Boekhoudkundige verwerking van dekkingsverrichtingen en gedekte posities in aandelen (Err., Bull. CBN, nr. 30, februari 1993, p. 8)

Inleiding 

Het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 bepaalt dat als geldbelegging verworven effecten tegen aanschaffingswaarde in de balans moeten worden opgenomen1, na aftrek van de waardeverminderingen die zijn toegepast om rekening te houden met hun lagere realisatiewaarde op balansdatum2 en met de risico's bij realisatie3.

Met toepassing van artikel 33 van hetzelfde besluit wordt de aanschaffingswaarde van identieke effecten bepaald, hetzij door individualisering van de prijs van elk bestanddeel, hetzij volgens de methode van gewogen gemiddelde prijzen, volgens de methode "Fifo" of volgens de methode "Lifo".

Naar gelang van de gekozen methode gaat het om specifieke dan wel globale waardeverminderingen4.

Verder schrijft artikel 19 voor dat rekening moet worden gehouden met alle voorzienbare risico's die zijn ontstaan tijdens het boekjaar of tijdens voorgaande boekjaren en dat hiervoor voorzieningen moeten worden gevormd. Risicoposities op effecten ingevolge termijnverrichtingen in beleggingseffecten of ingevolge andere verrichtingen in dergelijke effecten worden weliswaar niet uitdrukkelijk vermeld in de voorbeelden van artikel 19, vijfde lid, maar het is onbetwistbaar dat de beginselen die ten grondslag liggen aan de vorming en terugneming van voorzieningen ook op dergelijke risico's slaan.

Het komt vaak voor dat een onderneming diverse transacties heeft gesloten in verschillende zin op een zelfde onderliggend actief. Zo bij voorbeeld : waarden in portefeuille5, bezit van op termijn gekochte of verkochte waarden, gekochte of geschreven call- of put-opties op die zelfde waarden.

In die context dient te worden bepaald :

  • of elk van deze verrichtingen afzonderlijk wordt beschouwd en dan ook afzonderlijk moet worden verwerkt volgens voornoemde voorschriften dan wel 
  • of het aangewezen is een verband te leggen tussen bepaalde of alle betrokken verrichtingen en situaties en, voor de toepassing van voornoemde voorschriften, die positie(s) in aanmerking nemen, die ten aanzien van het risico verkregen worden na relatering van deze verrichtingen en situaties

De Commissie meent dat de voorkeur moet gaan naar de tweede visie. Belangrijk in dit verband is te wijzen op het voorschrift van artikel 18, tweede lid van het K.B. van 8 oktober 1976, dat voorziet in een uitzondering op het beginsel van de afzonderlijke waardering van elk vermogensbestanddeel, "voor actief bestanddelen met volkomen identieke technische of juridische kenmerken". In dit geval mogen globale waardeverminderingen worden toegepast. 

Dit expliciete beginsel voor identieke actief bestanddelen kan evenwel volkomen logisch worden toegepast wanneer een zelfde bestanddeel in verschillende actiefposten van de jaarrekening en/of in de rekeningen Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen voorkomt. De voorwaarde is uiteraard dat deze diverse in de jaarrekening uitgedrukte relaties betrekking hebben op bestanddelen met volkomen identieke technische of juridische kenmerken.

Naast dit argument dat steunt op het beginsel van voornoemd artikel 18 van het KB van 8 oktober 1976 is er nog een andere vaststelling. Aangezien het hier gaat om verrichtingen in tegengestelde zin op een zelfde onderliggend actief, zal de waarde van deze tegoeden, rechten en verplichtingen grotendeels in tegengestelde zin evolueren, zelfs al verloopt deze evolutie in de ene en de andere zin niet volkomen gelijk. Op grond van het vereiste getrouwe beeld in verband met het vermogen en de resultaten moet het uitgedrukte resultaat rekening houden met het neutraliserend effect van deze diverse verrichtingen

In deze context weze eraan herinnerd dat de Commissie, in haar advies over de deviezenverrichtingen6 achtereenvolgens de afzonderlijk beschouwde verrichtingen heeft onderzocht, de specifieke dekkingsverrichtingen en het geval waarbij een onderneming een aantal verbintenissen heeft aangegaan die zijn uitgedrukt in een zelfde vreemde munt. Op dezelfde wijze heeft de Commissie in haar advies over termijnverrichtingen op handelsgoederen achtereenvolgens de blanco termijnverrichtingen onderzocht, de specifieke dekkingsverrichtingen en, ten slotte, de verrichtingen in groter aantal7.

Deel I : Reeksen van verrichtingen op eenzelfde onderliggend aandeel

Voor aandelen moet ook een onderscheid worden gemaakt tussen : 

  • enerzijds, als dekking bestemde verrichtingen, en
  • anderzijds, situaties waarin de onderneming verschillende verrichtingen in tegengestelde zin, zonder specifiek onderling verband heeft afgesloten.

