COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2021/10 – Boekhoudkundige verwerking van fusies tussen vennootschappen 

Advies van 12 mei 20211

  1. Inleiding
  2. Algemene principes
    1. Definitie van de fusie door overneming
    2. Toepassing van het boekhoudkundig continuïteitsprincipe
      1. In hoofde van de overnemende vennootschap
      2. In hoofde van de vennootschappen die aandeelhouder zijn van de overgenomen vennootschap
    3. Vaststelling van de ruilverhouding
    4. Toepassing
  3. Uitzonderingen op het boekhoudkundig continuïteitsprincipe
    1. Overnemende en overgenomen vennootschap houden geen aandelen van elkaar. Er wordt geen opleg in geld toegekend. De overgenomen vennootschap bezit geen eigen aandelen. De verhoging van het kapitaal of van de inbreng van de overnemende vennootschap brengt een aanpassing teweeg (toepassing van artikelen 3:56, § 1 en 3:77, § 2 KB WVV).
      1. A neemt B over met behoud van de nominale waarde van de aandelen A
      2. B neemt A over met behoud van de nominale waarde van de aandelen B 
    2. Overnemende en overgenomen vennootschap houden geen aandelen van elkaar. Er wordt geen opleg in geld toegekend. De overgenomen vennootschap bezit eigen aandelen (toepassing van artikel 3:77, § 1 KB WVV) 
    3. Overnemende en overgenomen vennootschap houden geen aandelen van elkaar. De overgenomen vennootschap bezit geen eigen aandelen. Er wordt een opleg in geld toegekend (toepassing van artikel 3:77, § 3 KB WVV) 
    4. Overnemende vennootschap bezit aandelen van de overgenomen vennootschap. Er wordt geen opleg in geld toegekend. De overgenomen vennootschap bezit geen eigen aandelen (toepassing van artikel 3:77, § 4 KB WVV)
      1.     De boekwaarde van de aandelen in de overgenomen vennootschap stemt overeen met het deel dat deze aandelen vertegenwoordigen in het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap 
        1. Aanrekening op de beschikbare reserves van B die worden overgedragen in het kader van de fusie en wedersamenstelling van het saldo van de vrijgestelde reserves in hoofde van A
        2. Proportionele overname van de belastingvrije reserves en de beschikbare reserves in het kader van de fusie en wedersamenstelling van het saldo van de vrijgestelde reserves in hoofde van A
      2. De boekwaarde van de aandelen in de overgenomen vennootschap stemt niet overeen met het aandeel in haar eigen vermogen (artikel 3:77, § 5 KB WVV)
        1. De boekwaarde van de aandelen in de boekhouding van de overnemende vennootschap is groter dan het overeenstemmende aandeel in het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap (artikel 3:77, § 5, a) KB WVV) 
        2. De boekwaarde van de aandelen in de boekhouding van de overnemende vennootschap is kleiner dan het overeenstemmende aandeel in het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap (artikel 3:77, § 5, b) KB WVV) 
      3. Kapitaalsubsidies en herwaarderingsmeerwaarden 
        1. Kapitaalsubsidies 
        2. Herwaarderingsmeerwaarden 
        3. Wedersamenstelling van het boekhoudkundig verdwenen gedeelte van de kapitaalsubsidies en herwaarderingsmeerwaarden 
    5. Overgenomen vennootschap bezit aandelen van de overnemende vennootschap. Er wordt geen opleg in geld toegekend. De overgenomen vennootschap bezit geen eigen aandelen 

Inleiding

Naar aanleiding van de aanneming van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna: WVV), wenst de Commissie voor boekhoudkundige normen haar adviezen inzake fusies bij te werken om zo rekening te houden met, enerzijds, de schrapping van het kapitaalbegrip bij de coöperatieve en besloten vennootschappen en, anderzijds, de invoering van een regeling voor fusies van verenigingen en stichtingen gebaseerd op de regeling die toepasbaar is op vennootschappen.

Het toepassingsgebied van onderhavig advies is beperkt tot fusies tussen vennootschappen met rechtspersoonlijkheid die onder het Belgisch recht vallen. Dit advies zal later worden aangevuld met adviezen betreffende grensoverschrijdende fusies, fusies tussen verenigingen en stichtingen alsook andere reorganisatievormen2.

Bovendien wordt enkel de fusie door overneming behandeld aangezien deze fusievorm zowel vennootschapsrechtelijk als boekhoudrechtelijk als voorbeeld dient voor de andere fusievormen.

In onderhavig advies wordt er eerst een definitie gegeven van fusies door overneming en wordt het continuïteitsprincipe toegelicht dat van toepassing is op fusies. De belangrijkste uitzonderingen op het continuïteitsprincipe worden vervolgens toegelicht aan de hand van een reeks voorbeelden.

Onderhavig advies vervangt CBN-advies 2009/6 – De boekhoudkundige verwerking van fusies.

