COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2011/16 - De boekhoudkundige verwerking van derdenrekeningen1 

Advies van 6 juli 2011

Inleiding

Bepaalde beroepsbeoefenaars ontvangen of beheren gelden van of voor cliënten of derden. Dit is meer bepaald het geval voor notarissen, advocaten, gerechtsdeurwaarders en vastgoedmakelaars. 

Deze beroepsbeoefenaars zijn er deontologisch toe verplicht deze sommen op speciale bankrekeningen te storten, doorgaans “derdenrekeningen” (of “kwaliteitsrekeningen”) genaamd.

Op het moment dat deze beroepsbeoefenaars onder de toepassing vallen van de Boekhoudwet van 17 juli 19752, dient bepaald te worden hoe zij deze rekeningen in hun boekhouding en/of hun jaarrekening dienen te vermelden3

Vraagstelling

Derdenrekeningen die worden geopend op naam van gerechtsdeurwaarders, advocaten, vastgoedmakelaars of notarissen (of op naam van hun professionele vennootschap) hebben evenwel een specifieke bestemming, met name het ontvangen en het beheren van derdengelden4

Impliceert deze specifieke bestemming van de derdenrekening dat deze niet beschouwd moet worden als een actief van de beroepsbeoefenaar of van zijn vennootschap? Dient de derdenrekening in dit geval opgenomen te worden in de toelichting, onder de niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen5?

Met dit advies beoogt de Commissie te bepalen op welke manier advocaten, gerechtsdeurwaarders en vastgoedmakelaars hun derdenrekeningen boekhoudkundig dienen te verwerken6

Na een korte omschrijving van de deontologische verplichtingen van de verschillende beroepsbeoefenaars in kwestie, zal de Commissie in dit advies trachten te bepalen over welke burgerlijke rechten de beroepsbeoefenaars, in hun hoedanigheid van titularis, beschikken op hun derdenrekening(en).

Op basis van deze elementen zal de boekhoudkundige verwerking afgeleid worden die het meeste aangewezen lijkt voor derdenrekeningen. 

Zoals verder in dit advies zal blijken, komt de Commissie voor Boekhoudkundige Normen tot de conclusie dat derdenrekeningen in principe opgenomen dienen te worden in de balans van de desbetreffende beroepsbeoefenaars of  professionele vennootschappen. 

Analyse

Deontologische verplichtingen van advocaten, gerechtsdeurwaarders en vastgoedmakelaars met betrekking tot het houden van derdenrekeningen 

De deontologische regels leggen aan advocaten, gerechtsdeurwaarders en vastgoedmakelaars de verplichting op om een derdenrekening te houden teneinde te kunnen beantwoorden aan de noodzaak, die sinds jaar en dag ondervonden wordt, om de gelden ontvangen van of bestemd voor cliënten of derden, te scheiden en gescheiden te houden van hun eigen vermogen7. Aangezien deze deontologische regels werden aangenomen in uitvoering van een wettelijke bepaling of werden bekrachtigd door een koninklijk besluit8, vormen zij een verplichting voor de titularissen van deze beroepen. 

De desbetreffende derdenrekeningen zijn zichtrekeningen die, op basis van een overeenkomst houdende specifieke bepalingen (zie infra, nr. 10), worden geopend bij een financiële instelling en die, zoals eerder aangehaald, uitsluitend bestemd zijn om aangewend te worden bij verrichtingen met betrekking tot het beheer van gelden van cliënten of van derden. Enkel deze rekeningen mogen gebruikt worden voor verrichtingen die betrekking hebben op het beheer van gelden van cliënten of van derden9

Naargelang het geval, zal het gaan om “collectieve” derdenrekeningen, voorbehouden ter ontvangst van alle sommen die aan de beroepsbeoefenaar worden overgemaakt en die bestemd zijn voor een cliënt of een derde, of om “geïndividualiseerde” rekeningen (ofwel “rubriekrekeningen”), voorbehouden voor een welbepaalde bestemmeling of verbonden aan een welbepaald dossier. 

Advocaten zijn verplicht een collectieve derdenrekening te houden, “Carpa”-rekening genaamd. Deze verplichting vloeit voort uit het reglement van “l’Ordre des barreaux francophones et germanophones (OBFG)”  van 16 januari 2006 en het reglement van de Orde van Vlaamse Balies (OVB) van 11 december 2002 inzake de verhandeling van gelden van cliënten of van derden, vastgesteld krachtens het artikel 496 van het Gerechtelijk Wetboek. De advocaat moet er op toezien dat de gelden die voorkomen op zijn “Carpa”-rekening zo snel mogelijk worden overgemaakt aan degene die er recht op heeft10

Indien de advocaat bovendien gelden ontvangt die toebehoren aan een cliënt of aan een derde bij wijze van kantonnement (art. 1403 Gerechtelijk Wetboek), consignatie (meer bepaald ter vervanging van het minnelijk kantonnement), of in zijn hoedanigheid van sekwester (art. 1956 e.v. Gerechtelijk Wetboek), dan is hij ertoe gehouden deze gelden op een bankrekening te bewaren die speciaal daartoe geopend werd11. In tegenstelling tot de “Carpa”-rekening (zie infra, nr. 10), zal deze bankrekening wel interesten genereren, die toekomen aan de bestemmeling van de sommen12. In deze verschillende gevallen zal de rekening vaak gezamenlijk geopend worden door de advocaten van iedere partij die betrokken is in het geding.   

De advocaat kan eveneens verzocht worden om geïndividualiseerde bankrekeningen te openen in het kader van specifieke opdrachten die hem worden toegewezen door een rechter (gerechtelijke mandaten), zoals het mandaat van curator (art 51 van de wet van 8 augustus 1997 betreffende het faillissement), van schuldbemiddelaar (wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen), of van voorlopig bewindvoerder van goederen van personen die niet in staat zijn zelf hun goederen te beheren (art. 448bis Burgerlijk Wetboek13). 

Voor vastgoedmakelaars vloeit de verplichting om een derdenrekening te houden voort uit het Reglement van Plichtenleer van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars (BIV – of “Institut professionnel des agents immobiliers”, IPI) en uit een deontologische richtlijn met betrekking tot de derdenrekening van de vastgoedmakelaar, hebbende tot voorwerp de artikelen 28, 67 en 69 van het reglement van het BIV. Zowel het reglement als de richtlijn werden goedgekeurd door het koninklijk besluit van 27 september 2006.