Als dekking bestemde verrichtingen

In het kader van de internationale en buitenlandse regels alsook van de regeling voor de sector kredietinstellingen, verdient het aanbeveling dekkingsverrichtingen, overeenkomstig het voorzichtigheidsbeginsel, als bijzondere gevallen te beschouwen, waarvoor strenge criteria gelden enerzijds voor kwalificatie en anderzijds voor boekhoudkundige verwerking. De kwalificatiecriteria kunnen als volgt worden gegroepeerd : 

  • Aard van het gedekte bestanddeel : De onderliggende instrumenten van de dekkingsverrichting moeten identieke effecten zijn als deze ter dekking waarvan de dekkingsverrichting is gesloten. 
  • Er moet een reëel risico bestaan : Er moet daadwerkelijk sprake zijn van een prijsschommelingsrisico op het gedekte bestanddeel (of alle gedekte bestanddelen samen). 
  • Er moet een correlatie bestaan tussen de schommelingen van het gedekte bestanddeel en van het dekkingsinstrument : Voor gekochte call- en/of put-opties moet dit criterium afzonderlijk worden onderzocht. Diverse buitenlandse regels ter zake benadrukken dat er een nauwe correlatie moet bestaan tussen de waardeschommelingen van het gedekte bestanddeel en van het onderliggende bestanddeel. Zoals hierna zal blijken bestaat deze correlatie in bepaalde gevallen tussen de koersevolutie van het onderliggende bestanddeel en de evolutie van de intrinsieke waarde - dus niet van de optiekoers. Bijgevolg kunnen enkel in dit geval de intrinsieke waardeschommelingen van de optie worden bestemd als dekking voor de waardeschommelingen van het gedekte bestanddeel. 
  • De correlatie moet gedurende de hele looptijd van de dekkingsverrichting blijven bestaan 
  • De dekkingsverrichting moet van in het begin als dusdanig worden geïdentificeerd Bij de als dekking

bestemde verrichtingen moet een onderscheid worden gemaakt tussen deze die : 

  1. voor de toekomst elk risico en elk voordeel verbonden aan de latere evolutie van de marktwaarde van het betrokken effect, definitief opheffen; 
  2. de onderneming wapenen tegen de risico's van een ongunstige koersevolutie, waarbij zij evenwel 
    geheel of gedeeltelijk de voordelen van een gunstige koersevolutie behoudt. 

Eliminatie voor de toekomst van elk risico en elk voordeel verbonden aan de latere koersevolutie 

In dergelijke gedekte situaties : 

  • kent de onderneming het definitieve netto-resultaat van haar verrichting nog vóór zij afloopt : 
  • is de onderneming niet meer onderworpen aan het koersschommelingrisico op de beursmarkt maar verliet zij tegelijkertijd de kans om voordeel te halen uit een gunstige koersevolutie. 

 

  1. Dat is het geval wanneer een onderneming effecten in portefeuille bezit of vast op termijn heeft gekocht en contant of op termijn identieke effecten vast heeft verkocht.  

In dit geval is de dekking volkomen. Het enige overblijvende (en hier niet onderzochte) risico is dat van de wederpartij of van niet samenvallende vervaldagen; het risico verbonden aan een tijdsverschil is een report of deport-risico in de zin van een debet- of creditrentevoet. 

Daartegenover loopt de onderneming geen risico meer ten aanzien van de koersevolutie zomin voor de effecten in portefeuille of die zij op termijn heeft verworven, als voor de effecten die zij contant of op termijn heeft verkocht. 

In dergelijk geval van volkomen dekking : 

  • moet het resultaat uit het verschil tussen de aanschaffingswaarde (de boekwaarde) en de verkoopprijs van de overgedragen effecten als vast worden beschouwd zodra de dekking volkomen is, dit is, op het tijdstip van de overdracht van de voorheen gehouden of verworven 
  • effecten, dan wel op het tijdstip dat de effecten die vast worden verkocht, zijn verworven; hoeven er derhalve geen waardeverminderingen of voorzieningen meer te worden geboekt om rekening te houden met de koersevolutie sinds de afsluiting van de dekkingsverrichting. 

Voorbeeld : 

5 juli 1992 : een onderneming 

bezit 95 effecten E  verworven tegen 2.500 F
verkoopt op termijn  100 effecten E     4.610 F
koopt contant  5 effecten E    4.580 F

Op die datum is haar resultaat definitief gerealiseerd ten belope van : 

100 x 4.610 = 461.000 F 
95 x 2.500 = - 237.500 F 
5 x 4.580 = - 22.900 F 
  200.600 F 

b) Met dit eerste geval waarin elk risico en elk voordeel definitief zijn geëlimineerd, moet het geval worden gelijkgesteld waarin een onderneming één of meer effecten bezit, een call heeft geschreven en een put gekocht met een zelfde vervaldag en tegen dezelfde uitoefenprijs, die op een zelfde aantal onderliggende effecten slaan. De combinatie van een geschreven call en een gekochte put met een zelfde vervaldag en tegen dezelfde uitoefenprijs heeft inderdaad tot gevolg dat, ongeacht de koersevolutie, de overdracht plaats heeft door uitoefening van hetzij de call, hetzij de put, op die vervaldag en tegen de overeengekomen prijs. 

c. Met dergelijke situatie kan eveneens het geval worden gelijkgesteld waarin de onderneming via de koop van een optie het risico heeft gedekt dat verbonden is aan het schrijven van dezelfde optie die op dezelfde datum en tegen dezelfde prijs kan worden uitgeoefend. 
 

