COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN advies 2012/18 – De boekhoudkundige verwerking van aandelenopties  (als zodanig)

Advies van 7 november 2012

 Inleiding 

Werking van het optiecontract 

Definitie 

Een optiecontract is een overeenkomst waarbij een partij (de optieschrijver) zich ertoe verbindt, in voorkomend geval tegen onmiddellijke betaling van een prijs (de optiepremie) door de optiehouder, een goed (onderliggend actief) te kopen (aankoopverbintenis) van of te verkopen (verkoopverbintenis) aan de optiehouder, als deze laatste hiertoe beslist, tegen een vooraf bepaalde of bepaalbare prijs (de uitoefenprijs)1, op een welbepaalde datum of tijdens een welbepaalde periode2. Een optiecontract blijft een overdraagbare titel waardoor de initiële optieschrijver en optiehouder in de loop van de tijd kunnen veranderen.

Wanneer de optieschrijver een aankoopverbintenis aangaat, ontstaat er voor de optiehouder een verkoopoptie (put-optie).

Wanneer de optieschrijver een verkoopverbintenis aangaat, ontstaat er voor de optiehouder een aankoopoptie (call-optie). 

Naar gelang van de rechten en verplichtingen van de contracterende partijen onderscheiden we dan ook de volgende gevallen: 

a) Aankoop van een call: 

De koper van een aankoopoptie (call) verwerft, tegen onmiddellijke betaling van een premie (voor zover contractueel bepaald), het recht maar niet de verplichting om, op een welbepaalde datum of tijdens een welbepaalde periode, een vastgestelde hoeveelheid van een onderliggend actief te kopen tegen een afgesproken prijs. 

b) Schrijven van een call: 

De schrijver van een aankoopoptie (call) verbindt zich ertoe om, tegen onmiddellijke ontvangst van een premie (voor zover contractueel bepaald), op een welbepaalde datum of tijdens een welbepaalde periode, een vastgestelde hoeveelheid van een onderliggend actief, tegen een afgesproken prijs te verkopen wanneer de houder van de call dit wenst. 

c) Aankoop van een put: 

De koper van een verkoopoptie (put) verwerft, tegen onmiddellijk betaling van een premie (voor zover contractueel bepaald), het recht - maar niet de verplichting - om, op een welbepaalde datum of tijdens een welbepaalde periode, een vastgestelde hoeveelheid van een onderliggend actief te verkopen tegen een afgesproken prijs. 

d) Schrijven van een put:

De schrijver van een verkoopoptie (put) verbindt zich ertoe om, tegen onmiddellijke ontvangst van een premie (voor zover contractueel bepaald), op een welbepaalde datum of tijdens een welbepaalde periode, een vastgestelde hoeveelheid van een onderliggend actief tegen een afgesproken prijs te kopen wanneer de houder van de put dit wenst. 

Rechten en verplichtingen van de optiehouder 

De houder van een (call- of put-) optie gaat enkel de verbintenis aan de optiepremie te betalen (als contractueel is bepaald dat een dergelijke prijs moet worden betaald). Het risico dat hij neemt is beperkt tot het beloop van de te betalen prijs. In ruil daarvoor heeft hij het recht om:

  • het aan de optie verbonden recht uit te oefenen, 
  • of de optie te laten vervallen op de vervaldag, 
  • of de optie te verkopen, indien zij verhandelbaar is. 

Over het algemeen koopt iemand een call op beleggingseffecten wanneer hij verwacht:

  • dat, op het ogenblik dat de optie kan worden uitgeoefend, de koers van het effect hoger zal liggen dan het totaal van de optiepremie en de uitoefenprijs; tegelijkertijd wil hij zijn risico beperken tot de optiepremie, zo de koers op het ogenblik dat de optie kan worden uitgeoefend, onder het voornoemde totaal zou liggen, 
  • of dat hij de optie vóór de vervaldag met winst zal kunnen verkopen. 

Meestal zal de houder zijn call uitoefenen als de marktwaarde van het beleggingseffect groter is dan de uitoefenprijs op het ogenblik of op de uiterste datum waarop de optie mag worden uitgeoefend (de optie is dan “in the money”, cf. infra). De houder van een call-optie op aandelen staat dan in beginsel in dezelfde positie als een warranthouder. 

Over het algemeen koopt iemand een put als hij verwacht:

  • dat op de vervaldag de koers van het effect lager zal liggen dan de uitoefenprijs min de optiepremie; tegelijkertijd wil hij zijn risico beperken tot de optiepremie, zo de koers op de vervaldag hoger zou liggen dan de uitoefenprijs min de optiepremie (of: “out of the money”, cfr. infra), 
  • of dat hij de optie vóór de vervaldag met winst zal kunnen verkopen aan een operator die bij voorbeeld een extra prijsdaling verwacht. 

Meestal zal de houder de put uitoefenen als de marktwaarde van het beleggingseffect kleiner is dan de uitoefenprijs op het ogenblik of op de uiterste datum waarop de optie mag worden uitgeoefend (de optie is dan “in the money”, cfr. infra). 