De vastgoedmakelaar moet een derdenrekening openen die uitsluitend bestemd is voor het ontvangen of overdragen van gelden en waarden die hij bewaart of beheert in het kader van zijn opdracht14. Hij is verplicht de gelden en waarden waarvan hij niet de uiteindelijke ontvanger is, na afrekening tijdig terug te geven of over te maken aan de rechthebbenden of aan de door hen aangestelde personen15.  

In de praktijk hebben vastgoedmakelaars een collectieve derdenrekening. Ze dienen eveneens geïndividualiseerde (rubriek)rekeningen te openen waarop enkel gelden ontvangen worden die bestemd zijn voor één enkele cliënt, bijvoorbeeld in het kader van het beheer van geldstromen die betrekking hebben op een gebouw, waarmee ze belast worden door die cliënt (activiteit van “beheerder”). 

Voor de gerechtsdeurwaarders wordt het houden van een derdenrekening geregeld door een richtlijn, uitgevaardigd door de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders en goedgekeurd op 18 november 2006 door de verplichte Algemene Vergadering van de Nationale Kamer, die de regels ter zake vastlegt. 

De derdenrekening van de gerechtsdeurwaarder16 onderscheidt zich enigszins van de derdenrekeningen van de advocaten en de vastgoedmakelaars, aangezien op deze rekening iedere betaling dient voor te komen die de gerechtsdeurwaarder ontvangt en die derdengelden omvat of zou kunnen omvatten17. De provisies van de gerechtsdeurwaarder worden eveneens op de derdenrekening gestort, ook al hebben deze betrekking op prestaties die nog niet werden uitgevoerd18

In principe mogen gerechtsdeurwaarders de sommen die voor derden bestemd zijn niet langer dan één maand bijhouden19. De sommen die niet binnen een termijn van één maand kunnen overgemaakt worden aan hun bestemmeling, dienen bijgevolg gestort te worden op een geïndividualiseerde rekening (of “rubriekrekening")20

Gerechtsdeurwaarders dienen bovendien eveneens (geïndividualiseerde) rekeningen te openen in hun hoedanigheid van sekwester (art. 1956 e.v. Burgerlijk Wetboek) of gerechtelijk mandataris21. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in het kader van een schuldbemiddeling (voornoemde wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling en de mogelijkheid van verkoop uit de hand van de in beslag genomen onroerende goederen).

De overeenkomsten op basis waarvan (collectieve) derdenrekeningen worden geopend, gesloten tussen de financiële instellingen en de beroepsbeoefenaars zelf (voor de vastgoedmakelaars22) enerzijds, of het orgaan dat hen vertegenwoordigt (de OBFG23  en de OVB24 voor de advocaten en de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders voor de gerechtsdeurwaarders25) anderzijds, omvatten steeds onder andere de volgende bepalingen:  
 

  1. de derdenrekening mag nooit een debetsaldo vertonen;
  2. op de derdenrekening is elke vorm van krediet uitgesloten; de derdenrekening kan op geen enkele wijze tot zekerheid dienen; 
  3. elke compensatie, fusie of bepaling van eenheid van rekening tussen de “derdenrekening” en andere bankrekeningen is uitgesloten.

De deontologische regels van de advocaten verbieden bovendien dat de collectieve derdenrekening interesten of enige andere opbrengst oplevert voor de titularis. De OBFG, de OVB of de Orde van advocaten kan overeenkomen met de financiële instelling dat de interesten die worden gegenereerd door de rekeningen, na aftrek van eventuele kosten, jaarlijks aan hen worden overgemaakt teneinde in een betere dienstverlening te kunnen voorzien voor de rechtzoekende26 : de “Carpa”-rekeningen van de advocaten genereren dus geen interesten, noch voor de advocaat, noch voor de cliënt of de derde voor wie de gelden bestemd zijn, aangezien deze interesten toekomen aan de voornoemde ordes. 

Voor wat de collectieve derdenrekeningen van gerechtsdeurwaarders betreft, bestaat er geen dergelijk verbod: de deontologische regels voorzien zelfs dat de rentevoet, de kosten verbonden aan een derdenrekening evenals eventuele andere clausules het voorwerp kunnen uitmaken van een individuele overeenkomst tussen de gerechtsdeurwaarder-titularis en de bank27,28

Vastgoedmakelaars halen in principe geen voordeel uit de interesten die worden gegenereerd door hun derdenrekening, aangezien hun deontologische code in dit opzicht het volgende bepaalt: “Onverminderd een gerechtelijke beslissing, [of] bijzondere overeenkomsten aangegaan met derden of de opdrachtgever, komen de eventuele interesten van de geplaatste gelden en waarden op deze derdenrekening, toe aan de uiteindelijke ontvanger van deze gelden en waarden29". 

Over het algemeen lijken de deontologische regels van advocaten, gerechtsdeurwaarders en vastgoedmakelaars vooral te willen voorkomen dat de beroepsbeoefenaars die titularis zijn van derdenrekeningen, er vrij over kunnen beschikken in hun voordeel. 

Er dient echter wel, in ondergeschikte orde, opgemerkt te worden dat ze, in zekere mate, aan de beroepsbeoefenaars toelaten de sommen die werden overgemaakt op hun derdenrekening als waarborg te gebruiken voor de betaling van hun honoraria: zo is het toegelaten aan advocaten en gerechtsdeurwaarders om, na verwittiging van hun cliënt30,31, hun restitutieschuld van de sommen die op hun derdenrekening werden overgemaakt, te compenseren met hun vordering tot het betalen van honoraria of kosten, wanneer deze vordering is opgenomen op een staat van ereloon (vergl. de situatie van de curator, die zich in geen enkel geval de sommen die op de faillissementsrekening bewaard worden, mag toe-eigenen onder de vorm van honoraria of kosten, zonder daartoe de toestemming te hebben gekregen van de rechtbank van koophandel: Cass., 11 oktober 2002, vermeld infra nr. 13, voetnoot 48).

De vastgoedmakelaars kunnen een dergelijke compensatie daarentegen enkel doorvoeren mits uitdrukkelijk akkoord van hun cliënt32.  

Burgerrechtelijke analyse

Zoals eerder aangehaald, bestaat de gedachtegang achter een derdenrekening van advocaten, gerechtsdeurwaarders en vastgoedmakelaars erin hun eigen vermogen te scheiden van de derdengelden die zij ontvangen en beheren.  