Voorbeeld

  • een call-optie die is gekocht als dekking van een geschreven call-optie; 

In dit geval wordt er van uitgegaan dat beide optie-houders tegenover het verschil tussen de uitoefenprijs en de koers dezelfde houding zullen aannemen (met andere woorden, de optie al dan niet uitoefenen). 

In een en ander geval sluit de verrichtingen met een verschil tussen de prijs van de geschreven optie en de prijs van de als dekking gekochte optie en zal dit resultaat vaststaan zodra de dekkingsverrichting is afgesloten. 

In deze gevallen moeten de gecombineerde resultaten van verbonden verrichtingen als zodanig in de rekeningen worden uitgedrukt zodra de dekking volkomen is. 

Dekkingsverrichtingen met opties die de onderneming beschermen tegen de ongunstig weerslag van een koersschommeling maar waarbij zij het voordeel van een gunstige koersevolutie geheel of ten dele behoudt 

Opties ter dekking van vaste rechten en verplichtingen (contant of op termijn

Dat is inzonderheid het geval indien de onderneming : 

  1. een put-optie heeft om zich te wapenen tegen een daling van het onderliggende effect in haar bezit of dat zij op termijn vast heeft gekocht; 
  2. een call-optie bezit om zich te dekken tegen een stijging van het onderliggende effect 
    dat zij op termijn vast heeft verkocht.

een call-optie bezit om zich te dekken tegen een stijging van het onderliggende effect 
dat zij op termijn vast heeft verkocht.

  • in het geval a), wanneer de uitoefenprijs hoger ligt dan de koers van het onderliggende effect op de vervaldag van de optie; 
  • in het geval b), wanneer de uitoefenprijs lager ligt dan de koers van het onderliggende effect op de vervaldag van de optie. 

Aangezien het niet zeker is dat de onderneming de optie zal uitoefenen, kan het kopen van een optie uiteraard niet worden beschouwd als een verrichting waarbij het onderliggende actief wordt gerealiseerd. 

Koopt zij daarentegen een optie, waarbij het verliesrisico op het onderliggende effect dus verdwijnt, dan hoeven voor het gedeelte van het risico dat effectief met de optie wordt gedekt, geen waardverminderingen te worden toegepast noch voorzieningen voor risico's gevormd. 

Een onderneming die bij voorbeeld een effect zou bezitten met als aanschaffingswaarde 1.000 en een put heeft gekocht met uitoefenprijs 950, is beschermd tegen de gevolgen van een koersdaling onder 950 maar niet tegen de gevolgen van een geringere koersdaling.  

Staat de koers aan het einde van het boekjaar op 960, dan moet een waardevermindering van 40 worden geboekt; staat de koers op 920, dan blijft de te boeken waardevermindering beperkt tot 50. 

In het tegenovergestelde geval van een onderneming die een effect vast tegen 1.000 zou hebben verkocht en zich zou "dekken" via een call met uitoefenprijs 1.020, zou deze onderneming pas in een (te provisioneren) risicopositie verkeren wanneer de koers aan het einde van het boekjaar hoger zou liggen dan 1.000; het risico zou dan evenwel beperkt blijven tot 20. 

Hieruit volgt dat, wanneer het effect in portefeuille, het op termijn gekochte of te leveren effect, met een optie is "gedekt", hierop geen waardevermindering wordt toegepast noch hiervoor een voorziening gevormd, inzover het risico door de optie is "gedekt".  

In de bovenstaande voorbeelden werd er uitgegaan van een vergelijking tussen de koers en de uitoefenprijs, zonder rekening te houden met de twee factoren die de waarde van de optiepremie bepalen, namelijk8 : 

  • enerzijds, een zogenoemde intrinsieke waarde, die overeenstemt met het positieve verschil9 tussen de dagkoers van het onderliggend effect en de uitoefenprijs van de optie; 
  • anderzijds, een zogenoemde "tijdswaarde", die overeenstemt met het speculatieve element van de optie. 

Hieruit vloeit voort dat de schommelingen van de optiekoers nooit integraal zullen overeenstemmen met de schommelingen van de koers van het onderliggende effect. 

De optie als zodanig is ook onderhevig aan het marktrisico. Voor zover zij een gedekte verrichting dan wel een dekkingsverrichting vormt, zal de daling van haar beurskoers, ten belope van de verwezenlijkte dekking, worden "gecompenseerd" door een gunstige evolutie van de koers van het gedekte bestanddeel. Ook in dit geval is het effectief de bedoeling het optierisico door de koersevolutie van het onderliggende effect te neutraliseren. 

Wanneer de optie niet is gekocht op dezelfde datum als waarop de gedekte verrichting wordt afgesloten, verkeert de onderneming in een risicopositie zolang de dekkingsverrichting niet is afgesloten en kan zij in die tijdsspanne inderdaad voordeel halen uit een gunstige koersevolutie dan wel het slachtoffer zijn van een ongunstige koersevolutie. Een dekkingsverrichting heeft immers pas uitwerking vanaf haar afsluitingsdatum. 