Algemene principes

Definitie van de fusie door overneming

In vennootschapsrechtelijk opzicht wordt een fusie door overneming gedefinieerd door de overdracht van het gehele vermogen, zowel de rechten als de verplichtingen, van één of meerdere vennootschappen (hierna: ’de overgenomen vennootschap(pen)’) aan een andere bestaande vennootschap (hierna: ’de overnemende vennootschap’) ten gevolge van een ontbinding zonder vereffening, waarbij de aandeelhouders of vennoten3 van de overgenomen vennootschap(pen) aandelen in de overnemende vennootschap ontvangen en, in voorkomend geval, ook een opleg in geld4

Wanneer de overnemende vennootschap een kapitaalhoudende vennootschap is, mag het bedrag van deze opleg niet meer bedragen dan een tiende van de nominale waarde of, bij gebrek hieraan, van de fractiewaarde van de toegekende aandelen5. De memorie van toelichting van de wet tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen bepaalt dat de fractiewaarde van elk aandeel van een vennootschap kan worden berekend door het kapitaal van de vennootschap te delen door het aantal bestaande aandelen. Bij verwijzing naar de definitie van de rubriek Kapitaal  zoals bepaald in artikel 3:89, § 2, I, 1° van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna: KB WVV), stemt de teller van de breuk overeen met: “het bedrag van het kapitaal, bestaande uit het deel van het kapitaal dat werd gevormd door (a) de inbreng vanwege de aandeelhouders in het kapitaal; (b) in voorkomend geval de omzetting van uitgiftepremies; en (c) in voorkomend geval de omzetting van geboekte herwaarderingsmeerwaarden of van reserves; indien niet terugbetaald of verminderd via een kapitaalvermindering”.

In de veronderstelling dat de overnemende vennootschap een kapitaalloze vennootschap is, wordt de fractiewaarde gelijkgesteld met “de inbrengwaarde, zoals die blijkt uit de jaarrekening, van alle door de vennoten of aandeelhouders toegezegde inbrengen in geld of in natura, met uitzondering van de inbrengen in nijverheid, in voorkomend geval verhoogd met de reserves die op grond van een statutaire bepaling slechts aan de vennoten of aandeelhouders kunnen worden uitgekeerd met een statutenwijziging, dit alles gedeeld door het aantal aandelen6.

Net zoals bij de berekening van de fractiewaarde van elk aandeel bij een kapitaalhoudende vennootschap, wordt de inbreng (ongeacht of deze werd volgestort) in rekening genomen. De inbreng die eventueel werd terugbetaald naar aanleiding van een uitkering heeft daarentegen geen impact op de teller van bovenvermelde breuk7.

Hetzelfde geldt voor de moeilijk te waarderen inbreng in nijverheid. De uitsluiting hiervan uit de breuk vloeit voort uit de keuze van de wetgever om doorheen het gehele wetsontwerp aan de inbreng in nijverheid geen eigenvermogenswaarde toe te kennen8.

De reserves waar in artikel 12:2, tweede lid WVV naar wordt verwezen, zijn samengesteld uit het gedeelte van het eigen vermogen dat de waarde overschrijdt van de oorspronkelijke inbreng die op vrijwillige basis statutair onbeschikbaar gemaakt is. De opname ervan beantwoordt aan de noodzaak om, voor zover mogelijk, ongelijke behandeling tegen te gaan tussen kapitaalhoudende vennootschappen die hun kapitaal kunnen verhogen door incorporatie van reserves en kapitaalloze vennootschappen waarvoor de wet geen onbeschikbaarheidsvereiste voor eigen aandelen en financiële steunverlening meer oplegt buiten de onbeschikbare reserves9. De eigen aandelen, alsook de wettelijke reserve van de oude BVBA’s die bij de wijziging in een BV is omgezet in onbeschikbare reserves, spelen geen rol in de fractiewaarde.

De teller van de breuk stemt bijgevolg overeen met de definitie van de rubriek ‘Inbreng’ zoals bepaald in artikel 3:89, § 2, I, 2° KB WVV voor BV’s en CV’s, behalve dat de reserves zoals bepaald in voormeld artikel waarop de aandeelhouders in geval van uittreding of uitsluiting geen recht hebben, niet in aanmerking worden genomen10. Zo heeft de wetgever gelijkwaardigheid met het begrip ‘fractiewaarde’ weten te creëren.

Aangezien deze definitie van Inbreng enkel betrekking heeft op BV’s en CV’s, en niet op de CommV en de VOF, is de Commissie van oordeel dat het voor de gevallen waarin de verkrijgende vennootschap de rechtsvorm aanneemt van een CommV of een VOF, aangewezen is om de samenstellende delen van de Inbreng zoals vermeld in artikel 3:89, § 2, I, 3° KB WVV, te nemen als basis voor de berekening. Met ‘samenstellende delen’ wordt het volgende bedoeld: “het vennootschapsvermogen dat bestaat uit het bedongen bedrag van de in de vennootschap ingebrachte of nog in te brengen waarden, in voorkomend geval zoals statutair vastgelegd”.