Rechten en verplichtingen van de optieschrijver 

De schrijver van een (call- of put-) optie heeft geen keuze: op verzoek van de optiehouder moet hij het onderliggend actief leveren of kopen. In ruil voor deze verbintenis betaalt de optiekoper bij de toekenning van de optie meestal een premie aan de optieschrijver. 

Voor een operator is een van de redenen om het risico te nemen een optie te schrijven, de verwachting van stabiele koersen en de hoop op een kleinere koersschommeling dan het bedrag van de premie die hij heeft ontvangen. 

Zo een optiehouder zijn optie steeds kan verkopen, kan een optieschrijver zich juridisch gezien niet ontdoen van zijn verbintenis. Economisch kan hij dit wel, zij het dan enkel door een dekkingsverrichting af te sluiten, namelijk door een identieke optie te kopen, met dezelfde uitoefenprijs en dezelfde vervaldag. 

Onderliggende doelstellingen van optiecontracten.

Verschillende strategieën kunnen aan de basis liggen van het werken met opties. 

Er moet een onderscheid worden gemaakt naargelang: 

  1. de optie een alleenstaande verrichting vormt (of als zodanig wordt beschouwd, omdat zij geen onderdeel is van een reeks verrichtingen in verschillende zin); 
  2. de optie wel een onderdeel is van een reeks verrichtingen in verschillende zin op een zelfde onderliggend effect.

In het eerste geval beïnvloedt elke schommeling van de optiewaarde inderdaad potentieel en integraal het vermogen van de optiehouder, zonder neutraliserend effect ingevolge een schommeling in tegengestelde zin van een ander bestanddeel. 

In het tweede geval hebben de waardeschommelingen van het onderliggend actief een tegengestelde invloed op het vermogen en kunnen zij dus potentieel geheel of ten dele worden geneutraliseerd. Dat is het geval met: 

a)    Als dekking bestemde verrichtingen3 met opties, die de onderneming beschermen tegen de ongunstige invloed van koersschommelingen maar waarbij de winst van een gunstige koersevolutie geheel of ten dele behouden blijft.

Verrichtingen die als dekking kunnen dienen, zijn verrichtingen die erin bestaan: 

  • een put-optie kopen op effecten die men reeds in portefeuille heeft of die men vast heeft overgenomen; 
  • een call-optie kopen op effecten die vast op termijn werden verkocht. 

In beginsel kan enkel het kopen van een optie als dekkingsverrichting beschouwd worden. Geschreven opties kunnen per definitie geen dekkingsverrichting vormen: het al dan niet uitoefenen hangt immers af van de beslissing van de optiehouder. De beslissing van deze laatste hangt af van het voor hem gunstige - en dus voor de schrijver ongunstige - koersverloop van het onderliggend actief. 

b)    Gezamenlijke situaties en verrichtingen in tegengestelde zin op een zelfde onderliggend bestanddeel, buiten de hierboven bedoelde dekkingsverrichtingen.

Bij deze laatste categorie horen strategieën zoals:

  • het gelijktijdig kopen en schrijven van put-opties dan wel het gelijktijdig kopen en schrijven van call-opties tegen dezelfde prijzen en met verschillende vervaldata; of 
  • het gelijktijdig kopen van put- en call-opties op hetzelfde onderliggende bestanddeel dat de operator niet in zijn vermogen bezit bij de afsluiting van deze verrichting. 

Draagwijdte van het advies 

Waardeschommelingen hebben dus een verschillende invloed op het vermogen van de onderneming, naar gelang de optie een alleenstaande verrichting vormt dan wel een onderdeel is van een reeks verrichtingen in verschillende zin. Op grond van dit onderscheid zal hun boekhoudkundige verwerking dan ook verschillend zijn, inzonderheid voor de resultaatbepaling. 

Dit advies behandelt enkel de boekhoudkundige verwerking van het kopen of schrijven van aandelenopties4 wanneer deze verrichtingen kunnen worden beschouwd als alleenstaande verrichtingen5

Dit advies handelt in hoofdzaak over aandelenopties die op een gestandaardiseerde wijze worden verhandeld op een georganiseerde en liquide markt, dit is:

  • hetzij een georganiseerde markt, hetzij een onderhandse markt die regelmatig werkt door toedoen van derde financiële instellingen-markthouders die instaan voor een doorlopende notering van kopers- en verkoperskoersen met marges die met de marktgebruiken overeenstemmen,
  • waarbij er kan worden vanuit gegaan dat de betrokken effecten of financiële instrumenten qua volume en rekening houdend met de volumes die gewoonlijk op deze markt worden verhandeld, op gelijk welk ogenblik realiseerbaar zijn, zonder betekenisvolle invloed op de koersen. 

Opties waarvoor deze voorwaarden niet zijn vervuld, worden in fine behandeld. 