Op burgerrechtelijk vlak lijkt deze doelstelling, volgens de huidige rechtstoestand, evenwel nog niet bereikt33

Er is geen specifieke wettelijke bepaling voorhanden voor derdenrekeningen van advocaten, gerechtsdeurwaarders en vastgoedmakelaars (ongeacht of het hun geïndividualiseerde dan wel hun collectieve rekeningen betreft), die het statuut bepaalt van deze rekeningen op burgerrechtelijk, en in het bijzonder, op zakenrechtelijk vlak34.  

Er dient opgemerkt te worden dat voor de notarissen daarentegen de verplichting om gelden van cliënten of van derden over te maken op een derdenrekening (rubriekrekening), is opgenomen in de wet van 16 maart 1803 – wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt35. Op basis van deze wet is het over het algemeen toegelaten dat de gelden die worden overgemaakt op de rubriekrekening36 van notarissen juridisch worden gescheiden van het vermogen van de notaris37, of dat ze minstens, volgens een minderheidsdoctrine, worden afgeschermd tegen zijn schuldeisers38

Aangezien een dergelijke specifieke wettelijke bepaling niet bestaat voor de derdenrekeningen van advocaten, gerechtsdeurwaarders en vastgoedmakelaars, lijkt het erop dat deze beschouwd dienen te worden als zijnde een onderdeel van hun vermogen. 

Het is in deze dat het Hof van Cassatie een uitspraak heeft gedaan in haar arrest van 27 januari 201139 met betrekking tot de derdenrekeningen (“Carpa”-rekeningen) van advocaten. Zij heeft geoordeeld dat de persoonlijke schuldeisers van de advocaat derdenbeslag konden laten leggen op het creditsaldo van zijn “Carpa”-rekening in handen van de bank.  

In het arrest word meer bepaald het volgende gesteld : « En l’absence d’une disposition légale spécifique, les fonds, quelle que soit leur provenance, qui sont déposés sur un compte de tiers ouvert en son nom dans les livres d’une banque par un avocat agissant pour son compte font partie de la créance de cet avocat contre la banque et ne se distinguent pas de l’ensemble de son patrimoine »40.

In de rechtsleer bestond er reeds geruime tijd discussie over het burgerrechtelijk statuut van derdenrekeningen (en, ruimer nog, van rekeningen die « in een bijzondere hoedanigheid » worden gehouden door hun titularis). De discussie betrof voornamelijk de vraag of derdenrekeningen al dan niet deel uitmaken van het vermogen van hun titularis41. Vooraleer er sprake was van het voornoemde arrest van het Hof van Cassatie, had men zich in de rechtspraak nog niet expliciet uitgesproken over deze kwestie. 

Het komt niet toe aan de Commissie voor Boekhoudkundige Normen om zich uit te spreken over deze burgerrechelijke controverse. De Commissie is evenwel op basis van de voornoemde beslissing van het Hof van Cassatie de mening toegedaan dat, volgens de huidige wetgeving, en bepaalde uitzonderingsgevallen die hierna worden besproken buiten beschouwing gelaten, er niet genoeg elementen voorhanden zijn om te kunnen besluiten dat het creditsaldo van de derdenrekening van een advocaat geen deel uitmaakt van het vermogen van de titularis.  

In dit arrest, waaruit volgt dat de bijzondere bestemming van de rekening niet tot doel heeft deze uit te sluiten van het vermogen van zijn titularis, spreekt het Hof van Cassatie zich uit over het geval waarbij het gaat om een “Carpa”-rekening van een advocaat, met andere woorden, een collectieve rekening. De motivering van het arrest lijkt echter ook doorgetrokken te kunnen worden naar geïndividualiseerde rekeningen, zeker indien deze werden geopend door de advocaat in zijn naam en voor zijn eigen rekening42

Er is inderdaad een verschil wanneer het een geïndividualiseerde rekening betreft, namelijk dat de sommen die worden overhandigd aan de advocaat door of ten voordele van de cliënt of de derde, nauwkeurig worden geïndividualiseerd voor de (mogelijke) begunstigde. De individualisering van de sommen, voor hun (mogelijke) begunstigde, laat op zich echter in principe niet toe dat er wordt aangenomen dat de sommen worden uitgesloten van het vermogen van de advocaat wanneer de rekening wordt geopend in naam van de advocaat en voor zijn rekening43. Ten gevolge van het voornoemde arrest van het Hof van Cassatie lijken derhalve de sommen die worden gestort op een geïndividualiseerde rekening die werd geopend in naam van de advocaat en voor zijn rekening, beschouwd te moeten worden als een onderdeel van het vermogen van de advocaat.  Onder nr. 13 worden andere hypothesen met betrekking tot geïndividualiseerde rekeningen besproken, die een alternatieve oplossing aanreiken. 

Er dient overigens opgemerkt te worden dat er geen motivering voorhanden is die zou kunnen rechtvaardigen dat deze principes niet worden uitgebreid tot de derdenrekeningen van gerechtsdeurwaarders44 en vastgoedmakelaars45

De Commissie is evenwel de mening toegedaan dat de principes opgenomen in het arrest van het Hof van Cassatie niet van toepassing kunnen zijn in het geval dat de beroepsbeoefenaar (advocaat, gerechtsdeurwaarder of vastgoedmakelaar) een geïndividualiseerde rekening opent en beheert in de hoedanigheid van mandataris van zijn cliënt of van een derde (met andere woorden, in naam en voor rekening van deze laatste)46. Overeenkomstig de burgerrechtelijke regelgeving inzake (directe) vertegenwoordiging en rekening houdend met het feit dat deze sommen worden geïndividualiseerd op de rekening, maken zij in principe geen deel uit van het vermogen van de beroepsbeoefenaar. Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn voor een advocaat die een rekening opent in het kader van zijn opdracht van voorlopig bewindvoerder van de goederen van personen die zelf niet in staat zijn om deze te beheren (art. 488bis Burgerlijk Wetboek47)48

De principes opgenomen in het arrest van het Hof van Cassatie lijken eveneens uitgesloten te kunnen worden in het geval dat een specifieke wettelijke bepaling de derdenrekening scheidt van het vermogen van de titularis. Artikel 51 van de wet van 8 augustus 1997 betreffende het faillissement lijkt in die zin geïnterpreteerd te kunnen worden. Dit artikel laat de curator toe om op een bankrekening een beperkt bedrag te bewaren teneinde de lopende verrichtingen van het faillissement de financieren49.  

Gesteld dat de voorgaande analyse berust op een correcte lezing van het arrest van het Hof van Cassatie, zou zij kunnen leiden tot het volgende onderscheid tussen de derdenrekeningen. 