De overnemende vennootschap wordt geacht de rechtspersoonlijkheid van de overgenomen vennootschap verder te zetten.

Bovendien wordt in het WVV met fusie door overneming gelijkgesteld, de rechtshandeling waarbij het gehele vermogen van één of meer vennootschappen, zowel de rechten als de verplichtingen, als gevolg van ontbinding zonder vereffening overgaat op een andere vennootschap, wanneer al hun aandelen en andere stemrechtverlenende effecten in handen zijn hetzij van die andere vennootschap, hetzij van tussenpersonen van die vennootschap, of van die tussenpersonen én van die vennootschap11,12. In dit geval wordt geen enkel nieuw aandeel uitgegeven. Dergelijke verrichting wordt aangemerkt als ‘geruisloze fusie’ of ‘vereenvoudigde fusie’.

Toepassing van het boekhoudkundig continuïteitsprincipe

Indien de fusie voldoet aan de definitie gegeven in artikel 12:2 WVV, is het continuïteitsprincipe dat fusieverrichtingen in vennootschapsrechtelijk opzicht kenmerkt, van toepassing op de boekhoudkundige verwerking van de verrichting zonder mogelijkheid van keuze zowel in hoofde van de overnemende vennootschap als in hoofde van de vennootschappen die aandeelhouder zijn van de overgenomen vennootschap(pen)13,14.

In hoofde van de overnemende vennootschap

Over het algemeen worden de actief- en passiefbestanddelen van de overgenomen vennootschap, inclusief de verschillende bestanddelen van het eigen vermogen, de afschrijvingen, waardeverminderingen en gevormde voorzieningen, de rechten en verplichtingen alsook de opbrengsten en kosten van het boekjaar, in de boekhouding van de overnemende vennootschap opgenomen tegen de waarde waarvoor zij voorkwamen op het tijdstip waarop de fusie boekhoudkundig wordt voltrokken15. De waardecorrecties kunnen door de overgenomen vennootschap worden doorgevoerd vóór of na de datum waarop de fusie boekhoudkundig van kracht wordt, mits er voldaan is aan de bepalingen van het gemeen boekhoudrecht. Voor zover de afschrijvingen, de waardeverminderingen of de herwaarderingsmeerwaarden die in hoofde van de overgenomen vennootschap(pen) reeds werden geboekt op bepaalde activa, eveneens worden overgedragen, worden deze actiefbestanddelen niet uitsluitend opgenomen ten belope van hun netto boekwaarde. 

Deze aanpak sluit aan bij het door het vennootschapsrecht gedefinieerde kader: zodra de bestanddelen die het vermogen uitmaken van de overgenomen vennootschap(pen) niet worden gerealiseerd, moet er worden afgeweken van de waardering van de goederen die werden ingebracht tegen aanschaffingswaarde.

Bij de overdracht van de bestanddelen van het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap(pen), moet er nagegaan worden of de vennootschappen die aan de fusie deelnemen al dan niet over een kapitaal beschikken.

Indien een fusie door overneming plaatsvindt tussen twee kapitaalhoudende of twee kapitaalloze vennootschappen, worden de verschillende posten van het eigen vermogen (kapitaal/inbreng, herwaarderingsmeerwaarden, reserves, overgedragen resultaat en kapitaalsubsidies) bij elkaar opgeteld.

Wanneer een kapitaalloze vennootschap een kapitaalhoudende vennootschap overneemt, worden het kapitaal en de wettelijke reserve van de kapitaalhoudende vennootschap omgezet in beschikbare of onbeschikbare inbreng16 terwijl de rubrieken die volgen gewoon worden opgeteld.

Wanneer een kapitaalhoudende vennootschap daarentegen een kapitaalloze vennootschap overneemt, wordt de inbreng van deze kapitaalloze vennootschap niet noodzakelijk omgezet in kapitaal. De inbreng kan eveneens worden opgenomen op de balans onder de rubriek Andere bij de inbreng buiten kapitaal. In de akte van fusie moet er dus worden bepaald naar welke balanspost de inbreng van de overgenomen vennootschap moet worden overgedragen.

Bovendien is het boekhoudkundig continuïteitsbeginsel onderworpen aan een bepaald aantal uitzonderingen, voornamelijk wat betreft de overdracht van eigen vermogen. De uitzonderingen worden opgenomen in artikel 3:77 KB WVV en hebben betrekking op volgende situaties: het vervallen van de eigen aandelen van de overgenomen vennootschap alsook van de onbeschikbare reserve voor eigen aandelen, de verhoging van het kapitaal of van de inbreng van de overnemende vennootschap wanneer hun bestuursorgaan de nominale waarde of fractiewaarde van de aandelen van deze vennootschap wenst te behouden, de betaling van een opleg in geld bovenop de aandelenruil of de verwerking van het fusieverschil in het geval van een verrichting moeder-dochtervennootschap.