In dit advies komen tevens niet aan bod: de verkoop met mogelijke terugkoop, alsook de contracten waarbij de partij die het onderliggend actief bezit, van de andere partij een put krijgt en deze laatste partij van de eerste een call krijgt op hetzelfde onderliggende actief alsook de boekhoudkundige verwerking van aandelenoptieplannen in het kader van de Wet van 26 maart 19996

Dit advies sluit aan bij het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen (hierna: KB W.Venn.) en geldt bijgevolg voor de ondernemingen waarop de bepalingen van dit besluit hetzij rechtstreeks, hetzij door een verwijzingsbepaling van toepassing zijn. Het ligt dus niet in de bedoeling dat de kredietinstellingen dit advies als dusdanig zouden gaan toepassen. Voor hen zijn een aantal regels over de boekhoudkundige verwerking van aandelenopties vastgesteld bij het koninklijk besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen, de beleggingsondernemingen en de beheervennootschappen van instellingen voor collectieve belegging7.

Analyse van de optiepremie 

Vooraleer over te gaan tot de boekhoudkundige verwerking van opties, moet de samenstelling onderzocht worden van de optiepremie die betaald wordt bij het kopen van de optie of ontvangen wordt bij het schrijven van de optie. De waarde van de optie heeft twee bestanddelen: 

i) De intrinsieke waarde:

De intrinsieke waarde van een optie is, per definitie, de waarde die zij zou hebben indien zij onmiddellijk zou worden uitgeoefend. Het gaat dus om het verschil tussen:

  • hetzij de koers van het onderliggende actief en de uitoefenprijs van de optie (bij een call); 
  • hetzij de uitoefenprijs van de optie en de koers van het onderliggende actief (bij een put). 

Wanneer de optie "out of the money" is, is er geen intrinsieke waarde8. De intrinsieke waarde kan nooit negatief zijn, alleen al door de aard van een optiecontract dat "recht" geeft op iets, zonder verdere verplichting om dit recht uit te oefenen. 

ii) De tijdswaarde: 

De tijdswaarde is het positieve verschil tussen de koers van de optie en haar intrinsieke waarde. Zij weerspiegelt aldus de verwachting van de optiehouder dat de waarde van het onderliggend actief in een voor hem gunstige zin zal evolueren. 
Vanaf het ontstaan en tijdens de hele looptijd van de optie, wordt deze tijdswaarde beïnvloed door diverse factoren waaronder: 

  • de resterende looptijd van de optie; 
  • de koers en de volatiliteit van het onderliggende actief; 
  • de marktverwachtingen met betrekking tot de koersevolutie van het onderliggende actief, onder andere in het licht van dividenduitkeringen tijdens de looptijd van de optie; 
  • de uitoefenprijs van de optie. 

Deze tijdswaarde is per definitie positief. Zolang de optie niet is vervallen, is er altijd een kans, hoe miniem ook, dat de optie toch wordt uitgeoefend ongeacht het niveau van de uitoefenprijs ten aanzien van de koers van het onderliggende actief. 

Naarmate de (uiterste) datum om de optie uit te oefenen nadert, evolueert de tijdswaarde naar nul. Op de vervaldag moet de waarde van de optie per definitie - tenzij er onregelmatigheden zijn in de markt - gelijk zijn aan haar intrinsieke waarde. Noteer evenwel dat de vermindering van de tijdswaarde niet op lineaire wijze rekening houdend met de factoren die haar beïnvloeden9

Boekhoudkundige verwerking van aandelenopties (als zodanig) die worden verhandeld op een georganiseerde en liquide markt 

Verrichtingen in opties zijn alleenstaande verrichtingen:

  • wanneer de houder van een call er zich niet toe verbonden heeft de overeenstemmende onderliggende effecten te verkopen of geen call op dezelfde onderliggende activa heeft geschreven; 
  • wanneer de houder van een put de onderliggende effecten niet bezit, ze niet op termijn heeft gekocht of geen put op dezelfde activa heeft geschreven; 
  • wanneer de schrijver van een call de onderliggende effecten niet bezit, ze niet op termijn heeft gekocht of geen houder is van een call op dezelfde activa. 

In deze gevallen beïnvloedt elke schommeling van de optiewaarde inderdaad potentieel en integraal het vermogen van de houder of van de schrijver, zonder "compenserend" effect ingevolge een schommeling in tegengestelde zin van een ander vermogensbestanddeel dat financieel is verbonden met het eerste. 

In hoofde van de houder van een (call- of put-) optie 

Aankoop van de optie 

Zoals hierboven reeds werd onderstreept, bezit de optiehouder een recht tegenover de optieschrijver. Dit recht heeft een economische waarde.

In zekere zin is een optie immers een splitsing van de financiële rechten die aan de onderliggende effecten zijn verbonden. De optiehouder kan de effecten kopen of verkopen tegen de afgesproken prijs als de koersevolutie voor hem gunstig is. Hij loopt geen risico op groter verlies dan de aankoopprijs van de optie, indien het onderliggende effect niet evolueert zoals gehoopt. 

Deze economische waarde komt tot uitdrukking in de prijs die de koper bereid is te betalen voor de optie en in de koers die - op een georganiseerde markt - de verrichtingen in deze opties weerspiegelt. Naar gelang van de omstandigheden of het tijdstip kan deze koers gelijk zijn aan of hoger of lager zijn dan de oorspronkelijk door de houder betaalde prijs voor de optie. 