De vraag rijst ten belope van welke bedragen de dekking die wordt verwezenlijkt met de aankoop van de optie, op resultaatniveau de respectieve weerslag van de schommeling van de optie en van de schommeling van het onderliggend actief gaat neutraliseren. 

Als men de samenstelling van de optiekoers en het mechanisme van dekking via aankoop van een optie analyseert, lijkt het logisch om op resultaatniveau de koersdaling van hetzij de optie, hetzij het onderliggende bestanddeel te neutraliseren, ten belope van de schommeling van de intrinsieke waarde van de optie sedert de datum waarop de dekking is ingetreden. 

Minderwaarden van het onderliggende effect die zich vóór de dekkingsverrichting hebben voorgedaan en minderwaarden op de tijdswaarde die is begrepen in de schommeling van optiekoers, worden daarentegen niet geneutraliseerd.  

Dit wordt verduidelijkt aan de hand van volgende voorbeelden10 : 

Voorbeeld 1 : dekking van een termijnverkoop (baisse-positie) door aankoop van een call-optie

Op 20 september 1991 verkoopt een onderneming 100 Y-aandelen tegen de prijs van 128 frank per aandeel. Op 20 januari 1992 moeten deze aandelen worden geleverd. De onderneming bezit de effecten die zij moet leveren niet. Zij heeft op dat ogenblik een baisse-positie op deze 100 effecten.

Om haar positie te dekken koopt zij op 1 oktober 1991 een call-optie (vervalmaand januari 1992; vereffening op de derde vrijdag van de vervalmaand, dus op 20 januari 1992) tegen betaling van een premie van 5,30 frank per aandeel. De uitoefenprijs van de optie is 130 frank per aandeel.

Nadien evolueren de koers van het Y-aandeel, de koers van de optie en bijgevolg ook haar intrinsieke waarde en haar tijdswaarde als volgt : 

Noteringsdata Koers van de optie 
 
Koers van het aandeel  Intrinsieke waarde
 
Tijdswaarde
01/10/1991  5,3 126,4 0 5,3
10/10/1991  6,7  128,8  0 6,7 
20/10/1991 5,3  126,9  0 5,3 
01/11/1991  7,3  130  0 7,3 
02/11/1991  9,3  133,4  3,4  5,9 
10/11/1991  7,6  132,3  2,3  5,3 
20/11/1991  11,4  137,6  7,6  3,8 
01/12/1991  10,7  137 7 3,7 
10/12/1991  8 133,5  3,5  4,5 
20/12/1991  10,3  137,7  7,7  2,6 
31/12/1992  11,9  138,5  8,5  3,4  
05/01/1992  13,5  140,8  10,8  2,7 
10/01/1992  15,4  142,6  12,6  2,8 
15/01/1992  16 144,3  14,3  1,7 
19/01/1992  21,5  150,5  20,5  1
20/01/1992  20,5  150,5  20,5  0

Afhankelijk van de periode ziet het resultaat er als volgt uit: 

                      OPTIE                             
Potentiële resultaten Termijn-verkoop Intrinsieke waarde Tijds-waarde Totaal Totaal-resultaat
- Van 20.09.91
tot 1.10.91

100 x (128 - 126,4)


+ 160
     

+ 160
- Van 01.10.91
tot 01.11.91
         
100 x
(-130 +126,4)

- 360
       
100 x (0 - 0)         - 160
        + 200  
100 x (7,5 - 5,3)     + 200    
- Van 01.11.91
tot 31.12.91
         
100 x
(-138,5 - 130)

- 850
     
 
100 x (8,5 - 0)   +850     - 390
        + 460  
100 x (3,4 - 7,3)     - 390    
- Van 31.12.91
tot 20.01.91
         
100 x 
(- 150,5 + 138,5)

- 1.200
       
100 x (20,5 - 8,5)   + 1.200     - 340
        + 860  
100 x (0 - 3,4)     - 340    
Samengevoegde werkelijke resultaten          
Vóór de dekkingsverrichting + 160 - - - + 160
Sedert de dekkingsverrichting - 2.410 + 2.050 - 530 + 1.520 - 890
  - 2.250 + 2.050 - 530 + 1.520 - 730

Op resultaatniveau stelt men vast dat een volkomen neutralisatie slechts wordt bereikt 

  • tijdens de dekkingsperiode; 
  • ten belope van de evolutie van de intrinsieke waarde die in de optie is begrepen; en 
  • voor zover de uitoefenprijs, aangezien het om een call-optie gaat, lager ligt dan de koers van het onderliggende effect (m.a.w. zover zij "in the money" is). 