Behoudens wat is opgenomen in het laatste voorbeeld (infra, titel III, punt D), kan er dus gesteld worden dat de fusie die in boekhoudkundige continuïteit werd voltrokken, geen boekhoudkundig resultaat oplevert.

Artikel 3:56, § 1 KB WVV bepaalt dat de overgedragen elementen in hoofde van de overnemende vennootschap moeten worden geboekt tegen de waarde waarvoor zij voorkwamen op het tijdstip waarop de fusie boekhoudkundig wordt voltrokken. Het betreft de datum vanaf wanneer de handelingen van de overgenomen vennootschap boekhoudkundig worden geacht te zijn verricht voor rekening van de overnemende vennootschap. Deze datum, beter bekend als de datum waarop de fusie boekhoudkundig van kracht wordt of ‘scharnierdatum’, moet worden opgenomen in het fusievoorstel (artikel 12:24, tweede lid, 5° WVV). Sedert de inwerkingtreding van het WVV mag deze datum niet eerder mag worden geplaatst dan op de eerste dag na de afsluiting van het boekjaar waarvoor de jaarrekening reeds werd goedgekeurd van de bij de verrichting betrokken vennootschappen (artikel 12:24, tweede lid, 5°, in fine WVV). De laatste jaarrekening van de overgenomen vennootschap die het fusietijdstip voorafgaat, bevat de verrichtingen van de periode begrepen tussen de datum van de laatste jaarafsluiting en de datum van de boekhoudkundige retroactiviteit zoals hiervoor bedoeld, terwijl de verrichtingen van de overgenomen vennootschap die betrekking hebben op de periode van boekhoudkundige retroactiviteit, opgenomen worden in de jaarrekening van de overnemende vennootschap.

In hoofde van de vennootschappen die aandeelhouder zijn van de overgenomen vennootschap

Het boekhoudkundig continuïteitsprincipe is eveneens van toepassing in hoofde van de vennootschap(pen) die aandeelhouder is (zijn) van de overgenomen vennootschap(pen) aangezien de aandelen van de overnemende vennootschap verworven in ruil voor de aandelen die zij aanhield in de overgenomen vennootschap(pen), op het moment van de fusie in haar boekhouding worden opgenomen tegen de waarde waarvoor de aandelen van de overgenomen vennootschap(pen) op dit tijdstip in de boekhouding voorkwamen17.

Vaststelling van de ruilverhouding

Wanneer bijgevolg de ruilwaarden op grond waarvan de ruilverhouding tussen de aandelen van de overgenomen en die van de overnemende vennootschap wordt vastgesteld, niet overeenstemmen met de boekwaarden - zoals meestal het geval zal zijn -, zullen die ruilwaarden boekhoudkundig niet tot uitdrukking worden gebracht. 

Het voorgaande houdt verband met de onderscheiden aard van het waarderingsgebeuren en de boekhoudkundige verwerking. 

Enerzijds is het duidelijk dat de waardeverhoudingen tussen de vennootschappen vóór fusie, de verhoudingen in de aandeelhouderskring na fusie bepalen. Daartoe moet worden gezocht naar een billijke ruilverhouding tussen de nieuwe aandelen van de overnemende onderneming en de bestaande aandelen van de overgenomen onderneming, wat kan uitgedrukt worden in volgende formule: 

formule

Anderzijds moet het fusieproces worden verwerkt in een continuïteitsoptiek met naleving van de boekhoudprincipes. Deze laatste zorg verklaart waarom de fusieregeling ernaar streeft zoveel mogelijk te vermijden dat: 

  • de eigenvermogensbestanddelen van de overgenomen vennootschap in kapitaal of in inbreng zouden omgezet worden, wat samen met de waardecorrecties op activa en passiva zou leiden tot een gewijzigd beeld van de rendabiliteit; 
  • de richting van de fusie bepalend zou zijn voor haar boekhoudkundige verwerking. 

Toepassing

Voorbeeld 1: De overnemende en overgenomen vennootschap houden geen aandelen van elkaar. Er wordt geen opleg in geld toegekend. De overgenomen vennootschap bezit geen eigen aandelen. De aandelen van de deelnemende vennootschappen hebben geen nominale waarde. Er werd niet besloten om de fractiewaarde per aandeel van de overnemende vennootschap te behouden.