Indien de derdenrekeningen worden geopend door de beroepsbeoefenaar in zijn naam en voor zijn eigen  rekening, zouden deze, ongeacht of het collectieve of geïndividualiseerde (rubriek)rekeningen betreft, beschouwd dienen te worden als een integraal onderdeel van het vermogen van de beroepsbeoefenaar. 

De geïndividualiseerde (rubriek)rekeningen die de beroepsbeoefenaar opent in naam en voor rekening van een persoon (of, in voorkomend geval, van bepaalde verschillende personen), zouden evenwel geen deel uitmaken van het vermogen van de beroepsbeoefenaar. Hetzelfde zou gelden voor geïndividualiseerde (rubriek)rekeningen voor dewelke de wet voorzien zou hebben in een scheiding van het vermogen van de beroepsbeoefenaar. 

Het kan eveneens voorvallen dat de beroepsbeoefenaar een geïndividualiseerde (rubriek)rekening opent in eigen naam maar voor rekening van zijn cliënt of van een derde (in dit geval spreekt men van middellijke vertegenwoordiging, in het Frans représentation indirecte ou imparfaite)50. Zich baserend op de zakelijke werking die in het algemeen wordt toegeschreven aan middellijke vertegenwoordiging, krachtens dewelke de vertegenwoordigde (in dit geval de cliënt of de derde) in principe rechtstreeks de eigenaar wordt van de bezittingen die de vertegenwoordiger (in dit geval de beroepsbeoefenaar)51 voor zijn rekening bijhoudt en rekening houdend met de individualisering van de sommen op de geïndividualiseerde (rubriek)rekening, zou men kunnen beschouwen dat de beroepsbeoefenaar niet de eigenaar is van de sommen die op de rekening werden gestort. 

Boekhoudrechtelijke analyse 

De jaarrekening moet een getrouw beeld geven van het vermogen van de vennootschap52.

De wet van 17 juli 1975 en het KB W.Venn. leggen op dat in de balans van de onderneming haar bezittingen en rechten van welke aard dan ook dienen voor te komen53. Bovendien worden de rechten die niet in de balans voorkomen en die het vermogen, de financiële positie of het resultaat van de vennootschap aanmerkelijk kunnen beïnvloeden54, in de toelichting vermeld.

Zoals reeds eerder aangehaald, zijn er op juridisch vlak niet genoeg elementen voorhanden om te kunnen besluiten dat het creditsaldo van de derdenrekeningen van advocaten,  gerechtsdeurwaarders of vastgoedmakelaars geen deel uitmaakt van het vermogen van de titularis (behalve in het specifieke geval waarbij de beroepsbeoefenaar zijn cliënt of een derde vertegenwoordigt of indien een wet de scheiding oplegt van de derdenrekening en het vermogen van de titularis, supra, nr. 13). 

Dit impliceert in principe dat de derdenrekening een waarde vertegenwoordigt in het vermogen van de beroepsbeoefenaar, die in beslag genomen kan worden door de schuldeisers van deze laatste (zie supra, nr. 11). 

Rekening houdend met wat voorafgaat en teneinde enige vorm van transparantie en controle te verzekeren, is de Commissie voor Boekhoudkundige Normen de mening toegedaan dat derdenrekeningen in principe55 opgenomen dienen te worden in de balans van de vennootschap van deze beroepsbeoefenaars. 

De Commissie beveelt aan om de derdenrekeningen te boeken op de actiefzijde van de balans als liquide middelen (klasse IX), op rekening 55 Kredietinstellingen. Aangezien de deontologische regels immers de beroepsbeoefenaars over het algemeen verbieden om voordeel te halen uit de sommen overgemaakt op hun derdenrekening (zij kunnen met name in principe geen aanspraak maken op de interesten die deze rekening genereert56) en zij, meer algemeen, er niet over mogen beschikken in hun voordeel, kan volgens de Commissie een opname onder de beleggingen uitgesloten worden.  Rekening 55 zal onderverdeeld worden in subrekeningen teneinde de derdenrekeningen te kunnen onderscheiden van rekeningen die worden geopend voor eigen rekening van de beroepsbeoefenaar of van zijn vennootschap. 

Bovendien zal de vennootschap haar schuld jegens de begunstigden van de sommen, jegens cliënten of derden, aan passiefzijde van de balans tot uitdrukking brengen (in klasse IX, schulden op ten hoogste één jaar; de CBN stelt voor om gebruik te maken van rekening 44 Handelsschulden, van zodra deze schulden voortkomen uit de operationele activiteit van de beroepsbeoefenaar57). Aangezien de sommen niet bestemd zijn om bijgehouden te worden door de beroepsbeoefenaars, lijkt het uitgesloten dat deze een schuld kunnen uitmaken op meer dan één jaar. Rekening 44 zal onderverdeeld worden in subrekeningen op naam van de (mogelijke) begunstigden van de sommen.  

In voorkomend geval zou men kunnen overwegen om de rekeningen die de beroepsbeoefenaar opent in zijn hoedanigheid van mandataris van zijn cliënt of van een derde (met andere woorden, in naam en voor rekening van een cliënt of een derde, bijvoorbeeld in de hoedanigheid van voorlopig bewindvoerder van goederen, zie supra, nr. 13), of eventueel in eigen naam maar voor rekening van de cliënt of de derde (idem, in fine), anders te verwerken, evenals de rekeningen voor dewelke de wet voorziet in een afscheiding van het vermogen van de beroepsbeoefenaar (bijvoorbeeld de sommen op een bankrekening, geopend voor een faillissement door de curator, zie eveneens supra, nr. 13). 

Teneinde enige vorm van transparantie te verzekeren, zullen deze rekeningen minstens moeten voorkomen in de toelichting, onder de buiten de balans opgenomen rechten en verplichtingen (klasse 0, op, in principe, rekening 074 Goederen en waarden gehouden voor rekening of ten bate en voor risico van derden en rekening 075 Crediteuren wegens goederen en waarden gehouden voor rekening of ten bate en voor risico van derden of, in voorkomend geval, op rekening 072 Goederen en waarden door derden in bewaring, in consignatie of in bewerking gegeven en rekening 073 Committenten en deponenten van goederen en waarden). Deze rekeningen zullen in subrekeningen onderverdeeld worden teneinde de verschillende derdenrekeningen te kunnen identificeren, evenals de verschillende (mogelijke) begunstigden van de sommen die op deze rekeningen in bewaring worden gegeven.  

Indien de beroepsbeoefenaar, rekening houdend met de voorschriften van zijn deontologiche code (zie supra, nr. 10), een compensatie doorvoert tussen de vordering tot het betalen van honoraria door een cliënt en zijn restitutieschuld, jegens dezelfde cliënt, van de sommen die zich bevinden op zijn derdenrekening, zal de boeking er als volgt uitzien (bijvoorbeeld voor een compensatie van 100 euro):

55XX Bank (eigen rekening van de vennootschap van de beroepsbeoefenaar) 100  
  aan 40XX Handelsvorderingen   100
44XX Handelsschulden 100  
  aan 55XX Bank (derdenrekening)    100

De (eventuele58) interesten die voortvloeien uit de sommen die werden gestort op een derdenrekening zullen aan de actiefzijde geboekt worden in de balans van de beroepsbeoefenaar die titularis is van de rekening, door een verhoging van het hoofdbedrag dat gestort werd op de rekening (met andere woorden, als liquide middelen, klasse IX, op rekening 55 Kredietinstellingen) en aan de passiefzijde door een verhoging van de schuld jegens de cliënt of een derde begunstigde (in klasse IX, schulden op ten hoogste één jaar, op rekening 44). De interesten hoeven niet opgenomen te worden in de resultatenrekening van de beroepsbeoefenaar die titularis is van de rekening (behalve voor wat betreft de interesten op provisies die aan gerechtsdeurwaarders toekomen)594,  60

In de bijzondere gevallen die werden aangehaald onder nr. 17, waarbij de derdenrekening opgenomen zou worden in de toelichting, ondergaan de interesten op die rekening dezelfde boekhoudkundige verwerking als het hoofdbedrag (en ze zouden bijvoorbeeld opgenomen worden in de rekeningen 074 en 075). 

Tot slot benadrukt de Commissie dat de boekhoudkundige verwerking van een verrichting, in dit geval de storting en het bewaren van sommen op een derdenrekening, in principe zonder invloed blijft op de burgerrechtelijke gevolgen van deze verrichting.
 