In het bovenstaande voorbeeld is de dekking volkomen ten belope van de intrinsieke waarde die in de optie is begrepen, vanaf het ogenblik waarop de optie "in the money", is, m.a.w. vanaf 1 november 1991, dus 

  • voor de periode van 01.11.91 tot 31.12.91 : 850 
    voor de periode van 01.01.92 tot 20.01.92 : 1.200 

Behalve deze gecompenseerde bedragen heeft de onderneming ook

  • voordeel gehaald uit de koersevolutie tijdens de periode vóór de dekkingsverrichting + 160 
  • het verschil gedragen tussen de koers van het onderliggende effect of afsluitingsdatum van de dekkingsverrichting en de uitoefenprijs - 360 
  • de kost gedragen voor de dekking - 530 
  • Totaal - 730 

Zonder dekking zou zij een verlies hebben geleden van 100 x [128 - 150,5] - 2.250

Verschil (gelijk aan het optie-resultaat) 1.520 

Schematisch zien de boekingen er als volgt uit :

 20.09.91

06. ... Debiteuren wegens op termijn verkochte effecten 12.800  
  aan 06. ... Op termijn verkochte effecten - Te leveren   12.800

01.10.91

51. ... Gekochte opties 530  
  aan 55. ... Kredietinstellingen   530

31.12.91

65... / 75... Financiële kosten / opbrengsten 200  
  aan 16 Voorzieningen voor op termijn verkochte effecten   200

31.12.91

651 Toevoeging aan waardeverminderingen op vlottende activa 190  
  aan 51. ..9

Geboekte waardeverminderingen op vlottende activa (waardevermindering op tijdswaarde)

  190

 

20.01.92    Uitoefening van de optie:

510 Aandelen - Aanschaffingswaarde 530  
  aan 51.. Gekochte opties   530
51...9 Waardeverminderingen op vlottende activa 190  
  aan 6511 Terugneming van waardeverminderingen op vlottende activa (waardevermindering op tijdswaarde)11   190
510 Aandelen - Aanschaffingswaarde 13.000  
  aan 55 Kredietinstellingen (aankoop van te leveren effecten)   13.000

Afwikkeling van de termijn verkoop

55... Kredietinstellingen 12.800  
16... Voorzieningen voor verlies op op termijn verkochte effecten 200  
65.../75... Financiële kosten / opbrengsten 530  
  aan 510 Aandelen - Aanschaffingswaarde   13.530
06. ... Op termijn verkochte effecten - te leveren 12.800  
  aan 06... Debiteuren wegens op termijn verkochte effecten   12.800

Voorbeeld 2 : variante van voorbeeld 1

Les opérations sont, au départ, les mêmes que dans l'exemple 1, mais l'évolution des cours est inverse.

Noteringsdata Koers van de optie Koers van het aandeel Intrinsieke waarde Tijdswaarde 
01/10/1991 5,3 133 3 2,3
01/11/1991 3,9 132 2 1,9
01/12/1991 1,3 130 - 1,3
31/12/1991 0,8 129 - 0,8
20/01/1991 - 126 - -

In dit voorbeeld evolueert bovendien de koers van het onderliggende effect parallel met de intrinsieke waarde zolang er een intrinsieke waarde is, dus tot 1 december 1991. De resultaten moeten dan ook dienovereenkomstig worden geneutraliseerd. 

Op 31 december 1991 verkeert de onderneming in een risicopositie van 100 (100 x [128 - 129]).

Op de vervaldag ligt de uitoefenprijs hoger dan de marktprijs, zodat de onderneming de optie niet zal uitoefenen maar de te leveren effecten tegen de dagkoers in de markt zal kopen. 

In dit tweede voorbeeld zien de boekingen12 er schematisch als volgt uit :

 20.09.91

06... Debiteuren wegens verkochte effecten 12.800  
  aan 06... Op termijn verkochte effecten te leveren   12.800

 01.10.91

51... Gekochte opties 530  
  aan 55... Kredietinstelligen   530

31.12.91

651... Waardeverminderingen op vlottende activa
(intrinsieke waarde)

300
 
  (tijdswaarde) 150  
  aan 51..9

Waardevermindering op gekochte opties

  450

31.12.91

65... /    
75... Financiële opbrengsten/kosten 100  
  aan 16 Voorzieningen voor verlies op
op termijn verkochte effecten
  100

- Aankoop van de te leveren effecten in de markt:

20.01.92

510... Aandelen - Aanschaffigswaarde 12.600  
  aan 55... Kredietinstellingen   12.600

20.01.92

651... Toevoeging aan waardeverminderingen op vlottende activa 80  
 

aan

51..9

Waardeverminderingen op vlottende

  80

20.01.92

51..9 Waardeverminderingen op vlottende activa 530  
  aan 51... Gekochte opties   530

- Afwikkeling van de termijnverkoop: 

20.01.92

55... Kredietinstellingen 12.800  
16... Voorzieningen voor verlies op op terminijn verkochte effecten 100  
65. ... /    
65.../75... Financiële kosten/ opbrengsten 230  
  aan 510... Aandelen - Aanschaffingswaarde   13.130

Voorbeeld 3 : aankoop van een put-optie (op een effect in portefeuille)

Op 1 december 1991 koopt een onderneming een put-optie om de verkoopprijs van een effect X met boekwaarde 120 en opgenomen onder de geldbeleggingen, te waarborgen. Optieprijs : 14; vervalmaand : januari 1992; vereffening op de derde vrijdag van de vervalmaand, d.i. op 20 januari 1992; uitoefenprijs per effect : 140