De balansen18 van de deelnemende vennootschappen vóór de fusie worden als volgt weergegeven:

Balans A
Vaste activa 3.080 Inbreng/Kapitaal19 1.800
Vlottende activa 1.610 Reserves 1.670
      3.470
    Voorzieningen 400
    Schulden 820
  4.690   4.690
Balans B
Vaste activa 12.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vlottende activa 5.720 Reserves 8.900
       12.900
    Voorzieningen 1.680
    Schulden 3.800
  18.380   18.380

Hierna worden de gegevens opgenomen m.b.t. het aantal aandelen, de ruilwaarde en de ruilwaarde per aandeel van elke vennootschap:

  A B
Aantal aandelen 1.200 2.000
Overeengekomen ruilwaarde van de vennootschap 3.750 12.500
Ruilwaarde per aandeel 3.750 /1.200 = 3,125 12.500/2.000 = 6,250

 
Indien geen enkele van de door artikel 3:77 KB WVV beoogde situaties van toepassing is, is de boekhoudkundige verwerking van de verrichting uitsluitend onderworpen aan de bepalingen van artikel 3:56, § 1 KB WVV. Alle actief- en passiefbestanddelen van de overgenomen vennootschap, met inbegrip van de bestanddelen van het eigen vermogen, worden opgeteld bij die van de overnemende vennootschap. Bijgevolg kan er worden opgemerkt dat de fusie door overneming van B door A boekhoudkundig tot hetzelfde resultaat leidt als de fusie door overneming van A door B.

Balans A + B of B + A
Vaste activa   Inbreng/Kapitaal  
3.080 + 12.660 = 15.740 1.800 + 4.000 = 5.800
Vlottende activa   Reserves  
1.610 + 5.720 = 7.330 1.670 + 8.900 = 10.570
      16.370
    Voorzieningen  
    400 + 1.680 = 2.080
    Schulden  
    820 + 3.800 = 4.620
  23.070   23.070

De richting van de fusie heeft echter gevolgen voor de ruilverhouding:

  • indien vennootschap A vennootschap B overneemt, worden er 2.000 aandelen B geruild tegen 4.000 nieuwe aandelen A. Er wordt met andere woorden gebruik gemaakt van een ruilverhouding waarmee 1 aandeel B geruild wordt tegen 2 nieuwe aandelen A;
  • indien vennootschap B vennootschap A overneemt, worden er 1.200 aandelen A geruild tegen 600 nieuwe aandelen B. Er wordt met andere woorden gebruik gemaakt van een ruilverhouding waarmee 2 aandelen A worden geruild tegen 1 nieuw aandeel B.

Voor kapitaalhoudende vennootschappen heeft het samenvoegen van het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap met dat van de overnemende vennootschap tot gevolg dat, rekening houdend met de toegepaste ruilverhouding, de fractiewaarde van de aandelen van de overnemende onderneming door de fusie gewijzigd zal worden in de ene of de andere richting. Zodoende kan er worden opgemerkt dat, indien A de overnemende vennootschap is, de uitgifte van nieuwe aandelen plaatsvindt onder de fractiewaarde (4.000/4.000 = 1 per nieuw aandeel tegen 1.800/1.200 = 1,5 per bestaand aandeel)20. Indien het verslag van het bestuursorgaan m.b.t. de vermogenstoestand van de deelnemende vennootschappen en het verslag van de commissaris of bedrijfsrevisor overeenkomstig artikel 12:25, eerste lid en 12:26, § 1 WVV werden opgesteld, zijn artikelen 5:121, 5:133, 6:110, 7:179 en 7:197 WVV alsook de rapporteringverplichtingen die hierin zijn opgenomen, al naargelang het geval, niet van toepassing op een overnemende vennootschap die een besloten vennootschap, coöperatieve vennootschap, naamloze vennootschap, Europese vennootschap of Europese coöperatieve vennootschap is.

Indien A B overneemt en 80 % van de aandelen van B vóór de fusie werden geboekt in hoofde van de aandeelhouder, vennootschap D, aan 3.500, worden de aandelen van B in de boekhouding van D tegen dezelfde waarde geruild voor aandelen van A. De ruil vindt plaats via volgende boeking:

Deelneming A 3.500  
aan Deelneming B     3.500

Uitzonderingen op het boekhoudkundig continuïteitsprincipe

Overnemende en overgenomen vennootschap houden geen aandelen van elkaar. Er wordt geen opleg in geld toegekend. De overgenomen vennootschap bezit geen eigen aandelen. De verhoging van het kapitaal of van de inbreng van de overnemende vennootschap brengt een aanpassing teweeg (toepassing van artikelen 3:56, § 1 en 3:77, § 2 KB WVV).

De verhoging van het kapitaal of van de inbreng van de overnemende vennootschap leidt tot een aanpassing wanneer:

  1. het kapitaal van de overnemende vennootschap volledig of gedeeltelijk vertegenwoordigd wordt door aandelen met nominale waarde (deze voorwaarde heeft enkel betrekking op kapitaalhoudende vennootschappen21);
  2. het bestuursorgaan of de aandeelhouders de fractiewaarde van de aandelen wenst / wensen te behouden (deze voorwaarde heeft betrekking op zowel kapitaalhoudende als kapitaalloze vennootschappen).