Volgens de Commissie vertegenwoordigt het recht van de optiehouder tegenover de optieschrijver dan ook een tegoed dat aan actiefzijde van de balans moet worden geboekt en niet een kost die in de resultatenrekening wordt opgenomen. 

Wanneer de (put- of call-) optie betrekking heeft op een aandeel dat in het kader van tradingverrichtingen wordt verhandeld, moet ze in de actiefpost "Geldbeleggingen" worden opgenomen.
Calls moeten dan ook op dezelfde wijze worden geboekt als inschrijvingsrechten en warrants waarmee ze financieel gezien - althans ten aanzien van hun houder - nauw verwant zijn. 

De verwerving van de optie moet bijgevolg als volgt worden geboekt: 

51 Aandelen en geldbeleggingen andere dan vastrentende beleggingen    
  aan 550 Kredietinstellingen: Rekening-courant    

De vraag rees of de optiepremie niet kon worden gelijkgesteld met een verzekeringspremie en als dusdanig in kosten moest worden genomen, zij het pro rata temporis

De Commissie acht deze benadering onaanvaardbaar. Noch in juridisch, noch in financieel opzicht, strookt deze benadering met de fundamentele kenmerken van opties. 

Aangezien het hier gaat om gestandaardiseerde opties die op elk ogenblik kunnen worden verhandeld volgens de regels voor de overdracht van effecten, vertonen zij alle kenmerken van effecten. Een verzekeringspremie zal daarentegen nooit kunnen worden geherwaardeerd op balansdatum van het boekjaar, noch vóór de vervaldag kunnen worden overgedragen, noch worden toegevoegd aan de aanschaffingswaarde van een actief. 

Aanpassing van de optiewaarde tijdens de looptijd 

Gespreide tenlasteneming van de tijdwaarde 

Een eerste vraag die zich stelt bij de evolutie van de optiewaarde is de volgende: kan het deel van de optiepremie dat de tijdswaarde van de premie vertegenwoordigt en dat naar nul evolueert op de (uiterste) dag voor de uitoefening van de optie, op lineaire wijze worden afgeschreven over de resterende looptijd van de optie. 

Een analyse van de marktgegevens doet ernstige vragen rijzen omtrent de gegrondheid van een dergelijke benadering, die uitgaat van een vermoeden van lineaire ontwaarding van de tijdswaarde; wat zij daarentegen duidelijk aantoont, is dat deze tijdswaarde sterk schommelt.

Om deze reden acht de Commissie een dergelijke benadering van gespreide tenlasteneming van de tijdswaarde niet aanvaardbaar. Overigens is zij niet in overeenstemming met het geldende Belgische recht dat afschrijvingen enkel toelaat op bepaalde vaste activa. 

Aanpassing aan de marktwaarde 

De waarderingsprincipes voor beleggingseffecten, vastgelegd door het KB W.Venn. gelden ook voor gekochte opties. 

Door de vorming en terugneming van waardeverminderingen wordt rekening gehouden met de schommelingen in de marktwaarde van de opties wanneer deze lager is dan de aanschaffingswaarde. Daarentegen wordt ten aanzien van deze aanschaffingswaarde geen enkele meerwaarde vastgesteld noch, a fortiori, in resultaat genomen zolang zij niet gerealiseerd is. 

Tegenover deze benadering, vastgesteld door het Europees recht en ingegeven door voorzichtigheidsoverwegingen, verkiest de Angelsaksische doctrine eerder het beginsel van toerekening aan het boekjaar boven het voorzichtigheidsbeginsel. Zij gaat uit van de idee dat, wanneer er een liquide markt is, een onderneming op elk ogenblik in staat is om het betrokken actiefbestanddeel te realiseren tegen dagkoers en aldus een "niet-gerealiseerd" resultaat kan omzetten in een "gerealiseerd" resultaat. Bijgevolg oordeelt zij dat, op voorwaarde dat er een liquide markt bestaat, de betrokken activa - en in casu de op deze markten verhandelde opties - mogen (moeten) worden gewaardeerd tegen deze marktwaarde (“mark-to-market”). 

Bij deze benaderingswijze wenst de Commissie evenwel te formuleren dat de toepassing van de "mark-to-market"-methode op gestandaardiseerde opties moeilijk verenigbaar met de in het Belgisch boekhoudrecht vastgelegde beginselen: het beginsel van de historische kostprijs, het voorzichtigheids- en realisatieprincipe. Artikel 35 KB W.Venn. stelt immers dat "elk actiefbestanddeel wordt gewaardeerd tegen de aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende (...) waardeverminderingen". 

Hieruit volgt dat ondernemingen waardeverminderingen moeten toepassen op de opties die zij bezitten wanneer hun realisatiewaarde lager is dan hun aanschaffingswaarde (artikel 74 KB W.Venn.); deze waardeverminderingen moeten worden teruggenomen als de marktwaarde opnieuw stijgt. Daartegenover staat dat er geen enkele meerwaarde ten opzichte van de aanschaffingswaarde wordt geboekt zolang de optie niet is gerealiseerd10

Afwikkeling van de verrichting 

Overdracht van de optie vóór de vervaldag 

De overdracht van een optie wordt op dezelfde wijze geboekt als de overdracht van een beleggingseffect. 