Noteringsdata Koers van de optie Koers van het aandeel Intrinsieke waarde Tijdswaarde
01/12/1991 14 126,4 13,6 0,4
31/12/1991 30 115 25 5
20/01/1991 30 110 30 0

Afhankelijk van de periode ziet het resultaat er als volgt uit 

                             Optie                   
Potentiële resultaten Effecten in de portefeuille Intrinsieke waarde Tijdswaarde Totaal Totaalresultaat uit de verrichting
- Op 01.12.91          
(126,4 - 120) + 6,4       + 6,4
- Van 02.12.91 tot 31.12.91          
(- 126,4 + 115) - 11,4       + 4,6
(- 13,6 + 25)   + 11,4   + 16  
(-0,4 + 5)     + 4,6    
- Van 01.01.92
tot 20.01.92
         
(- 115 + 110) - 5       - 5
(- 25 + 30)   + 5   0  
(- 5 + 0)     - 5    
Samengevoegde werkelijke resultaten          
Vóór de dekkingsverrichting + 6,4 - - - + 6,4
Sedert de dekkingsverrichting - 16,4 + 16,4 - 0,4 + 16 - 0,4
  - 10 + 16,4 - 0,4 + 16 + 6


Schematisch zien de boekingen er als volgt uit:

... 1990

510... Aandelen - Aanschaffingswaarde 120  
  aan 55... Kredietinstellingen   120

01.12.1991

51... Gekochte put-opties 14  
  aan 55... Kredietinstellingen   14

31.12.1991 Geen enkele waardevermindering (de minderwaarde op het effect in portefeuille wordt gecompenseerd door een meerwaarde op de intrinsieke waarde van de optie; de tijdswaarde bezit overigens een latente meerwaarde)

20.01.1992

55... Kredietinstellingen 140  
  aan 510... Aandelen - Aanschaffingswaarde   120
    752... Meerwaarden op de realisatie van vlottende activa   6
    51... Gekochte opties   14
Opties ter dekking van geschreven opties  

In deze context hoort ook de nodige aandacht te gaan naar de verrichtingen die zowel de risico's van een prijsschommeling alsook de voordelen van een gunstige koersevolutie, tot bepaalde bedragen13 beperken, zonder ze evenwel op het heffen.

Dat kan inzonderheid het geval zijn voor een onderneming die werkt met een combinatie van call-en put-opties op hetzelfde onderliggende effect met dezelfde vervaldag, die evenwel tegen verschillende prijzen kunnen worden uitgeoefend ("spread").

Voorbeeld

Aankoop van een call met uitoefenprijs 115 tegen betaling van een premie van 8 en het schrijven van een call met uitoefenprijs 125 met een premie van 3. 

Het eindresultaat zal gelegen zijn tussen : 

  • een maximumverlies van 5 (- 8 + 3), namelijk het verschil tussen de betaalde en de ontvangen premie (indien de koers van het onderliggende effect op vervaldag lager is dan 115)14 
  • en een maximumwinst van 5 (125 - 115 - 5). Indien de koers van het onderliggend bestanddeel op vervaldag hoger is dan 125, zal elke winst door uitoefening van de gekochte optie verloren gaan door uitoefening (door de tegenpartij) van de optie geschreven tegen een hoger uitoefenprijs. 

In deze gevallen wordt voor de (geschreven) optie die met een gekochte optie wordt gedekt, geen voorziening gevormd vanaf het ogenblik waarop het risico door de optie is "gedekt". In tegenstelling met het beginsel van punt 1.2.1. worden op resultaatniveau door de dekking via de aankoop van de optie de koersdalingen, hetzij van de gedekte optie hetzij van de optie die als dekking dient, geneutraliseerd ten belope van de stijging van de marktwaarde van de andere optie sinds de datum waarop de dekking is ingetreden.

Reeksen van situaties en verrichtingen in tegengestelde zin op een zelfde onderliggend actief, buiten de dekkingsverrichtingen waarvan sprake sub 1  

Buiten de dekkingsverrichtingen als bedoeld sub 1, waarop hierboven nader is ingegaan, kan het voorkomen dat een onderneming diverse verrichtingen in tegengestelde zin op een zelfde onderliggende waarde heeft afgesloten. 

Dergelijke situatie kan voortvloeien uit hetzij de afsluiting van verrichtingen zonder onderling verband op het tijdstip dat zij worden afgesloten, hetzij uit ingewikkelde combinaties van verrichtingen die niet beantwoorden aan de voorwaarden om te kunnen worden beschouwd als dekkingsverrichtingen. 

Als voorbeeld van dit soort verrichtingen in groter aantal op een zelfde onderliggend actief, kunnen worden vermeld :  

  • een reeks verrichtingen, zoals het bezit van 100 aandelen X in portefeuille, de aankoop van een call-optie op 50 andere aandelen alsook het achteraf schrijven van een call-optie op 125 aandelen X die uitoefenbaar is op een andere datum dan de uitoefendatum van de eerste optie; 
  • de positie die is gevormd door het schrijven van een call-optie en van een put-optie met dezelfde vervaldag en dezelfde uitoefenprijs. Deze combinatie (short straddle) kan verantwoord zijn indien de onderneming verwacht dat de markt van het onderliggende actief nauwelijks gaat evolueren en voordeel wil halen uit de ontvangen premies. 