  • 1. Onderhavig advies moet worden gelezen in het licht van de nieuwe wetten die werden aangenomen eind 2013 en begin 2014 met betrekking tot de derdenrekeningen van advocaten en gerechtsdeurwaarders (wet van 22 november 2013 tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt wat de kwaliteitsrekening van notarissen betreft en van de hypotheekwet van 16 december 1831 wat de kwaliteitsrekening van advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders betreft, wet van 21 december 2013 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de kwaliteitsrekening van advocaten betreft en wet van 7 januari 2014 tot wijziging van het statuut van de gerechtsdeurwaarders). Op dit moment onderzoekt de Commissie de herziening van onderhavig advies in de zin van deze wetten.
  • 2. Dit kan voor advocaten en gerechtsdeurwaarders enkel het geval zijn indien zij het beroep uitoefenen onder de vorm van een vennootschap met handelsvorm.
  • 3. Artikel 22 van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen (KB W.Venn.) bepaalt het volgende: “de jaarrekening omvat de balans, de resultatenrekening en de toelichting. Deze documenten vormen een geheel”.
  • 4. Zoals verder in dit advies zal blijken, omhelst het begrip derdenrekeningen in realiteit verschillende ladingen voor ieder van deze beroepsbeoefenaars, conform hun respectievelijke deontologische code. Bij de advocaten en de vastgoedmakelaars mogen de derdenrekeningen enkel derdengelden bevatten, terwijl in het geval van de gerechtsdeurwaarders deze rekeningen hoofdzakelijk derdengelden bevatten (maar, de provisies die worden overgemaakt aan de deurwaarder moeten bijvoorbeeld eveneens gestort worden op deze rekening zolang deze de prestaties niet heeft geleverd waarop deze provisies betrekking hebben).
  • 5. Zie, voor wat dit alternatief betreft, voor de derdenrekeningen van advocaten, M. GATZ en G. CARNOY, « Les aspects particuliers de la comptabilité et du contrôle des comptes des sociétés d’avocats », in La société professionnelle d’avocats, Actualités déontologiques, fiscales, comptables et financières, 2010, 38-40.
  • 6. In dit advies worden de derdenrekeningen van notarissen niet behandeld. Hun boekhoudkundige verwerking is geregeld door een koninklijk besluit (het koninklijk besluit van 9 maart 2003 houdende goedkeuring van de reglementen van de Nationale Kamer van notarissen voor de organisatie van de notariële boekhouding en voor het toezicht op de boekhouding - zie het reglement van 9 oktober 2001 van de Nationale Kamer van notarissen voor de organisatie van de notariële boekhouding en het model van rekeningstelsel in bijlage): alle derdenrekeningen (collectieve of rubriekrekeningen, zie infra, nr. 6) worden opgenomen in de balans van de notaris (in klasse 4: vorderingen en schulden en in klasse 5: liquide middelen).
  • 7. Zie, voor de advocaten, de preambule van de reglementen van “l’Ordre des barreaux francophones et germanophones” van 16 januari 2006 en de Orde van Vlaamse Balies van 11 december 2002 inzake de verhandeling van gelden van cliënten of van derden, zie infra, nr. 7, preambule. Voor de gerechtsdeurwaarders, zie de richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake het houden van een derdenrekening, goedgekeurd door de verplichte Algemene Vergadering van de Nationale Kamer op 18 november 2006, preambule en artikel 1. Voor de vastgoedmakelaars, zie het reglement van plichtenleer van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars en de deontologische richtlijn betreffende de derdenrekening van de vastgoedmakelaar, hebbende tot voorwerp de artikelen 28, 67 en 69 van de plichtenleer van het BIV, beide goedgekeurd door het koninklijk besluit van 27 september 2006.
  • 8. Echter, met uitzondering van de gerechtsdeurwaarders, zie infra, nr. 9.
  • 9. Ongeacht of het om gelden gaat die ontvangen zijn in contanten, via een cheque, per storing of per overschrijving.
  • 10. Reglement van de OBFG van 16 januari 2006 en het reglement van de OVB van 12 december 2002, inzake de verhandeling van gelden van cliënten en van derden, respectievelijk art. 5 en art. 4.
  • 11. Reglement van de OBFG van 16 januari 2006 en het reglement van de OVB van 12 december 2002, inzake de verhandeling van gelden van cliënten en van derden, respectievelijk art. 6 en art. 4. Het reglement van de OVB legt bovendien aan de advocaat de verplichting op om te handelen zelfs indien hij niet in de mogelijkheid verkeert, wegens redenen buiten zijn wil om, om de gelden onmiddellijk aan hun bestemmeling over te maken (art. 4).
  • 12. Reglement van de OVB van 12 december 2002 inzake de verhandeling van gelden van cliënten en van derden, art. 4.
  • 13. Zie in het bijzonder artikel 488bis, f, § 6.
  • 14. Reglement van plichtenleer van het BIV, art. 28 en de deontologische richtlijn betreffende de derdenrekening van de vastgoedmakelaar, hebbende tot voorwerp de artikelen 28, 67 en 69 van het Reglement van plichtenleer van het BIV, art. 2, behalve wanneer het gebruik van een derdenrekening van een andere vastgoedmakelaar of van een rechtspersoon binnen welk kader vastgoedmakelaarsactiviteiten worden uitgeoefend, wordt gerechtvaardigd.
  • 15. Het is de vastgoedmakelaar toegelaten om met de rechthebbenden een vergoeding overeen te komen voor zijn eigen kosten van overschrijving of inning (Reglement van plichtenleer van het BIV, art. 29).
  • 16. Elke gerechtsdeurwaarder is verplicht één of meerdere derdenrekeningen te hebben (richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake het houden van een derdenrekening, art. 3).
  • 17. Richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake het houden van een derdenrekening, preambule en art. 2. Zie ook de richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake de controle op de wettelijke en reglementaire financiële verplichtingen voor gerechtsdeurwaarders, goedgekeurd door de algemene vergadering van de Kamer op 18 november 2006, art. 5. Deze richtlijnen leggen aan de deurwaarder de verplichting op om op deze “collectieve” derdenrekeningen blijvend te beschikken over een bedrag dat toelaat om minstens de gelden te dekken die verschuldigd zijn aan derden en die zich niet bevinden op een rubriekrekening.
  • 18. Zie ook de voornoemde richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake de controle op de wettelijke en reglementaire financiële verplichtingen voor gerechtsdeurwaarders, art. 8.
  • 19. Overeenkomstig artikel 2 van het koninklijk besluit van 30 november 1976 tot vaststelling van het tarief voor akten van gerechtsdeurwaarders in burgerlijke en handelszaken en van het tarief van sommige toelagen. Voor notarissen geldt eveneens een dergelijk verbod.
  • 20. Deze verplichting vloeit impliciet voort uit de richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake het houden van een derdenrekening, goedgekeurd door de verplichte Algemene Vergadering van de Nationale Kamer op 18 november 2006: zie met name het onderscheid tussen de verschillende soorten rekeningen van deurwaarders, opgenomen in de preambule van deze richtlijn. Deze verplichting is eveneens terug te vinden in de richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake de controle op de wettelijke en reglementaire financiële verplichtingen voor gerechtsdeurwaarders, art. 11.
  • 21. Richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake het houden van een derdenrekening, art. 5.
  • 22. Deontologische richtlijn van het BIV betreffende de (“Carpa”-) derdenrekening van de vastgoedmakelaar, hebbende tot voorwerp de artikelen 28, 67 en 69 van het Reglement van plichtenleer van het BIV, art. 3.
  • 23. Reglement van de OBFG van 16 januari 2006 inzake de verhandeling van gelden van cliënten of van derden, art. 2.
  • 24. Reglement van de OVB van 11 december 2002 inzake de verhandeling van gelden van cliënten of van derden, art. 2.
  • 25. Richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake het houden van een derdenrekening, art. 3 e.v.
  • 26. Het reglement van de OBFG van 16 januari 2006 en het reglement van de OVB van 11 december 2002 inzake de verhandeling van gelden van cliënten en van derden, respectievelijk art. 2.
  • 27. Richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake het houden van een derdenrekening, art. 8.
  • 28. Dit verbod bestaat daarentegen wel voor wat rubriekrekeningen betreft: de gerechtsdeurwaarder mag er geen enkel voordeel uit halen (richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake de controle op de wettelijke en reglementaire financiële verplichtingen voor gerechtsdeurwaarders, art. 7). De deurwaarder heeft enkel recht op de terugbetaling van zijn beheerskosten.
  • 29. Reglement van plichtenleer van het BIV, art. 28.
  • 30. De advocaat mag de gelden die hij op zijn derdenrekening (“Carpa”-rekening) ontvangt, of het nu gaat om de betaling van provisies, ereloon of een terugbetaling van kosten, niet overmaken op een ereloonrekening of een andere rekening in zijn voordeel, zonder dat hij gelijktijdig de cliënt daarvan schriftelijk op de hoogte brengt (reglement van de OBFG van 16 januari 2006 en het reglement van de OVB van 12 december 2002, inzake de verhandeling van gelden van cliënten en van derden, art. 4).
  • 31. De gerechtsdeurwaarder mag eveneens zijn ereloon en zijn kosten afhouden van het bedrag dat zich op een derdenrekening (rubriekrekening) bevindt (richtlijn van de Nationale Kamer van Gerechtsdeurwaarders inzake de controle op de wettelijke en reglementaire financiële verplichtingen voor gerechtsdeurwaarders, art. 7).
  • 32. De vastgoedmakelaar kan, mits akkoord van zijn opdrachtgever, zijn ereloon afhouden van de definitief verworven gelden en waarden van de opdrachtgever (Reglement van Plichtenleer van de BIV, art. 30). Hij kan, in voorkomend geval, deze compensatie enkel doorvoeren na de betaling aan derden die werden overeengekomen met de opdrachtgever of na betaling van de sommen die werden begroot in een dwingende gerechtelijke beslissing ter zake, en waarvan hij op de hoogte gesteld zal worden. (Reglement van Plichtenleer van de BIV art. 30 en 31).
  • 33. Behalve in specifieke gevallen, vermeld infra, nr. 13.
  • 34. In dit verband bestaan er enkel bepaalde specifieke bepalingen, zoals bijvoorbeeld de Faillissementswet, die betrekking heeft op de geïndividualiseerde rekening die de curator opent voor het faillissement (zie infra, nr. 13).
  • 35. Artikel 34 van deze wet schrijft het volgende voor: “De notaris mag een geldsom die hij voor rekening van een ander heeft ontvangen naar aanleiding van een akte of een verrichting van zijn ambt, niet langer bewaren dan één maand te rekenen van de dag waarop hij ze heeft ontvangen. Indien de ontvangen som voor het verstrijken van die termijn haar bestemming niet heeft kunnen krijgen, moet zij, voor rekening van de persoon aan wie zij verschuldigd is, onder een afzonderlijke rubriek gestort worden op een bijzondere rekening bij een openbare of particuliere instelling, overeenkomstig door de Koning te stellen regels. De vorige leden zijn niet van toepassing indien het totaal van de bedragen ontvangen voor rekening van eenzelfde persoon of bij gelegenheid van eenzelfde akte of eenzelfde verrichting, 2 500 EUR niet te boven gaat.” (zie eveneens het koninklijk besluit van 10 januari 2002 betreffende het beheer van de door een notaris ontvangen sommen, effecten en geldswaardige papieren aan toonder en betreffende het toezicht op de boekhouding van de notarissen). Deze verplichting vloeit bovendien voort uit het koninklijk besluit van 21 september 2005 tot goedkeuring van de deontologische code vastgesteld door de Nationale Kamer van notarissen.
  • 36. De wet heeft daarentegen geen betrekking op hun collectieve rekeningen.
  • 37. Zie met name R. DE VALKENEER en P.-E. BROHEE, Eléments de comptabilité notariale, Brussel, Bruylant, 1991, 88 e.v. ; J. DEMBLON « Des incidences des ouvertures de crédit sur les dépôts clients et leur individualisation », Rev. not. b., 1984, 166 e.v. ; P. JAMAR en A. MOREAU, « La comptabilité notariale », in Répertoire notarial, deel XI, boek 3, 19 ; E. DIRIX, « Kwaliteitsrekeningen », T.P.R. 1996, 71-89 ; L. LANOYE, « Kwaliteitsrekeningen praktische toepassing : derdenrekening notarissen », in Le trust et la fiducie, Brussel, Bruylant, 1997, 199-211, voornamelijk 204 ; J.-L. LEDOUX, « Ouverture de crédit - Unicité de comptes – Compensation », in La comptabilité notariale, Brussel, Bruylant, 1993, 229 ; A.-M. STRANART, G. BLOCK en O. CLEVENBERG, « La saisie-arrêt bancaire », R.P.D.B., deel VIII, 828 en 829, nr. 68 ; R. BOURSEAU, « Les comptes rubriqués du notaire », Rev. not. b., 2004, 54 e.v. ; G. DE LEVAL, « Saisies et droit commercial », in Les créanciers et le droit de la faillite, Brussel, 1983, 299 en 300 ; Travaux du Comité d’Etudes et de Législation de la Fédération Royale des Notaires de Belgique, 1961, t. I, 5-67 en 144-150. Professor H. DE PAGE rechtvaardigt de scheiding van de derdenrekening en het vermogen van de notaris door gebruik te maken van het model van onregelmatige storting (Traité élémentaire de droit civil belge, deel V., 1ste ed. 1952 en 2de ed. 1975, nr. 267).
  • 38. Wegens hun wettelijk beschermde bestemming : P. VAN DEN EYNDE, « Les effets juridiques de l’individualisation en droit belge et en droit comparé », in La comptabilité notariale, Brussel, Bruylant, 1993, 199 e.v., in het bijzonder 216 en 217.
  • 39. Cass., 27 januari 2011, F.07.0109.F/10, www.cass.be, met name van commentaar voorzien door A. MICHIELSENS, « Cassatie zet voortbestaan derdenrekening op de helling », De Juristenkrant, 2011, 9 februari 2011, nr. 233, 6 en 7; G. DE LEVAL en F. GEORGES, noot onder het arrest, J.T., 2011, aflevering 6427, 164 e.v., P. VANLERSBERGHE noot in R.A.B.G., 2011/6, 462 e.v. en, op zeer kritische wijze, door V. SAGAERT, « Beslag op een derdenrekening van een advocaat. De teloorgang van het vermogensbegrip », RW, 2010-2011, nr. 42, 1776 e.v.
  • 40. Er dient opgemerkt te worden dat in het cassatieberoep de eventuele mogelijkheid werd vermeld, voor de bestemmelingen van de gelden (van cliënten of van derden), om een vordering tot teruggave in te stellen van de sommen die werden overgemaakt op de derdenrekening. In het arrest van het Hof wordt echter geen melding gemaakt van dit element, wat lijkt aan te geven dat hier geen conclusies uit getrokken kunnen worden.
  • 41. Volgens een deel van de rechtsleer was dit het geval: zelfs al worden de geldsommen aangehouden door de beroepsbeoefenaar op een speciale rekening, worden zij, aangezien ze vervangbaar zijn, volgens deze rechtsleer geïntegreerd in het vermogen van de beroepsbeoefenaar, bij ontstentenis van een afwijkende reglementering die hen daar uitdrukkelijk van uitsluit (zie met name A.-M. STRANART, G. BLOCK en O. CLEVENBERG, op. cit., 825, nr. 61 ; G. DE LEVAL, Traité des saisies, Liège, Faculté de droit de Liège, 1988, 629). Andere auteurs (waarvan sommigen zich baseren op de theorie van de zogenaamde “kwaliteitsrekeningen”) waren daarentegen de mening toegedaan dat er diende toegestaan te worden dat de derdenrekeningen werden onderscheiden van het vermogen van hun titularis (zie met name E. DIRIX en K. BROECKS, Beslag, 1992, 339, nr. 658 ; E. DIRIX, « Kwaliteitsrekeningen : algemene inleiding en toepassingsgevallen », in De kwaliteitsrekening naar Belgisch en Nederlands recht, Deventer, Kluwer, 1998, 3-16 , zie ook « De kwaliteitsrekening herbezocht », T.P.R., 2004, 265-274, met V. SAGAERT; V. SAGAERT « De derdenrekening van een advocaat : een algemene kwaliteitsrekening ? », noot onder Brussel 26 maart 2002, T.B.B.R., 2003, 317-327 en; L. LANOYE, « Beslag onder derden op een (bank)rekening » in Liber amicorum Marcel Bries, Mys & Breesch, 1993, 285 en 286. Zie ook G. DE LEVAL, Traité des saisies, Luik, Rechtsfaculteit Luik, 1988, 629 en 630 ; F. GEORGES, La saisie de la monnaie scripturale, Brussel, De Boeck Larcier, 2006, 418-476, nr. 304 tot 355 en X. DIEUX en C. ALTER, « Observations sur la nature juridique de la monnaie scripturale (spécialement en relation avec l’opposabilité aux tiers des comptes qualifiés) », in Liber Amicorum Jacques Malherbe, Brussel, Bruylant, 2006, 383 tot 404).
  • 42. Zie in dit opzicht A. MICHIELSENS, op. cit., 7 en, impliciet, G. DE LEVAL en F. GEORGES, op. cit., 166.
  • 43. Enkel in bepaalde bijzondere gevallen zouden de sommen die werden gestort op een dergelijke geïndivudualiseerde rekening eventueel kunnen beschouwd worden als zijde uitgesloten van het vermogen van de advocaat. Dit zal met name het geval zijn wanneer de begunstigde zelf de sommen stort aan de advocaat (storting) en deze sommen bij de advocaat worden geïndividualiseerd. Dit zou desgevallend de begunstigde kunnen toelaten zijn sommen op te eisen ( zie voor wat de principes betreft van een dergelijke opeising, H. DE PAGE, Traité élémentaire de droit civil belge, deel V., 1ste ed. 1952 en 2de ed. 1975, nr. 263 e.v.). Voor een samenvatting van de standpunten binnen de rechtsleer met betrekking tot deze kwestie, zie F. GEORGES, La saisie de la monnaie scripturale, op. cit. , 466 e.v.
  • 44. Voor de gerechtsdeurwaarders lijkt het zelfs uitgesloten dat het saldo van de derdenrekening geen deel uitmaakt van het vermogen van de deurwaarder, aangezien er op de derdenrekening eveneens sommen ontvangen kunnen worden die bestemd zijn voor de deurwaarder (bijvoorbeeld provisies) evenals de interesten op deze sommen, en aangezien het geheel van deze bedragen wordt samengevoegd op één rekening.
  • 45. In deze zin legt het Reglement van Plichtenleer van vastgoedmakelaars de verplichting op aan deze laatsten om de gelden en waarden die zij bewaren of beheren in het kader van de uitoefening van hun opdracht, te laten waarborgen (Reglement van Plichtenleer van het BIV, art. 32 en de deontologische richtlijn betreffende de burgerlijke beroepsaansprakelijkheidsverzekering en borgstelling, hebbende tot voorwerp de artikelen 5 en 32 van de plichtenleer van het BIV).
  • 46. Dit lijkt overigens het Hof van Cassatie te suggereren in haar voornoemd arrest van 27 januari 2011, zie nr. 12, door enkel te verwijzen naar de derdenrekening “ouvert en son nom dans les livres d’une banque par un avocat agissant pour son compte”.
  • 47. Artikel 488bis van het Burgerlijk Wetboek bevestigt deze afscheiding uitdrukkelijk onder punt f, § 6 : “De gelden en de goederen van de beschermde persoon worden volledig en duidelijk afgescheiden van het persoonlijk vermogen van de bewindvoerder. De banktegoeden van de beschermde persoon worden op zijn naam ingeschreven”.
  • 48. Zie in dit opzicht F. GEORGES, La saisie de la monnaie scripturale, La saisie de la monnaie scripturale, op. cit., 441 e.v.
  • 49. Er dient op gewezen te worden dat het Hof van Cassatie in haar arrest van 11 oktober 2002 het standpunt van het Hof van Beroep te Gent heeft bevestigd volgens hetwelk de sommen die een curator op zijn rekening bewaart onder de vorm van beheerskosten, mits toestemming van de rechter-commissaris, (overeenkomstig artikel 479 van de vroegere wet betreffende het faillissement van 18 april 1851) in geen enkel geval mogen dienen ter afhouding van voorschotten op honoraria en kosten, zonder dat de curator hiervoor de toestemming heeft gekregen van de rechtbank van koophandel. De sommen aangehouden op de rekening die werd geopend voor het faillissement maken geen deel uit van het vermogen van de curator en deze laatste mag zich deze sommen niet toe-eigenen onder de vorm van honoraria en kosten zonder de toestemming van de rechtbank van koophandel, die als enige bevoegd is om de curator zijn honoraria toe te kennen (Gent, 21 december 2000, T.B.H., 2002, 338 e.v. en Cass., 11 oktober 2002, C010235N, www.cass.be).
  • 50. I. SAMOY bespreekt deze stelling in detail in zijn werk Middelijke vertegenwoordiging, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 499 e.v., voornamelijk 510 e.v. De aanhangers van de stelling met betrekking tot kwaliteitsrekeningen zien in het model van de middellijke vertegenwoordiging eveneens een grondslag voor de voornoemde stelling (zie supra, nr. 11 en voetnoot 39).
  • 51. Deze werking wordt erkend door de meerderheid van de rechtsleer. Zie met name L. FREDERICQ, Handboek van Belgisch handelsrecht, Brussel, Bruylant, 1976, I, 274; J. VAN RYN en J. HEENEN, Principes de droit commercial, Brussel, Bruylant, 1988, IV, nr. 59; E. DIRIX, « De recthtsverhouding tussen principaal, commissionnair en derde », in Liber Amicorum Jacques Herbots, Antwerpen, Kluwer, 2002, 100 en 106; M. E. STORME, « Van trust gespeend? Trusts en fiduciaire figuren in het Belgische privaatrecht », T.P.R., 1998, 766; zie eveneens I. SAMOY, op. cit., 83 en 322 e.v. en de aangehaalde referenties. Contra, met name : P.-A. FORIERS, « Aspects de la représentation en matière contractuelle », in Les obligations contractuelles, Brussel, Jeune Barreau de Bruxelles, 2000, 228, nr. 7; M. WAGEMANS, «Le mandat, la commission, le courtage et la filialisation», in La distribution commerciale dans tous ses états, Brussel, Jeune Barreau de Bruxelles, 1997, 201 en 202.
  • 52. Art. 24 KB W.Venn.
  • 53. Art. 9 wet van 17 juli 1975 en art. 25, § 1 KB W.Venn.
  • 54. Art. 25, § 3 KB W.Venn.
  • 55. Zie echter infra, nr. 17.
  • 56. Met uitzondering van de deurwaarders, zie supra, nr. 9 en nr. 10.
  • 57. Zoals voorzien in de notariële boekhouding (koninklijk besluit van 9 maart 2003, zie supra, nr. 3, voetnoot 5).
  • 58. We hebben namelijk gezien dat collectieve (“Carpa”-) rekeningen van advocaten geen interesten genereren of, om precies te zijn, dat deze interesten toekomen aan de orde van advocaten.
  • 59. De Commissie verwijst naar de beginselen opgenomen in advies 103 “Omzet – Tussenpersonen”, Bulletin CBN, nr. 1, augustus 1977, 12-14.
  • 60. De CBN spreekt zich niet uit over de roerende voorheffing op deze interesten.