbeidsprestatie meer, betekent voor haar een vaste verbintenis en een kost die onbetwistbaar tijdens het boekjaar is ontstaan. Krachtens artikel 19 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 moet hiermee rekening worden gehouden in de inventaris; voor deze verbintenis moet een passende voorziening worden gevormd, ten laste van de resultatenrekening.

Het conventionele brugpensioenstelsel vertoont weliswaar bepaalde gelijkenissen met een bovenwettelijk rustpensioenstelsel. Artikel 45 van het besluit van 8 oktober 1976, dat toelaat om tijdens een overgangsperiode de verbintenissen die voor de onderneming voortvloeien uit aanvullende stelsels van rust- en overlevingspensioen niet op het passief te boeken, lijkt in dit geval echter niet toepasselijk.

Eerst en vooral kan worden opgemerkt dat artikel 45 tijdens een overgangsperiode een uitzondering toestaat op de beginselen die in het besluit zijn vervat. Deze uitzondering werd voorzien in het vooruitzicht van een specifieke reglementering van de betrokken verbintenissen3 en rekening houdend met het vaak voorwaardelijk karakter van deze verbintenissen. Aangezien het gaat om een uitzondering op de beginselen van het besluit, moet artikel 45 normaal gezien restrictief worden geïnterpreteerd. Bovendien hebben de verplichtingen voortvloeiend uit brugpensioen geenszins een voorwaardelijk karakter.

Anderzijds mag niet uit het oog worden verloren dat het conventioneel brugpensioen qua juridische organisatie gekoppeld is aan het ontslag van de werknemer en het werkloosheidsstelsel. De verplichting van de werkgever heeft veeleer het karakter van een aanvullende vergoeding bij de werkloosheidsuitkering omwille van een vroegtijdige beëindiging van de arbeidsovereenkomst, dan van een uitgesteld loon, zoals bij het bovenwettelijk rustpensioen.

De financiële verbintenissen die uit een beslissing tot brugpensionering voortvloeien, vormen een in beginsel vaststaande schuld. Het bedrag van deze schuld kan echter slechts worden geraamd. Het is immers afhankelijk van de vermoedelijke overlevingsduur van de begunstigden, van de mogelijke hervatting door deze laatsten van een beroepsactiviteit waarbij zij afzien van het brugpensioen evenals van de wijzigingen van deze vergoeding, onder meer als gevolg van de schommeling van het prijsindexcijfer.

De raming van dit bedrag moet overeenkomstig de algemene beginselen van het besluit met voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw geschieden.

De tweede vraag in verband met de boeking van deze kosten op het actief met het oog op een gespreide aanrekening via afschrijvingen, wordt behandeld in advies 123/1 Herstructureringskosten-Verwerking in de jaarrekening.

  • 1. Goedgekeurd bij koninklijk besluit van 16 januari 1975.
  • 2. Hier is slechts sprake van het conventioneel brugpensioen. Alleen het conventioneel brugpensioenstelsel brengt voor de werkgever verplichtingen met zich mee. Hiernaast bestaat ook het wettelijk brugpensioen en het bijzonder brugpensioen. Het eerste (ingericht door de wet van 30 maart 1976 betreffende de economische herstelmaatregelen en vervolgens opgenomen in de wet van 22 december 1977 betreffende de budgettaire voorstellen 1977-1978) biedt de werknemer die een bepaalde leeftijd heeft bereikt de mogelijkheid om zijn beroepsactiviteit stop te zetten en een aanvullende werkloosheidsvergoeding te genieten; deze vergoeding valt ten laste van de Staat als de werknemer wordt vervangen. Het tweede (door diezelfde wet van 22 december 1977 ingericht) voorziet in een vervroegde pensionering ten laste van de Staat van werklozen die een bepaalde leeftijd hebben bereikt.
  • 3. Een reglementering ter zake wordt in het vooruitzicht gesteld door de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen.