COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2011/18 – De boekhoudkundige verwerking van de renteswap (Interest Rate Swap)

Advies van 5 oktober 2011

Inleiding

De Commissie heeft besloten om het door haar gepubliceerde advies met betrekking tot algemene boekhoudprincipes van toepassing op afgeleide financiële instrumenten, te vervolledigen met concrete voorbeelden (CBN-advies 2010/12).

Dit eerste advies behandelt de renteswap (hierna “IRS” of Interest Rate Swap).
    
Een renteswap is een overeenkomst waarbij twee partijen beslissen om twee verschillende rentestromen uit te wisselen in eenzelfde valuta en berekend op basis van een niet-uitgewisseld bedrag, het notioneel bedrag genaamd. 

Er wordt een onderscheid gemaakt tussen een swap die een vaste rentevoet omwisselt tegen een variabele rentevoet (coupon-swap) en de swap die twee variabele rentevoeten tegen elkaar omwisselt (basisswap)1. Daarnaast bestaan er talrijke andere varianten op dergelijke swaps.  

Dit instrument beoogt het volgende2 :

  • het laat toe in te spelen op het verschil in de financiële solvabiliteit of geloofwaardigheid van twee ontleners3, door de kost van de financiële middelen te laten zakken;
  • het laat toe bestaande schulden te herstructureren zonder over te gaan tot nieuwe aflossingen en ontleningen.

Het laat met andere woorden toe het rentebeheer van de onderneming te optimaliseren, zowel voor wat haar vorderingen als voor wat haar schulden betreft, rekening houdend met haar verwachtingen, de nagestreefde doelstellingen en het gewenste risicoprofiel. Op die manier laat het toe aan de onderneming om de samenstelling van haar schuldenportefeuille of van haar financiële activa aan te passen  door een vaste rentevoet om te zetten in een variabele rentevoet en vice versa.4 

Een onderneming heeft, bij wijze van voorbeeld, een krediet verkregen op 4 jaar tegen een driemaandelijkse variabele rentevoet. Ze verwacht een stijging van de rentevoet na drie maanden. 

Om zich hiertegen in te dekken, kan ze zich beroepen op twee strategieën:

  • ofwel lost ze haar schuld voortijdig af en sluit ze een nieuwe lening af tegen een vaste rentevoet, waarbij ze in voorkomend geval de contractueel vastgestelde wederbeleggingsvergoeding betaalt;
  • ofwel beslist ze om haar schuld tegen variabele rentevoet om te wisselen tegen een vastrentende schuld door gebruik te maken van de renteswap.

In het tweede geval zal de onderneming een IRS afsluiten met een tegenpartij door dewelke ze, gedurende de resterende looptijd van de lening, normaal jaarlijks of periodiek aan de tegenpartij een vaste rentevoet in ruil voor een driemaandelijkse storting van de variabele rentevoet zal betalen, die overeenkomt met de referentierentevoet van het krediet. Deze ruil wordt door het volgende schema geïllustreerd: 


Zo zal de uiteindelijke interestkost van  de onderneming komen vast te staan en zal deze gedurende de looptijd van de swap niet meer wijzigen. In geval van een duurzame daling van de rentevoet, zal de onderneming eventueel, tegen betaling van een schadevergoeding,  een einde kunnen stellen aan het swapcontract (cash settlement) en zal ze kunnen terugkeren naar een schuldenstructuur met variabele rentevoet. De renteswap is een soepel instrument waarmee de onderneming haar rentepolitiek kan aanpassen, rekening houdend met haar risicoprofiel, aan toekomstige inschattingen van de interestevolutie.

Daarnaast wenst de Commissie de nadruk erop te vestigen dat zij zich niet uitspreekt over de eventuele fiscale consequenties van de onderstaande boekhoudkundige verwerkingswijzen.

Boekhoudkundige verwerking

Bij de boekhoudkundige verwerking dient rekening gehouden te worden met de omstandigheden waarin dit instrument aangewend wordt. 

 Een onderneming kan namelijk beslissen, om puur speculatieve redenen, een IRS af te sluiten door uit te gaan van een gunstige evolutie van de rentevoet. Zoals reeds eerder aangehaald, kan de IRS ook tot doel hebben de onderneming te wapenen tegen een ongunstige evolutie van de rentevoet op bestaande verplichtingen. In dat geval spreekt men van indekkingsverrichtingen. 

Dit advies maakt een onderscheid tussen twee soorten indekkingsverrichtingen:

  • de indekking van een kasstroom: de IRS verandert de variabele rentestroom in een vaste rentestroom5;
  • de indekking van de waarde van een vermogensbestanddeel: in dit geval verandert de IRS een meestal vaste rentestroom in een variabele rentestroom6.

Aangezien de economische doelstellingen van deze twee soorten verrichtingen verschillend zijn, dient hun boekhoudkundige verwerking dusdanig aangepast te worden. 

De aangepaste boekhoudkundige verwerking dient eveneens rekening te houden met de boekhoudkundige verwerking van het ingedekte (onderliggende) bestanddeel opdat de indekkingsverrichting vanuit boekhoudkundig oogpunt, het juiste effect zou kunnen hebben.

Net zoals voor alle andere afgeleide financiële instrumenten, dienen de verplichtingen en de rechten, voortkomend uit het gebruik van een IRS, op passende wijze te worden opgenomen onder de orderrekeningen (De rekeningen van Klasse 0: de niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen). Daarnaast dient er tevens een passende toelichting te worden verstrekt in de bijlagen tot de jaarrekening.

In dit advies komen achtereenvolgens aan bod, de IRS als een speculatieve verrichting, de IRS als indekkingsverrichting van een lening of een ontlening tegen variabele rentevoet en de IRS als indekkingsverrichting van een vastrentend effect. 

Andere bijzondere gevallen zullen eveneens aan bod komen, zoals de verwerking van de prospectieve IRS (forward starting swap), de back-to-back IRS (back-to-back swaps) en de IRS met een opleg (upfront payment).

Praktische gevallen

De IRS als speculatieve verrichting

Principes

Een IRS kan gelijkgesteld worden aan een combinatie van een gelijktijdige lening en ontlening van hetzelfde bedrag jegens dezelfde tegenpartij, met het verschil dat het geleende en het ontleende kapitaal niet worden uitgewisseld. De onderneming dient dus voor de gelopen periode de betaalde en de ontvangen interesten in resultaat te nemen die verband houden met de IRS, evenals de nog niet ontvangen of betaalde gelopen interesten, net zoals dat het geval is voor een lening of een ontlening. 

Het is echter mogelijk dat een renteswap periodiek slechts aanleiding geeft tot een nettobedrag: een te betalen of te ontvangen saldo7. Voor wat deze situatie betreft, is de Commissie de mening toegedaan dat de aard van de IRS rechtvaardigt dat:  

  • het nettobedrag van de interestverrekening opgenomen wordt in de resultatenrekening;
  • enkel het te betalen of te ontvangen nettobedrag van de interestverrekening voorkomt op de respectievelijke overlopende rekening van het actief of passief. 

Naar de mening van de Commissie is deze laatste compensatie eveneens aanvaardbaar voor andere soorten interest rate swaps

Bovendien stelt zich bij de afsluiting van het boekjaar telkens het probleem van de waardering van de IRS en van de verwerking van het latente resultaat. Voor wat de renteswap betreft, zijn meerdere conceptuele benaderingen mogelijk8:

  • de eerste zienswijze bestaat erin dat, volgens het voorzichtigheidsbeginsel, enkel het latente verlies op de IRS in resultaat wordt genomen (Lower of Cost or Market);
  • de tweede bestaat erin dat, wanneer het instrument verhandeld wordt op een georganiseerde en liquide markt, zowel het latente verlies als de latente winst in resultaat worden genomen.

De Commissie heeft deze vraag reeds behandeld. Conform het CBN-advies 2010/12 en niettegenstaande de mogelijke decompositie van een IRS in een lening en een ontlening (zie hieronder), worden enkel de latente schulden in resultaat genomen volgens de Lower of cost or market-methode. De latente meerwaarden kunnen namelijk, het voorzichtigheidsbeginsel indachtig, niet gekwalificeerd worden als vaststaande opbrengsten en ze kunnen bijgevolg niet in resultaat genomen worden.

Ten slotte dient de onderneming in haar waarderingsregels te bepalen op welke manier zij zal overgaan tot de boekhoudkundige verwerking van het resultaat en van het interestprorata op renteswaps9.

Voorbeeld10

Een onderneming verwacht een stijging van de rentevoet en wenst hieruit voordeel te halen door op 31 maart 2010, een IRS af te sluiten met een notioneel bedrag van 5.000.000 EUR met een looptijd van 5 jaar, en waarop de onderneming een vaste interest betaalt van 3% in ruil voor een variabele interest (Euribor) op 6 maanden + 1%. 


 De Euribor interest op 6 maanden evolueert op de periodieke vervaldagen als volgt:
 

  Euribor Euribor + 1%
31 maart 2010 1 % 2%
30 september 2010 0,5 % 1,5%
31 maart 2011 1,5 % 2,5%
30 september 2011 3,5 % 4,5%
...    
30 september 2011 5 %  6%

Op 31 december 2010 en 31 december 2011 is de marktwaarde van de IRS respectievelijk negatief ten belope van -150.000 EUR en positief ten belope van 200.000 EUR.

Boekhoudkundige verwerking

Op 31 maart 2010

De IRS wordt op de orderekeningen geboekt, onder de diverse rechten en verplichtingen:

09…  Diverse verplichtingen  5.000.000   
  aan 09…  Renteswap – notioneel ontleend bedrag    5.000.000
09…    Renteswap – notioneel geleend bedrag 5.000.000   
  aan 751 Post   10.000

Op 30 september 2010

Op 30 september 2010 wordt het eerste deel van de variabele interesten (2 % van 5.000.000 EUR op 6 maanden, ofwel 50.000 EUR) ontvangen en als volgt geboekt: 

550 Kredietinstellingen 50.000  
  aan 756 Diverse financiële opbrengsten   50.000

Op 31 december 2010

De te ontvangen en te betalen interesten maken het voorwerp uit van een inresultaatname pro rata de gelopen periode. Voor het ontleende gedeelte bedragen de gelopen interesten dus 112.500 EUR (3 % van 5.000.000 EUR op 12 maanden x ¾), terwijl voor het geleende gedeelte de gelopen interesten 18.750 EUR (1,5% van 5.000.000 EUR op 6 maanden x ½) bedragen.

491 Verkregen opbrengsten 18.750  
  aan 756 Diverse financiële opbrengsten   18.750
657 Diverse financiële kosten 112.500   
  aan 492 Toe te rekenen kosten   112.500

Er dient opgemerkt te worden dat de opbrengsten en kosten die voortvloeien uit de interesten, in de resultatenrekening voorgesteld kunnen worden als een netto financiële kost of opbrengst en dat de prorata van de te ontvangen en te betalen interesten op de twee componenten van de IRS eveneens op nettobasis voorgesteld kan worden.   

Op 31 december 2010 is de marktwaarde11 van de IRS negatief ten belope van 150.000 EUR en genereert deze een latent verlies dat als volgt berekend wordt:

    EUR
Marktwaarde van de IRS (150.000)
Boekhoudkundige waarde van de IRS  
  Aan de actiefzijde : Pro rata te verwerven interestopbrengsten 18.750
  Aan de passiefzijde : Pro rata toe te rekenen interestkosten (112.500)
Verschil marktwaarde – boekhoudkundige waarde (56.250)

Dit aanvullend latent verlies dient geboekt te worden teneinde de boekhoudkundige waarde van de IRS te corrigeren en deze te doen overeenstemmen met haar marktwaarde. Deze wordt door middel van de volgende boeking tot uitdrukking gebracht in de boekhouding:

657 Diverse financiële kosten 56.250  
  aan 492 Latent verlies op de IRS   56.250

De Commissie is de mening toegedaan dat dit latent verlies eveneens opgenomen kan worden op de creditzijde van de rekening 165 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten door middel van de volgende boeking:

6560 Voorzieningen met financieel karakter : toevoegingen 56.250  
  aan 165 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten   56.250

Na afloop van deze boeking, wordt de verrichting als volgt weergegeven in de balans van de onderneming:

  Debet/(Credit)
491 Verkregen opbrengsten 18.750
492 Toe te rekenen kosten (112.500)
492 of Latent verlies op de IRS  
165 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten (56.250)
  (150.000)

De boekwaarde van de IRS bedraagt 150.000 EUR (een netto passief), wat overeenstemt met de negatieve marktwaarde van de IRS op 31 december 2010.

Op 1 januari  2011

Op 1 januari 2011 worden de voorheen opgenomen boekingen als volgt tegengeboekt:

756 Diverse financiële opbrengsten 18.750  
  aan 491 Verkregen opbrengsten   18.750
492 Toe te rekenen kosten 112.500  
  aan 657 Diverse financiële kosten   112.500
492 Latent verlies op IRS 56.250  
  aan 657 Diverse financiële kosten   56.250

of

165 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten 56.250  
  aan  6561 Voorzieningen met financieel karakter : bestedingen en terugnemingen   56.250

Op 31 maart 2011

Op 31 maart 2011 heeft de onderneming recht op de tweede schijf van de variabele interesten (1,5 % van 5.000.000 EUR op 6 maanden, ofwel 37.500 EUR) en is ze de vaste interesten (3 % van 5.000.000 EUR, ofwel 150.000 EUR) verschuldigd: 

657 Diverse financiële kosten 150.000  
  aan 756 Diverse financiële opbrengsten   37.500
    550 Kredietinstellingen:   112.500
      rekening-courant    

Op 30 september 2011

Op 30 september 2011 wordt de derde schijf aan variabele interesten (2,5% van 5.000.000 EUR op 6 maanden, ofwel 62.500 EUR) ontvangen en als volgt geboekt:

550 Kredietinstellingen 62.500  
  aan 756 Diverse financiële opbrengsten:    62.500
      rekening-courant    

Op 31 december 2011

De te ontvangen en te betalen interesten maken het voorwerp uit van een inresultaatname pro rata de gelopen periode. Voor het ontleende gedeelte bedragen de gelopen interesten dus 112.500 EUR (3 % van 5.000.000 EUR op 12 maanden x ¾), terwijl voor het geleende gedeelte de gelopen interesten 56.250 EUR (4,5% van 5.000.000 EUR op 6 maanden x ½) bedragen.

491 Verkregen opbrengsten 56.250  
  aan 756  Diverse financiële opbrengsten   56.250
657 Diverse financiële kosten 112.500  
  aan 492 Toe te rekenen kosten   112.500

Op 31 december 2011 is de marktwaarde van de IRS positief ten belope van een bedrag van 200.000 EUR en genereert deze een latent resultaat dat als volgt berekend wordt :
    

EUR
Marktwaarde van de IRS 200.000
Boekhoudkundige waarde van de IRS  56.250
  Aan de  actiefzijde : Pro rata te verwerven interestopbrengsten  
  Aan de passiefzijde: Pro rata toe te rekenen interestkosten (112.500)
Verschil marktwaarde – boekhoudkundige waarde 256.250

Zo vertoont de verrichting een latente winst die niet in resultaat dient erkend te worden volgens het voorzichtigheidsprincipe, dat voorschrijft dat niet gerealiseerde opbrengsten niet geboekt dienen te worden.

Vanaf  1 januari 2012 tot op de vervaldag van de IRS

Tot aan de vervaldag wordt de IRS verwerkt volgens de eerder aangehaalde boekingen. 

Op de vervaldag 

Op de eindvervaldag van de IRS worden, naast de laatste interestwissel, de boekingen op de orderekeningen als volgt tegengeboekt:

09… Renteswap – notioneel ontleend bedrag 5.000.000  
  aan 09… Diverse verplichtingen   5.000.000
09… Diverse rechten 5.000.000  
  aan 09… Renteswap – notioneel geleend bedrag   5.000.000

Back-to-back IRS

Een onderneming kan een IRS afsluiten met een bank, terwijl ze een tweede IRS afsluit in de tegengestelde richting met, bijvoorbeeld, een andere vennootschap van de groep waartoe ze behoort. Dit komt vrij vaak voor bij vennootschappen die de Treasury activiteit van een groep centraliseren.

In dit geval dient de onderneming de notionele bedragen van deze twee swaps op te nemen in de orderekeningen en dient ze de gelopen te betalen of te ontvangen interesten te prorateren voor de respectievelijke componententen van deze swaps.

Voor wat de latente resultaten betreft, is de Commissie de mening toegedaan dat de IRS die op zulke wijze verbonden zijn met elkaar een globale positie uitmaken die als dusdanig verwerkt dient te worden. Enkel de eventuele latente minderwaarden op deze globale positie worden in resultaat genomen (Lower of Cost or Market). Het eventueel netto latent verlies dient opgenomen te worden in de resultatenrekening door de rekening 657 of 6560 te debiteren en 492 of 165 te crediteren (zie III.A.2 & 3). 

De IRS als indekkingsverrichting van een lening of ontlening tegen variabele rentevoet

Principes

In dit geval beoogt de onderneming zich in te dekken tegen een renteschommeling die zou kunnen leiden tot een stijging of daling van een bepaalde intereststroom. 

Net zoals bij de speculatieve IRS dient de onderneming voor de gelopen periode de betaalde en ontvangen interesten die betrekking hebben op de IRS, in resultaat te nemen; evenals de gelopen, nog niet betaalde, interesten, net zoals dat het geval is voor een lening of een ontlening.

De opbrengsten en kosten die voortvloeien uit de interesten kunnen in de resultatenrekening voorgesteld worden als een netto financiële kost of opbrengst en de prorata van de te ontvangen en te betalen interesten op de twee componenten van de IRS kan eveneens op nettobasis voorgesteld worden.   

Conform de boekhoudkundige principes van indekkingstransacties, opgenomen in het CBN-advies 2010/12, wordt daarentegen (zelfs) een (negatieve) schommeling van de marktwaarde van het indekkingsinstrument aan het einde van de periode niet in resultaat genomen.

Behoudens deze uitzonderingen, zijn de boekingen dus gelijk aan deze die van toepassing zijn op het eerste geval (zie II.A.2 & 3).

Bijzondere gevallen

- Scenario 1 : afwikkeling van de renteswap na x aantal jaar, maar de onderneming blijft zichzelf financieren aan variabele rentevoet

Volgens de Commissie dient het resultaat dat voortvloeit uit deze transactie gespreid te worden over de kortste van de volgende twee periodes: (i) de nog te lopen indekkingsperiode die initieel voorzien was en (ii) de resterende financieringsperiode aan variabele rentevoet, via de regularisatierekeningen. 

- Scenario 2 : afname van de financieringsbehoefte, maar behoud van de IRS

Voor zover de financieringsbehoefte van de onderneming afneemt, zou deze te maken kunnen krijgen met een overmatige indekking, waardoor de algehele doeltreffendheid van de indekking, ten minste voor een deel, wordt gecompromitteerd. 

Enkel het effectieve gedeelte van de indekking kan echter in aanmerking worden genomen voor een daarmee overeenstemmende boekhoudkundige verwerking.

Bijgevolg is de Commissie de mening toegedaan dat, voor wat het gedeelte van het indekkingsinstrument betreft waarvoor geen onderliggende schuld tegen variabele rentevoet beschikbaar is, deze beschouwd dient te wordt als een speculatieve verrichting. Zo dient, rekening houdend met de gelopen interesten, het volledig latent verlies op dit deel van de IRS in resultaat te worden genomen (cf. het geval van de speculatieve IRS, zie III.A.2 & 3).

De IRS als indekkingsverrichting van een ontlening met vaste rentevoet

In dit geval beoogt de onderneming een schuld tegen vaste rentevoet om te zetten in een “synthetische” schuld tegen variabele rentevoet. De onderneming kan deze verrichting afsluiten indien ze een blijvende daling verwacht van de variabele rentevoet in vergelijking met de vaste rentevoet van de schuld.

Zoals in de voorheen aangehaalde gevallen, dient de onderneming voor de gelopen periode de betaalde en ontvangen interesten die gerelateerd zijn aan de IRS, evenals de nog niet betaalde gelopen interesten, in resultaat te nemen, en dit zowel voor de lening als de ontlening.

De opbrengsten en kosten die voortvloeien uit de interesten kunnen in de resultatenrekening voorgesteld worden als een netto financiële kost of opbrengst en de prorata van de te ontvangen en te betalen interesten op de twee componenten van de IRS kan eveneens op nettobasis voorgesteld worden.   

Daarentegen dient aan het einde van de periode (zelfs) geen (negatieve) schommeling van de marktwaarde van het indekkingsinstrument in resultaat te worden genomen. De schommelingen van de marktwaarde van de schuld die voortvloeien uit de evolutie van de marktcondities van de rentevoet, dienen overigens ook niet uitgedrukt te worden in de boekhouding.

De boekingen zijn dus gelijkaardig aan deze die werden toegepast op het vorige geval (zie III.C). 

De IRS als indekkingsverrichting van een toekomstige schuld

Een onderneming kan een prospectieve IRS (forward starting swap) afsluiten teneinde  een schuld in te dekken (tegen vaste of variabele rentevoet) die ze in de toekomst zal moeten aflossen. In dit geval beginnen de interesten op de swap pas in de toekomst te lopen en worden er dus geen intresten tussen de contractdatum (contract date) van de IRS en de value date van de IRS (zijnde de datum waarop de intresten op de swap beginnen te lopen) in de resultatenrekening erkend. De IRS wordt echter wel opgenomen in de orderekeningen. Zolang het aangaan van de toekomstige schuld waarschijnlijk blijft, moet er geen voorziening worden geboekt in het geval van een eventueel latente minderwaarde op de IRS. Indien het daarentegen niet meer waarschijnlijk is dat de schuld zal worden aangegaan, dient de IRS verwerkt te worden als een speculatieve verrichting. 

Eenmaal de schuld wordt opgenomen, zal de onderneming zich in één van de twee voorgaande situaties (geval III.C of III.D) bevinden en zal ze de IRS dienovereenkomstig verwerken. 

De IRS als indekkingsverrichting van een vastrentend effect opgenomen onder de geldbeleggingen

Principes

Deze vastrentende effecten worden gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde (in voorkomend geval gecorrigeerd op basis van het actuariële rendement van het effect) en ze maken het  voorwerp uit van  waardeverminderingen indien hun realisatiewaarde op balansdatum lager is dan hun aanschaffingswaarde (art. 73 en 74 van het KB W.Venn.).

De waarde van de vastrentende effecten schommelt echter in functie van de evolutie van de rentevoet. De onderneming die vastrentende effecten bezit, is op die manier onderworpen aan een prijsrisico. 

De onderneming die vastrentende effecten bezit, wilt zich bijgevolg indekken tegen een waardevermindering van deze effecten in geval van een stijging van de rentevoet door een IRS af te sluiten (op dewelke ze een vaste rentevoet betaalt en een variabele rentevoet ontvangt).

Zoals in de voorheen aangehaalde gevallen, dient de onderneming het notioneel bedrag van de IRS op te nemen in de orderekeningen. Ze dient bijgevolg voor de gelopen periode de betaalde en ontvangen interesten die verband houden met de IRS, in resultaat te nemen, evenals de gelopen nog niet betaalde interesten.

Op balansdatum wordt de latente meer- of minderwaarde op de IRS symmetrisch geboekt op het latente resultaat voortkomend uit het vastrentende effect dat het indekt:

  • aangezien in het geval van een latente meerwaarde op het effect, deze niet wordt geboekt, wordt enkel het overtollige gedeelte van de latente minderwaarde op de IRS tegenover deze meerwaarde in resultaat genomen;
  • op dezelfde wijze wordt de eventueel latente meerwaarde op de IRS enkel geboekt indien deze het erkende latent verlies op het ingedekte effect niet overschrijdt.

Veronderstel, ter illustratie, dat een waardevermindering van 75.000 EUR geboekt dient te worden op een vastrentend effect, terwijl een latente meerwaarde van 74.000 EUR wordt geconstateerd op het indekkingsinstrument, zijnde de IRS. Deze latente meerwaarde, die de latente minderwaarde op het indekkinginstrument niet overschrijdt, kan integraal in resultaat genomen worden door middel van de volgende boekingen:

Vastrentend effect

651 Dotatie aan de waardevermindering op vlottende activa 75.000  
  aan 529 Geboekte waardeverminderingen   75.000

IRS

491 Latente winst op IRS 74.000  
  aan 756 Diverse financiële opbrengsten   74.000

Volgens de Commissie zou een alternatieve boekhoudkundige verwerking kunnen bestaan uit de algemene toepassing van de Lower of Cost or Market-methode, op het geheel  bestaande uit het onderliggende effect en het indekkingsinstrument. Enkel de netto minderwaarde die zou blijven bestaan na compensatie van de twee latente resultaten op het onderliggende effect en het indekkingsinstrument (IRS) dient dus in resultaat genomen te worden12. Dit wordt als volgt geboekt:  

651 Dotatie aan de waardevermindering op vlottende activa 1.000  
  aan 529 Geboekte waardeverminderingen   1.000

Bijzondere gevallen

Indien de onderneming vroegtijdig het onderliggende effect afstaat, stelt zich de vraag op welke manier het indekkingsinstrument dient verwerkt te worden. De onderneming heeft meerdere mogelijkheden: 

- 1ste hypothese : de IRS wordt bijkomend afgewikkeld, tegen betaling aan (of door) de tegenpartij van de marktwaarde van de IRS

Zowel het resultaat van de realisatie van het effect als het resultaat van de afwikkeling van de IRS worden dus in resultaat genomen. De Commissie is de mening toegedaan dat de resultaten van deze twee verrichtingen op nettobasis voorgesteld kunnen worden in dezelfde rubriek van de resultatenrekening. 

- 2de hypothese  : de rentepositie van de IRS is « gesloten » met behulp van een andere IRS met tegengestelde kenmerken

De IRS behoudt de balanswaarde die het had op het moment van de overdracht van het effect. Deze waarde wordt bijgevolg in resultaat genomen gedurende de resttijd van de IRS. 

Voor wat de latente resultaten betreft, maken de twee renteswaps een globale positie uit die als dusdanig verwerkt wordt (zie III.B.). Er zal enkel een netto latente minderwaarde op deze globale positie  in resultaat genomen worden (Lower of Cost or Market). 

- 3de hypothese : het indekkingsinstrument wordt aangehouden tot op de vervaldag

De IRS behoudt de boekwaarde die het had op het moment van de overdracht van het effect. Deze waarde wordt bijgevolg in resultaat genomen gedurende de resttijd van de IRS. 

De IRS zal bijgevolg voortaan verwerkt worden als een geïsoleerde transactie met speculatief karakter. De latente minderwaarden op de IRS dienen in resultaat genomen te worden (cf. het voorbeeld van de speculatieve renteswaps in III.A.). 

De IRS met een opleg (Upfront payment)

Het kan zijn dat een swap wordt afgesloten volgens andere voorwaarden dan deze die primeren op de markt. In dit geval is het gebruikelijk dat de ene partij aan de andere een “compensatie” betaalt. De inresultaatname van dit bedrag dient normaliter gespreid te worden over de levensduur van de swap. De verwerkingen voorzien in de voormelde gevallen blijven overigens van toepassing.  

Toelichting bij de jaarrekening 

De toelichting moet (onder de Buiten de balans opgenomen rechten en verplichtingen) een juist beeld geven van de lopende IRS-contracten, voor zover deze betrekking hebben op significante bedragen. Hiertoe zal de onderneming het notioneel bedrag van de contracten vermelden, waarbij ze bij voorkeur een onderscheid zal maken naargelang hun aanwending (speculatieve IRS, indekkings-IRS, …).

Voor zover bepaalde IRS in de balans niet gewaardeerd worden aan hun reële waarde, dient onder de Afgeleide financiële instrumenten die niet gewaardeerd zijn op basis van de reële waarde melding gemaakt te worden van de reële waarde van de IRS, evenals van de indicaties met betrekking tot het aangehouden volume (notioneel bedrag). 

De ondernemingen die er voor opteren de reële waarde “pro rata de inbegrepen interest” (dirty price) op te nemen in deze toelichting, zouden eveneens, omwille van de transparantie, de balanswaarde dienen te vermelden van de betrokken IRS teneinde de lezers van de jaarrekening toe te laten de latente meer- of minderwaarde te bepalen op deze contracten. Dit kan geïllustreerd worden aan de hand van het volgende voorbeeld: 

Stel 

  • dat de onderneming in het bezit is van twee speculatieve IRS’en en één indekkings-IRS;
  • dat de eerste speculatieve IRS een latente minderwaarde vertoont, die het voorwerp heeft uitgemaakt van een voorziening (zodat deze IRS in de rekeningen aan reële waarde wordt gewaardeerd en niet opgenomen dient te worden in deze toelichting); 
  • dat de tweede speculatieve IRS en de indekkings-IRS respectievelijk de volgende latente resultaten vertonen ( in EUR) : 
Speculatieve IRS    Indekkings-IRS
Marktwaarde (dirty price) van de IRS 200.000 -50.000
Pro rata van de gelopen interest (opgenomen in de regularisatierekeningen)    
  Aan de actiefzijde: Pro rata van de te ontvangen interest 66.250 33.000
  Aan de passiefzijde: Pro rata van de te betalen interest (112.500) (40.500)
Marktwaarde (clean price) van de IRS (komt overeen met de latente meer- of minderwaarde die niet werd erkend door de onderneming)  246.250  (42.500)

De onderneming kan de toelichting in kwestie op twee manieren invullen:
Ofwel zal zij de dirty price van de indekkings-IRS en de speculatieve IRS’en vermelden, waarbij ze de overeenkomstige balanswaarde zal aangeven, teneinde de lezers van de jaarrekening toe te laten de latente meer- of minderwaarde op deze IRS’en te bepalen.

  Boekjaar
SCHATTING VAN DE REËLE WAARDE VAN IEDERE CATEGORIE IN DE REKENINGEN VAN NIET AAN DE REËLE WAARDE  GEWAARDEERDE AFGELEIDE FINANCIËLE INSTRUMENTEN, MET VERMELDING VAN DE AARD EN HET VOLUME VAN DE INSTRUMENTEN  
Speculatieve IRS (notioneel van 15.000.000 €, netto balanswaarde van -46.250 €) 200.000
 
ndekkings-IRS (notioneel van 10.000.000 €, netto balanswaarde van -7.500 €) -50.000

Ofwel zal de onderneming enkel de clean price vermelden van de indekkings-IRS’en en de speculatieve IRS:

  Boekjaar
SCHATTING VAN DE REËLE WAARDE VAN IEDERE CATEGORIE IN DE REKENINGEN VAN NIET AAN DE REËLE WAARDE  GEWAARDEERDE AFGELEIDE FINANCIËLE INSTRUMENTEN, MET VERMELDING VAN DE AARD EN HET VOLUME VAN DE INSTRUMENTEN  
Speculatieve IRS (notioneel van 15.000.000 €) 246.250
ndekkings-IRS (notioneel van 10.000.000 €) -42.500

Tot slot dient gepreciseerd te worden dat, indien de IRS’en werden afgesloten met verbonden partijen, het totaal van hun notionele bedragen opgenomen dient te worden bij de Verhoudingen met verbonden ondernemingen en ondernemingen met deelnemingsverhouding onder de Andere betekenisvolle financiële verplichtingen. 

  • 1. B. Colmant en A. Pieron, Les nouveaux instruments financiers: notions financières, comptables et fiscales, Etudes pratiques de droit fiscal, Kluwer, 131.
  • 2. F. Meyrier, Les contrats d’échanges de devises et de taux d’intérêt (swaps), Droit et pratique du commerce international (DPCI), 1986, Tome 12, N°1, 15-16.
  • 3. Een onderneming met een betere beursnotering zal op de markt aan een betere (lagere) vaste rentevoet kunnen ontlenen dan een onderneming met een mindere goede notering. Laatstgenoemde geniet daarentegen wel van een gelijkaardig voordeel bij ontleningen tegen variabele rentevoet.
  • 4. J.-P. Bouchard, L’audit des swaps de taux d’intérêt, in Les nouveaux instruments financiers : Guide de l’audit en entreprise, CLET, 96.
  • 5. Cf. IAS 39 § 86 (b) Cash flow hedge: a hedge of the exposure to variability in cash flows that (i) is attributable to a particular risk associated with a recognised asset or liability (such as all or some future interest payments on variable rate debt) or a highly probable forecast transaction and (ii) could affect profit or loss.
  • 6. Cf. IAS 39 § 86 (a) Fair value hedge: a hedge of the exposure to changes in fair value of a recognised asset or liability or an unrecognised firm commitment, or an identified portion of such an asset, liability or firm commitment, that is attributable to a particular risk and could affect profit or loss.
  • 7. P. Schevin, Principe comptable de symétrie et couverture du risque de taux : règles françaises et IFRS, R.F.C. 392, Oktober 2006, 31.
  • 8. F. Lefebvre, Nouveaux instruments financiers, § 1428.
  • 9. Art. 28, § 1, KB W.Venn.
  • 10. De Commissie heeft zich gebaseerd op de voorbeelden opgenomen in de brochure Afgeleide financiële instrumenten – Financiële, boekhoudkundige en fiscale aspecten, opgemaakt door Ernst & Young, in samenwerking met de Generale Bank in januari 1996, 72-75.
  • 11. De Commissie spreekt zich in dit advies niet uit over de gehanteerde methodiek ter bepaling van de marktwaarde van dergelijke afgeleide financiële instrumenten .
  • 12. Indien de indekking perfect is en de IRS elk risico op waardevermindering op de globale positie (effect en IRS) doet verdwijnen, dient er geen waardevermindering meer geboekt te worden, ongeacht de evolutie van de rentevoet, met uitzondering van de twee volgende gevallen :
    - indien het effect aan waarde verliest ten gevolge van de verslechtering van de kredietrating van de emittent of ten gevolge van de verslechtering van de liquiditeit van het effect. Deze waardevermindering wordt niet gecompenseerd door een correlatieve stijging van de marktwaarde van de IRS;
    - indien de IRS tot doel heeft de variabele interest van een Floating Rate Note om te zetten naar een vaste rentestroom. Het beoogde doel is niet de indekking van de waarde van het effect maar wel van de rentrestroom.