In deze gevallen rees de vraag : 

  • of moet worden beschouwd dat elk van deze verrichtingen tot een afzonderlijke situatie leidt en als een afzonderlijke verrichting moet worden verwerkt, dan wel 
  • of ervan moet worden uitgegaan dat al deze verrichtingen samen leiden tot een totaalpositie op het onderliggende actief, ingevolge de samenvoeging van alle lopende situaties - met een verschillend teken - op een zelfde onderliggende waarde, tot een geheel, waarop dan ook de waarderingsregels van toepassing zijn. 

De Commissie meent dat, in een dergelijke situatie, bij de vaststelling van de minderwaarden of de te boeken dan wel terug te nemen voorzieningen, rekening moet worden gehouden met de minderwaarde dan wel met het te provisioneren potentiële verlies dat voortvloeit uit het geheel van verrichtingen op een zelfde waarde. . 

In dit geval en aangezien het (totale) resultaat niet aan welbepaalde posten kan worden toegerekend, verdient het aanbeveling de inresultaatneming van het negatieve saldo en de latere aanpassingen ervan te laten verlopen via toevoeging aan en aanpassing van een rekening voor voorzieningen. 

De beginselen die zijn vooropgezet in het kader van punt twee van het eerste gedeelte van dit advies gelden bij voorbeeld ook voor : 

  • combinaties van verrichtingen op een zelfde onderliggende waarde, maar met een verschillende vervaldatum. Een voorbeeld van dit soort combinaties zou kunnen bestaan uit de aan- en verkoop van twee opties met dezelfde uitoefenprijs maar met een verschillende vervaldag (de call zou kunnen vervallen vóór of na de vervaldatum van de put); 
  • combinaties van call- en put-aankopen (met verschillende uitoefenprijs maar dezelfde vervaldata). Deze laatste soort combinaties beantwoorden niet aan de criteria om te kunnen worden bestempeld als dekkingsverrichting, aangezien de onderneming met de aankoop van deze opties geen risico loopt op ongunstige prijsschommelingen. Bovendien bestaat niet in alle mogelijke gevallen de zekerheid van een correlatie tussen de schommelingen van de bestanddelen van een dergelijke combinatie. 

Meer in het algemeen is de vraag gerezen of het niet beter was de zaken te vereenvoudigen en te stellen dat alle verrichtingen, ook de dekkingsverrichtingen, volgens de algemene benadering van dit gedeelte moeten worden verwerkt. 

Deze methode is weliswaar minder nauwkeurig en minder verantwoord op het vlak van de methode en de financiële analyse. Toch meent de Commissie dat, om redenen van vereenvoudiging, deze globale benadering niet mag uitgesloten worden voor het geheel van hun verrichtingen die betrekking hebben op eenzelfde onderliggend actiefbestanddeel, voornamelijk voor ondernemingen waarvoor deze verrichtingen niet courant zijn en waarmee geen grote bedragen gemoeid zijn. 

Gevolgen wanneer er geen georganiseerde en liquide markt bestaat

Reeksen van verrichtingen als bedoeld in dit advies - op bepaalde verrichtingen in het kader van dergelijke reeksen - die onderhands of op een niet-liquide markt15 worden afgesloten, vergen op grond van het voorzichtigheidsbeginsel een bijzondere benadering. 

Bij reeksen van verrichtingen in tegengestelde zin wordt voor de verrekening van meer- met minderwaarden zoals uiteengezet in dit advies ervan uitgegaan dat er een georganiseerde en liquide markt bestaat waarop niet-gerealiseerde meerwaarden zonder weerslag op de koers in gerealiseerde meerwaarden kunnen worden omgezet. Wanneer de criteria voor de beoordeling van een georganiseerde en liquide markt niet worden nageleefd, moet er voor elke verrichting dus van worden uitgegaan dat zij een afzonderlijke positie doet ontstaan die dan ook afzonderlijk moet worden verwerkt volgens de terzake algemeen aanvaarde regels : 

  • op grond van het voorzichtigheidsbeginsel moet een latent verlies voor het volledige bedrag in resultaat worden genomen (naargelang van het geval, via voorzieningen of waardeverminderingen); 
  • daarentegen mag een latente winst in een lopende verrichting niet in resultaat worden genomen tijdens het boekjaar (de boekjaren) die haar afwikkeling voorafgaat (voorafgaan). 

In de toelichting te vermelden gegevens over optiecontracten

De toelichting bij de jaarrekening moet in overeenstemming met artikel 14 van het jaarrekeningsbesluit van 8 oktober 1976 zijn opgesteld, zodat hierin een passend beeld moet worden gegeven van de uitstaande optiecontracten, inzover hiermee relevante bedragen zijn gemoeid. Tevens moeten de waarderingsregels het nodige inzicht verschaffen in de boekhoudkundige verwerking van de uitstaande contracten en de resultaten uit de verrichtingen.

Deel IV: Samenvatting

§ 1. Voor verschillende verrichtingen in tegengestelde zin op een zelfde aandeel gelden de volgende regels :

1° Als dekking bestemde verrichtingen : 

  1. Wanneer verbonden verrichtingen voor de toekomst elk risico en elk voordeel verbonden aan de latere evolutie van de marktwaarde van het betrokken effect definitief opheffen, is het resultaat van de verbonden verrichtingen definitief verworven en wordt het in resultaat genomen vanaf het ogenblik dat de dekking is verworven. 
  2. Wanneer verbonden verrichtingen - en meer bepaald gekochte opties - de onderneming wapenen tegen de risico's van een ongunstige koersevolutie, waarbij zij evenwel geheel of gedeeltelijk de voordelen van een gunstige koersevolutie behoudt, worden 
  • bij dekking van vaste rechten en verplichtingen, contant of op termijn : de meer- en minderwaarden op de gedekte verrichting en op de dekkingsverrichting gecompenseerd ten belope van de schommelingen van de intrinsieke waarde van de optie sedert de datum waarop de dekking is ingetreden; 
  • bij dekking van geschreven opties : de koersdalingen van hetzij de gedekte optie, hetzij de als dekking bestemde optie geneutraliseerd ten belope van de stijging van de marktwaarde van de ander optie sedert de datum waarop de dekking is ingetreden. 

2° Diverse situaties en verrichtingen in tegengestelde zin, buiten de dekkingsverrichtingen waarvan sprake sub 1°  

In dit geval rees de vraag of moet gesteld dat elk van deze verrichtingen tot een afzonderlijke situatie leidt en als een afzonderlijke verrichting moet worden verwerkt, dan wel of ervan moet worden uitgegaan dat al deze verrichtingen samen leiden tot een totaalpositie op het onderliggende actief en dat de waarderingsregels dan ook op dit geheel van toepassing zijn.

De Commissie meent dat, in een dergelijke situatie, bij de vaststelling van de waardeverminderingen en de te boeken dan wel terug te nemen voorzieningen, rekening moet worden gehouden met de minderwaarde en/of met het te provisioneren verlies dat voortvloeit uit alle verrichtingen op een zelfde waarde.

§ 2. De Commissie heeft geen bezwaar dat dekkingsverrichtingen in ondernemingen waarvoor deze verrichtingen niet courant zijn en waarmee geen grote bedragen zijn gemoeid, om redenen van vereenvoudiging, op de in het 2° bedoelde wijze worden verwerkt. 

§ 3. Het voorzichtigheidsbeginsel geldt meer dan ooit voor reeksen van verrichtingen in voornoemde zin -of voor bepaalde verrichtingen in het kader van dergelijke reeksen - die onderhands of op een niet-liquide markt worden afgesloten. In die gevallen moet er voor elke verrichting van worden uitgegaan dat zij een afzonderlijke positie doet ontstaan die dan ook afzonderlijk moet worden verwerkt volgens de ter zake algemeen aanvaarde regels. 

  • 1. Art. 20.
  • 2. Art. 31, tweede lid.
  • 3. Art. 31, derde lid.
  • 4. Art. 18, tweede lid.
  • 5. De precieze draagwijdte van de adviezen 167/1 en 167/2, wordt uiteengezet in punt 3 van deel 1 van advies 167/1 (zie Bulletin C.B.N. nr. 28) over de boekhoudkundige verwerking van aandelenopties (als zodanig).
  • 6. Advies 152/1, Bulletin C.B.N. nr. 20, december 1987.
  • 7. Advies 134/4, Bulletin CBN nr. 22, juni 1988, pp. 8-13.
  • 8. Zoals duidelijk is uiteengezet in het advies 167/1 over de boekhoudkundige verwerking van aandelenopties (als zodanig) (Bulletin C.B.N. nr. 28).
  • 9. De intrinsieke waarde kan weliswaar op 0 vallen maar per definitie nooit negatief worden. Zie terzake punt 4 van deel I van hetzelfde advies).
  • 10. De eventuele kosten van de in dit advies belichte verrichtingen evenals de eventuele waarborgsommen die op bepaalde georganiseerde markten worden gevraagd, worden buiten beschouwing gelaten. Vanzelfsprekend moet met deze kosten en waarborgsommen rekening worden gehouden en moeten zij op passende wijze in de boekhouding worden verwerkt.
  • 11. Volgens de eerste methode van punt 1.3.2.1 van advies 167/1 (Bull. CBN nr. 28) over de boekhoudkundige verwerking van aandelenopties (als zodanig).
  • 12. Volgens de eerste methode van punt 1.3.2.1 van advies 167/1 (Bull. CBN nr. 28) over de boekhoudkundige verwerking van aandelenopties (als zodanig).
  • 13. Namelijk bij "maximumverlies", het verschil tussen de ontvangen premies en de betaalde premies in het kader van deze verrichting.
  • 14. Deze verrichting zal "break-even" zijn, indien de koers van het onderliggende bestanddeel 120 is (115 + 5).
  • 15. De criteria om uit te maken of een markt liquide is, worden toegelicht sub punt 3 van deel 1 van advies 167/1 over de boekhoudkundige verwerking van aandelenopties (als zodanig) (Bull. CBN nr. 28).