Bij de in punt a) toegelichte voorwaarde zal de nominale waarde niet worden beïnvloed door de fusie. De nominale waarde van een nieuw aandeel zal dan per definitie overeenstemmen met de nominale waarde van een bestaand aandeel van de overnemende vennootschap. 

Bij de in punt b) toegelichte voorwaarde worden de aandelen van de overnemende vennootschap die werden uitgegeven in ruil voor de aandelen van de overgenomen vennootschap, vóór de fusie uitgegeven tegen fractiewaarde of tegen een equivalent hiervan.

In beide gevallen staat het bedrag waarmee het kapitaal of de inbreng van de overnemende vennootschap wordt verhoogd, niet noodzakelijk in verband met het kapitaal of de inbreng van de overgenomen vennootschap. Het is immers de ruilverhouding die het aantal nieuw uit te geven aandelen bepaalt. Bij een kapitaalhoudende vennootschap zal de kapitaalverhoging gelijk zijn aan de uitkomst van de ruilverhouding vermenigvuldigd met de nominale waarde van de uitgegeven aandelen of met de fractiewaarde per aandeel van de overnemende vennootschap. Bij een kapitaalloze vennootschap stemt de kapitaalverhoging overeen met de uitkomst van de ruilverhouding vermenigvuldigd met het equivalent van de fractiewaarde. 

In dergelijke gevallen zijn de volgende correcties noodzakelijk (toepassing van artikel 3:77, § 2 KB WVV): 

  • is het bedrag waarmee het kapitaal of de inbreng van de overnemende vennootschap wordt verhoogd, groter dan het kapitaal of de inbreng van de overgenomen vennootschap, dan wordt het verschil onttrokken aan de andere eigenvermogensbestanddelen volgens de regels vastgesteld door de algemene vergadering die tot fusie besluit; 
  • in het tegenovergestelde geval wordt het verschil geboekt als uitgiftepremie of als inbreng. 

Voorbeeld 2 : de gegevens van voorbeeld 1 worden hernomen. Vennootschappen A en B zijn NV’s.

Balans A
Vaste activa 3.080 Inbreng/Kapitaal 1.800
Vlottende activa 1.610 Reserves 1.670
      3.470
    Voorzieningen 400
    Schulden 820
  4.690   4.690

Aantal aandelen A: 1.200, waarvan de nominale waarde 1,5 bedraagt 

Balans B
Vaste activa 12.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vlottende activa 5.720 Reserves 8.900
       12.900
    Voorzieningen 1.680
    Schulden 3.800
  18.380   18.380

Aantal aandelen B: 2.000, waarvan de nominale waarde 2 bedraagt 

Ruilverhouding: 2 A = 1 B 

A neemt B over met behoud van de nominale waarde van de aandelen A

2 A = 1 B => creatie van 2.000 x 2 = 4.000 nieuwe aandelen A met nominale waarde 1,5 

Het kapitaal van A wordt dus verhoogd met 4.000 x 1,5 = 6.000 d.i. 2.000 meer dan het kapitaal van B. Dit verschil wordt onttrokken aan de reserves van B, op de wijze beslist door de algemene vergadering die tot fusie besluit. 

Balans A + B
Vaste activa   Kapitaal  
3.080 + 12.660 = 15.740 1.800 + 4.000 + 2.000 = 7.800
Vlottende activa   Reserves  
1.610 + 5.720 = 7.330 1.670 + 8.900 - 2.000 = 8.570
      16.370
    Voorzieningen  
    400 + 1.680 = 2.080
    Schulden  
    820 + 3.800 = 4.620
  23.070   23.070

B neemt A over met behoud van de nominale waarde van de aandelen B 

2 A = 1 B => creatie van 1.200 x 1/2 = 600 nieuwe aandelen B waarvan de nominale waarde 2 bedraagt

Het kapitaal van B wordt dus verhoogd met 600 x 2 = 1.200 d.i. 600 minder dan het kapitaal van A. Dit verschil wordt geboekt als uitgiftepremie. 

Balans B + A
Vaste activa   Kapitaal  
3.080 + 12.660 = 15.740 4.000 + 1.800 - 600 = 5.200
Vlottende activa   Uitgiftepremie + 600 = 600
1.610 + 5.720 = 7.330 Reserves  
    8.900 + 1.670 = 10.570
      16.370
    Voorzieningen  
    1.680 + 400 = 2.080
    Schulden  
    3.800 + 820 = 4.620
  23.070   23.070

Overnemende en overgenomen vennootschap houden geen aandelen van elkaar. Er wordt geen opleg in geld toegekend. De overgenomen vennootschap bezit eigen aandelen (toepassing van artikel 3:77, § 1 KB WVV) 

Artikel 12:34, § 2, 2° WVV bepaalt dat er geen aandelen van de overnemende vennootschap kunnen worden omgewisseld voor aandelen van de overgenomen vennootschap die worden gehouden door de overgenomen vennootschap zelf. 