Bijgevolg moeten de gerealiseerde meer- of minderwaarden, na tegenboeking van eventueel geboekte waardeverminderingen, onder de financiële resultaten worden geboekt (rekening 652 of 752 van het rekeningenstelsel). 

Uitoefening van de optie 
    Uitoefening van een call-optie

Wanneer een call-optie wordt uitgeoefend moet de uitoefenprijs worden toegevoegd aan de aankoopprijs van de optie om de aanschaffingswaarde van de betrokken effecten te bepalen. 

Wanneer op de aanschaffingswaarde van de optie een waardevermindering is toegepast, dan moet die bij de uitoefening worden teruggenomen. Zo nodig wordt op de aldus bekomen aanschaffingswaarde van de aandelen een waardevermindering toegepast indien hun marktwaarde kleiner is. Dat zou kunnen wanneer bij de uitoefening van de optie, de beurskoers van het betrokken aandeel hoger is dan de uitoefenprijs, maar lager is dan de som van de uitoefenprijs en de aankoopprijs van de optie. 

De optie wordt tegen aanschaffingswaarde aan de waarde van de na uitoefening van een call verworven effecten toegevoegd, omdat men ervan uitgaat dat de verwerving van de effecten in twee tijden verloopt: eerst wordt de optie gekocht en daarna wordt zij uitgeoefend. De aanschaffingswaarde van de effecten stemt bijgevolg overeen met het totaal van de effectief betaalde bedragen. 

De vraag stelt zich of, met verwijzing naar de internationale normen over de bepaling van de aanschaffingswaarde bij ruil, de aanschaffingswaarde van de effecten kan worden bepaald door naast de uitoefenprijs rekening te houden met de effectieve (beurs)waarde van de optie op het ogenblik dat zij wordt uitgeoefend, veeleer dan met haar aankoopprijs. Deze visie steunt op de overweging dat de optie en het effect twee juridisch onderscheiden situaties vormen en dat de aanschaffingswaarde van de effecten moet worden bepaald op grond van de voor hun verkrijging afgestane bedragen en waarden en tegen realisatiewaarde moeten worden gewaardeerd (op het ogenblik dat zij worden afgestaan). De Commissie is van oordeel dat de uitoefening van een optie niet zonder meer met een ruilverrichting kan worden gelijkgesteld en dat deze methode niet kan worden toegepast bij het boekhoudkundig verwerken van de uitoefening van de optie.

     Uitoefening van een put-optie 

Wanneer een (niet gedekte) put-optie wordt uitgeoefend, moet de optiehouder in de markt de effecten kopen waarvoor hij een put-optie had genomen. Bij de uitoefening van de optie verdwijnen zowel de put-optie als de gekochte effecten uit zijn vermogen tegen netto-boekwaarde, wat ten aanzien van de uitoefenprijs een meer of -minderwaarde oplevert (rekeningen 752-652 van het rekeningenstelsel). 

Niet-uitoefening van een optie 

Wanneer de optiehouder de optie niet uitoefent, heeft deze geen enkele waarde meer. Bijgevolg moet de boekwaarde van de verworven optie ten laste worden genomen (als financiële kost). 

In hoofde van de optieschrijver 

Algemene beschouwingen 

Zoals reeds werd aangestipt: 
 

  • gaat de optieschrijver een aan- of verkoopverbintenis aan die, afhankelijk van de beslissing van de optiehouder, al dan niet zal worden uitgevoerd; 
  • krijgt de optieschrijver als tegenprestatie voor deze verbintenis een prijs - een premie - die hij blijft behouden, ongeacht of de optie op de vervaldag wordt uitgeoefend of niet en hoe de koers van het onderliggende effect evolueert; 
  • loopt de optieschrijver een verliesrisico op grond van de koersevolutie van het onderliggende effect. Bij een call is het risico theoretisch gezien onbeperkt aangezien er geen absolute grens is voor koersstijgingen. Bij een put is het maximumrisico op grond van de koersevolutie van het onderliggende effect, gelijk aan de uitoefenprijs van de optie aangezien de koers van het onderliggende actief niet onder nul kan noteren; 
  • kan de optieschrijver, in tegenstelling tot de optiehouder die zijn optie en de eraan verbonden rechten kan overdragen, zich niet ontdoen van zijn verbintenis. Hij kan zijn positie slechts dekken door een dekkingsverrichting af te sluiten. 

Boekhoudkundige verwerking 

De verbintenis die de optieschrijver heeft aangegaan 

De aan- of verkoopverbintenis die de geschreven optie inhoudt, moet in elk geval worden opgenomen in de boekhouding van de onderneming. Deze verbintenis moet als volgt worden opgenomen onder de niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen: 

09 Houders van (call- / put-)opties op effecten    
  aan 09 ... Geschreven (call- / put-)optie    

Deze verbintenis wordt gewaardeerd tegen de uitoefenprijs van de optie. Zolang deze verbintenis bestaat (tot de vervaldag), blijft zij ten belope van deze waarde geboekt. Belangrijke verbintenissen moeten, met toepassing van het KB W.Venn. ,in de toelichting bij de jaarrekening worden vermeld. 

De premie die de optieschrijver ontvangt en incalculering van het risico 
    De premie die de optieschrijver ontvangt 

De premie die de optieschrijver ontvangt werd definitief geïnd, ongeacht of de optie op de vervaldag wordt uitgeoefend of niet. 

Zij vormt de tegenprestatie voor het door hem gelopen risico: de invloed van een - voor hem - ongunstige koersevolutie van het onderliggende effect, zonder voordeel te kunnen halen uit een - voor hem - gunstige koersevolutie van dit effect. 

Tussen dit risico, dat de optiekoers concreet beïnvloedt, en het bedrag van de ontvangen premie bestaat, zodra de optie is geschreven en de premie ontvangen, geen enkel verband. De koers van de optie kan, naar gelang van de marktevolutie, gelijk zijn aan of hoger of lager zijn dan het bedrag van de ontvangen premie. 

De Commissie meent in dit kader dat de ontvangen premie als een vergoeding dient te worden aanzien voor het risico dat de schrijver loopt gedurende de hele looptijd van de optie. De ontvangen premie is economisch gezien pas verdiend op het ogenblik dat de optie vervalt en wordt pas dan in resultaat genomen. De inresultaatneming van de premie wordt uitgesteld tot de vervaldag, door boeking op een overlopende rekening van het passief, bijvoorbeeld de daartoe gecreëerde rekening.498 Resultaten uit lopende geschreven opties.

550 Kredietinstellingen: Rekening-courant    
  aan 498 Resultaten uit lopende geschreven opties     

Een dergelijke verwerkingswijze voor de ontvangen premie is gebaseerd op het voorzichtigheidsbeginsel; het zou volgens de Commissie immers verkeerd zijn om de ontvangen premie als definitief en vaststaand resultaat te aanzien op het ogenblik van ontvangst.

    Incalculering van het risico 

Krachtens het beginsel van artikel 33 KB W.Venn. moet met het verliesrisico dat is verbonden aan de verbintenis die een geschreven optie inhoudt, in elk geval - en tenminste op balansdatum - rekening worden gehouden. Hiervoor moet een voorziening worden gevormd. Voornoemd artikel stelt dat "Er rekening moet worden gehouden met alle voorzienbare risico's, mogelijke verliezen en ontwaardingen, ontstaan tijdens het boekjaar waarop de jaarrekening betrekking heeft of tijdens voorgaande boekjaren ...". In artikel 54 KB W.Venn. wordt dit toegepast voor risico's: "voorzieningen moeten, onder meer, gevormd worden met het oog op: 

  1. (...) ; 
  2. (...) ; 
  3. de verlies- of kostenrisico's die voortvloeien uit (...) termijnposities of -overeenkomsten in deviezen, termijnposities of - overeenkomsten op goederen (...). “

Aangezien de in dit artikel opgesomde risico's duidelijk als voorbeeld dienen, geldt de verplichting om rekening te houden met alle op balansdatum bestaande risico's onbetwistbaar ook voor verliesrisico's die inherent zijn aan de geschreven opties. 

Voor opties die op een georganiseerde en liquide markt worden verhandeld is de optiekoers het meest geschikte criterium om het optierisico te waarderen. Dit is de door de markt geschatte waarde van het risico. Dit is tevens hoeveel de onderneming zou moeten uitgeven om het gelopen risico op een specifieke en nauwkeurige wijze te dekken. 

Het risico dat dan ook in aanmerking moet worden genomen is het positieve verschil tussen de optiekoers op balansdatum en het bedrag van de (via de overlopende rekening) uitgestelde premie. 

Bij de boekhoudkundige verwerking van het ingecalculeerde risico, ontstaat weliswaar volgend technisch probleem: de boeking van deze risico's in voorzieningsrekeningen zou tot gevolg hebben dat op het vlak van de voorstelling van de rekeningen, het risico waarvoor een voorziening werd gevormd op twee afzonderlijke rekeningen voorkomt, namelijk op de overlopende rekening enerzijds en op een rekening "Voorzieningen voor risico's en kosten" anderzijds. 

In aansluiting op haar visie inzake wisselrisico, is de Commissie van mening dat het aangewezen is om: 

a) het bedrag van de (via de overlopende rekening) uitgestelde premie alsook de netto bedragen (na aftrek van de terugnemingen) die aan de resultatenrekening worden onttrokken om extra risico's van grotere verliezen dan de ontvangen premie op te vangen, onder een zelfde overlopende rekening van het passief te boeken; 

6560

Voorzieningen met financieel karakter: toevoegingen

 

 

 

aan

498

Resultaten uit lopende geschreven opties 

 

 

b) met toepassing van het KB W.Venn., in de toelichting, in de staat met betrekking tot de "Overlopende rekeningen” aan de passiefzijde, het bedrag te vermelden van de uitgestelde en/of geprovisioneerde resultaten uit geschreven opties, uiteraard voor zover deze bedragen relevant zijn. 

Afwikkeling van de verrichting 

Bij de afwikkeling moeten de boekingen met betrekking tot de aangegane verbintenis worden tegengeboekt: 

  1. De premie wordt in resultaat genomen. 
    498 Resultaten uit lopende geschreven opties     
      aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa    
  2. De bedragen die als aanvulling in de overlopende rekening van het passief werden opgenomen, worden teruggenomen.
    498 Resultaten uit lopende geschreven opties     
      aan 6561 Voorzieningen met financieel karakter: bestedingen en terugnemingen (-)    

Oefent de houder de optie niet uit, is er buiten voornoemde boekingen geen verdere boeking meer nodig. 

Oefent de call-houder de optie wel uit, dan zal de optieschrijver - als hij blanco heeft gehandeld - de onderliggende effecten moeten kopen tegen de marktprijs en ze opnieuw afstaan tegen de uitoefenprijs. Meestal levert dit een minderwaarde op. 

Oefent de put-houder zijn optie uit, dan zal de optieschrijver - als hij blanco heeft gehandeld - de onderliggende effecten moeten kopen tegen een prijs die normaal gezien hoger zal zijn dan de marktprijs. Deze aankoop moet volgens de gewone regels worden geboekt tegen de aankoopprijs. Het verschil tussen de uitoefenprijs en de marktwaarde zal leiden tot een waardevermindering. 

De optieschrijver kan zich normaal gezien niet ontdoen van de verbintenissen die hij heeft aangegaan door de optie te schrijven. Hij kan echter wel een verrichting afsluiten om het risico te dekken, bij voorbeeld door een call of put met dezelfde kenmerken als de eerste te kopen (met name met dezelfde uitoefenprijs, dezelfde vervaldag en hetzelfde onderliggende effect). In dat geval komen we evenwel in een situatie terecht waar een dekkingsverrichting is afgesloten. Dergelijke verrichtingen worden besproken in deel I van het reeds aangehaalde CBN-advies 167/2 met betrekking tot dekkingsverrichtingen en gedekte posities in aandelen.  

Gevolgen wanneer er geen georganiseerde en liquide markt is 

Gezien de volatiliteit van optiekoersen is het van belang de nadruk te leggen op het voorzichtigheidsbeginsel bij de boekhoudkundige verwerking van verrichtingen: 

  • met betrekking tot waarden die op niet-liquide markten worden verhandeld (georganiseerde of hiermee gelijkgestelde markten die niet voldoen aan de twee criteria sub Deel 1, C. van dit advies; en
  • met betrekking tot niet-genoteerde waarden. 

Samenvatting 

Behalve wanneer het gaat om gedekte verrichtingen of dekkingsverrichtingen, of wanneer het gaat om opties die deel uitmaken van een reeks verrichtingen in tegengestelde zin op dezelfde onderliggende activa, worden aandelenopties boekhoudkundig als volgt verwerkt:

Gekochte call- en put-opties

  1. De gekochte call- en put-opties worden tegen aanschaffingswaarde in de boekhouding opgenomen in de post Geldbeleggingen. Op deze aanschaffingswaarde worden zo nodig waardeverminderingen toegepast om de netto boekwaarde van de gekochte opties terug te brengen tot de realisatiewaarde (marktkoers) (artikel 74 KB W.Venn.) of aanvullende waardeverminderingen toegepast om rekening te houden hetzij met de evolutie van de realisatie- of marktwaarde, hetzij met de risico's inherent aan de aard van de betrokken activa of van de gevoerde activiteit (artikel 75 KB W.Venn. Deze waardeverminderingen worden teruggenomen wanneer zij niet langer verantwoord zijn door de minderwaarden en risico's waarvoor zij werden geboekt.
  2. Indien de opties vóór vervaldatum worden verkocht, worden de meer- of minderwaarden, na tegenboeking van eventueel geboekte waardeverminderingen, onder de financiële resultaten opgenomen. 
  3. Bij niet-uitoefening van de optie op de vervaldag, wordt haar boekwaarde ten laste genomen als waardevermindering (op vlottende activa). 
  4. Bij de uitoefening van een call-optie, wordt de betaalde prijs voor de optie bij de uitoefenprijs gevoegd om de aanschaffingswaarde van de betrokken effecten te bepalen. Bij de uitoefening van een put-optie, verdwijnen zowel de optie als de gekochte effecten tegen netto-boekwaarde uit het vermogen en ontstaat ten opzichte van de uitoefenprijs een meer of -minderwaarde. 

Geschreven call-en put-opties

  1. Geschreven call- en put-opties worden tot hun vervaldag tegen uitoefenprijs geboekt op de rekeningen Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen
  2. De premie die wordt ontvangen als tegenprestatie voor het schrijven van de optie en de verwerking van het risico dat is verbonden aan de geschreven optie, wordt beschouwd als een uitgestelde opbrengst - tot de vervaldag van de optie - en wordt bijgevolg geboekt als "over te dragen opbrengst". Vervolgens is het aangewezen om, in een zelfde rekening de netto bedragen (na aftrek van de terugnemingen) te boeken die aan de resultatenrekening worden onttrokken om de risico's van grotere verliezen dan de ontvangen premie op te vangen. 
  3. Op de vervaldag, ongeacht of de optie wordt uitgeoefend of niet, wordt de ontvangen premie in resultaat genomen en wordt de boeking op de rekeningen Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen tegengeboekt. 
  4. Als de optie wordt uitgeoefend : 
  • call-optie: het verschil tussen de aanschaffingswaarde van de te leveren effecten en hun verkoopprijs bij uitoefening van de call is een financiële kost; 
  • put-optie: op de verworven effecten moet een waardevermindering worden geboekt ten belope van het verschil tussen hun aanschaffingswaarde bij uitoefening van de geschreven optie en hun marktwaarde. 

Bij een niet liquide-markt


Gezien de volatiliteit van de optiekoersen geldt het voorzichtigheidsbeginsel meer dan ooit. 


Dit advies vervangt advies 167/1.

 

  • 1. De uitoefenprijs kan op verschillende wijzen worden vastgesteld, namelijk:
    - zonder wijziging bij de afsluiting van het contract;
    - zonder wijziging bij de afsluiting van het contract maar verhoogd met een rente die afhankelijk is van de datum waarop de optie daadwerkelijk wordt uitgeoefend;
    - door verwijzing naar de geldende marktprijs op het ogenblik dat de optie wordt uitgeoefend waarbij, naar gelang van het geval, een aftrek wordt bedongen of een minimum- of maximumprijs wordt vastgesteld.
    In dit advies wordt nader ingegaan op de eerste berekeningswijze, waar de uitoefenprijs zonder wijziging wordt vastgesteld bij de afsluiting van het contract. De hiervoor geldende beginselen zijn evenwel mutatis mutandis van toepassing op de andere gevallen.
  • 2. Men onderscheidt:
    - een optie van het Europese type: de optiehouder kan zijn recht tot aan- of verkoop pas op een bepaalde datum uitoefenen: de vervaldag van de optie;
    - een optie van het Amerikaanse type: de optiehouder kan zijn recht uitoefenen gedurende een bepaalde tijd die ingaat zodra het optiecontract is afgesloten.
  • 3. Voor de bespreking van de kwalificatiecriteria van een optie, bedoeld als dekking voor een verrichting, wordt verwezen naar het advies 167/2 over de boekhoudkundige verwerking van dekkingsverrichtingen en van gedekte posities in aandelen (Bulletin CBN , nr. 29, november 1992, 2-21).
  • 4. Voor de verdere uitwerking van dit advies gaat de Commissie ervan uit dat het tegenpartijrisico van de koper ten opzichte van de schrijver van de optie niet aan de orde is.
  • 5. De boekhoudkundige verwerking van dekkingsverrichtingen en gedekte posities in aandelen wordt uiteengezet in CBN-advies 167/2 (Bulletin CBN , nr. 29, november 1992, 2-21).
  • 6. We verwijzen in dit kader naar het CBN-advies 2012/3 De boekhoudkundige verwerking van aandelenoptieplannen
  • 7. BS 6 oktober 1992, gewijzigd door het koninklijk besluit van 28 september 2008 (BS 3 oktober 2008).
  • 8. Aldus onderscheidt met drie mogelijke situaties:
    - een optie is "in the money" wanneer met de optie hetzij effecten kunnen worden gekocht tegen een uitoefenprijs beneden de "contantkoers" van het onderliggende effect hetzij het onderliggende effect kan worden verkocht tegen een uitoefenprijs boven de "contantkoers" van dit zelfde effect;
    - een optie is "at the money" wanneer de uitoefenprijs van een call of put gelijk is aan de "contantkoers" van het onderliggende effect;
    - een optie is "out of the money" wanneer de uitoefenprijs van een call hoger is dan de koers van het onderliggende effect of wanneer de uitoefenprijs van een put lager is dan de koers van het onderliggende effect.
  • 9. In deel I van het advies 167/2 over de boekhoudkundige verwerking van dekkingsverrichtingen en gedekte posities in aandelen worden deze begrippen verduidelijkt aan de hand van drie tabellen met voorbeelden van mogelijke koersevoluties van een call en een put (zie Bulletin CBN, nr. 29, november 1992, 2-21).
  • 10. De Commissie wenst in dit kader te verwijzen naar paragraaf II.a. van haar advies 2010/12 De toepassing van de algemene boekhoudprincipes op afgeleide financiële instrumenten: “Naar de mening van de Commissie is de toepassing van het overeenstemmingsprincipe op kosten en opbrengsten ondergeschikt aan het boekhoudkundig realisatiebeginsel. Het overeenstemmingsprincipe bepaalt immers dat geen opbrengsten mogen worden geboekt zonder tevens de kosten op te nemen die daaraan beantwoorden. Het realisatiebeginsel daarentegen wil dat opbrengsten pas worden geboekt wanneer ze zeker zijn, terwijl het voor de kosten volstaat dat ze slechts waarschijnlijk zijn. Het ontbreken van onzekerheid bij de boeking van een opbrengst verwijst naar het begrip realisatie.”