Bijgevolg verdwijnen bij fusie de eigen aandelen gehouden door de overgenomen vennootschap22 en wordt haar eigen vermogen verminderd ten belope van de boekwaarde van deze aandelen. 

Werd bij inkoop een onbeschikbare reserve voor eigen aandelen gevormd, dan wordt de eigenvermogensvermindering toegerekend aan deze reserve. Werd met overtreding van artikelen 5:148, § 2, eerste lid en 7:217, § 2 WVV geen onbeschikbare reserve gevormd, dan moet de in artikelen 5:148, § 2, tweede lid en 7:219, § 3 WVV bepaalde toerekening worden gevolgd: eerst worden de beschikbare reserves verminderd en, bij gebrek aan dergelijke reserves, de andere bestanddelen van het eigen vermogen. 

Voorbeeld 3 : zelfde gegevens als in voorbeeld 1, met als verschil dat B 10 % eigen aandelen bezit met een boekwaarde van 1.300. A, waarvan de aandelen geen nominale waarde hebben, neemt B over. 

Balans A
Vaste activa 3.080 Inbreng/Kapitaal 1.800
Vlottende activa 1.610 Reserves 1.670
      3.470
    Voorzieningen 400
    Schulden 820
  4.690   4.690
Balans B
Vaste activa 12.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vlottende activa 4.420 Onbeschikbare reserves voor eigen aandelen 1.300
Eigen aandelen 1.300 Beschikbare reserves 7.600 
       12.900
    Voorzieningen 1.680
    Schulden 3.800
  18.380   18.380
Balans A + B
Vaste activa   Inbreng/kapitaal  
3.080 + 12.660 = 15.740 1.800 + 4.000 = 5.800
Vlottende activa   Reserves  
1.610 + 4.420 = 6.030 1.670 + 7.600 + 1.300 - 1.300 = 9.270
      15.070
Eigen aandelen   Voorzieningen  
1.300 - 1.300 = 0 400 + 1.680 = 2.080
    Schulden  
    820 + 3.800 = 4.620
  21.770   21.770

Overnemende en overgenomen vennootschap houden geen aandelen van elkaar. De overgenomen vennootschap bezit geen eigen aandelen. Er wordt een opleg in geld toegekend (toepassing van artikel 3:77, § 3 KB WVV) 

Artikel 12:2 WVV stelt dat een opleg in geld kan worden toegekend die niet meer mag bedragen dan een tiende van de nominale of, bij gebreke van nominale waarde, van de fractiewaarde van de toegekende aandelen. 

Boekhoudkundig wordt de toegekende opleg geacht onttrokken te zijn aan het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap. Deze onttrekking gebeurt op de wijze vastgesteld door de algemene vergadering die tot fusie besluit en kan slechts betrekking hebben op voor uitkering vatbare bedragen. Is er geen beslissing van de algemene vergadering, dan gebeurt de onttrekking, in volgorde, aan de overgedragen winst, de beschikbare reserves en de overige reserves die volgens de wet en/of de statuten kunnen uitgekeerd worden. 

Voorbeeld 4: zelfde gegevens als in voorbeeld 1. A neemt B over maar geeft 3.904 nieuwe aandelen uit en kent een opleg in geld toe van 300. 

Balans A
Vaste activa 3.080 Inbreng/Kapitaal 1.800
Vlottende activa 1.610 Reserves 1.670
      3.470
    Voorzieningen 400
    Schulden 820
  4.690   4.690
Balans B
Vaste activa 12.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vlottende activa 5.720 Reserves 8.900
       12.900
    Voorzieningen 1.680
    Schulden 3.800
  18.380   18.380
Balans A + B
Vaste activa   Inbreng/kapitaal  
3.080 + 12.660 = 15.740 1.800 + 4.000 = 5.800
Vlottende activa   Reserves  
1.610 + 5.720 - 300 = 7.030 1.670 + 8.900 - 300 = 10.270
      16.070
    Voorzieningen  
    400 + 1.680 = 2.080
    Schulden  
    820 + 3.800 = 4.620
  22.770   22.770

In hoofde van de aandeelhouders van de overgenomen vennootschap moet de opleg afgetrokken worden van de boekwaarde, en bij voorrang van de aanschaffingswaarde, van de aandelen van de overgenomen vennootschap, inzover die opleg werd onttrokken aan het kapitaal, aan de uitgiftepremie van de overgenomen vennootschap of, in voorkomend geval, aan de inbreng. In de overige gevallen wordt dat bedrag in resultaat genomen. In bovenstaand voorbeeld wordt de opleg van 300 in opbrengsten opgenomen23.

Overnemende vennootschap bezit aandelen van de overgenomen vennootschap. Er wordt geen opleg in geld toegekend. De overgenomen vennootschap bezit geen eigen aandelen (toepassing van artikel 3:77, § 4 KB WVV)

Artikel 12:34, § 2, 1° WVV bepaalt dat er geen aandelen van de overnemende vennootschap kunnen worden toegekend in ruil voor aandelen van de overgenomen vennootschap die gehouden worden door de overnemende vennootschap. 

De overnemende vennootschap wordt niet vergoed voor de aandelen die zij bezit in de overgenomen vennootschap. Bijgevolg worden voor haar aandelenpercentage in de overgenomen vennootschap geen nieuwe aandelen gecreëerd. 

Deze regeling heeft tot gevolg dat alle actief- en passiefbestanddelen van de overgenomen vennootschap worden opgenomen in de boekhouding van de overnemende vennootschap tegen de waarde waarvoor zij in de boekhouding van de overgenomen vennootschap voorkwamen, met dien verstande evenwel dat de verschillende bestanddelen van het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap slechts worden opgenomen ten belope van de fractie die overeenstemt met de aandelen van de overgenomen vennootschap die omgewisseld werden tegen aandelen van de overnemende vennootschap. Tegelijk wordt de boekwaarde van de deelneming verrekend met de fractie die zij vertegenwoordigt in het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap. Anders gezegd verdwijnen de bestanddelen van het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap ten belope van het aandelenpercentage van de overnemende in de overgenomen vennootschap.

Wordt er een verschil vastgesteld tussen de boekwaarde van de aandelen in de overgenomen vennootschap en het overeenstemmende gedeelte in haar eigen vermogen, dan wordt dit verwerkt volgens zijn aard of oorsprong. 

Hierna worden een aantal bijzondere aspecten van deze regeling toegelicht. 

    De boekwaarde van de aandelen in de overgenomen vennootschap stemt overeen met het deel dat deze aandelen vertegenwoordigen in het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap 

Het spreekt voor zich dat deze situatie zich in de praktijk vrijwel nooit zal voordoen. Deze situatie wordt dan ook voornamelijk om didactische redenen aan de hand van onderstaand voorbeeld uitgewerkt. 

Voorbeeld 5: Zelfde gegevens als in voorbeeld 1, maar A bezit 20 % van de aandelen van B, waarvan de boekwaarde overeenstemt met het aandeel in het eigen vermogen van B (20 % x 12.900 = 2.580). A neemt B over. 

Balans A
Vaste activa 500 Inbreng/Kapitaal 1.800
Deelneming B (20 %)  2.580 Reserves 1.670
Vlottende activa 1.610   3.470
    Voorzieningen 400
    Schulden 820
  4.690   4.690

Aantal aandelen A: 1.200

Balans B
Vaste activa 12.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vlottende activa 5.720 Reserves 8.900
       12.900
    Voorzieningen 1.680
    Schulden 3.800
  18.380   18.380

Aantal aandelen B: 2.000

Ruilverhouding: 2 A = 1 B

A neemt B over en zou dus 2.000 x 2 = 4.000 nieuwe aandelen moeten creëren indien vennootschap A geen aandelen in vennootschap B zou bezitten.

Aangezien er overeenkomstig artikel 12:34, § 2, 1° WVV geen aandelen worden toegekend in ruil voor de aandelen die vennootschap A in vennootschap B bezit, creëert A slechts 3.200 (80% van 4.000) nieuwe aandelen die toegekend worden in de verhouding 2 A = 1 B.

Het aandeel in het eigen vermogen van B dat overeenstemt met het aandelenpercentage van A in B (20 % x 12.900) wordt verrekend met de boekwaarde van de deelneming van A in B. Dit heeft tot gevolg dat de verschillende bestanddelen van het eigen vermogen van B in principe slechts worden opgenomen ten belope van het aandelenpercentage dat niet in bezit is van A (toepassing van artikel 3:77, § 4 KB WVV). 

Balans A + B
Vaste activa   Inbreng/kapitaal  
500 + 12.660 = 13.160 1.800 + 4.000 x 80 % = 5.000
Deelneming B (20 %)   Reserves  
2.580 – (4.000 + 8.900) x 20% = 0 1.670 + 8.900 x 80% = 8.790
Vlottende activa     13.790
1.610 + 5.720 = 7.330 Voorzieningen  
    400 + 1.680 = 2.080
    Schulden  
    820 + 3.800 = 4.620
  20.490   20.490

Nochtans moet rekening worden gehouden met: 

  • de eventuele toepassing van artikel 3:77, § 2 KB WVV (zie hoger, voorbeeld 2) bij aandelen met een nominale waarde; 
  • de eventueel gewijzigde samenstelling en fiscale kwalificatie van het eigenvermogensbestanddelen van de overgenomen vennootschap (artikel 3:56, § 4 KB WVV) 

Er wordt opgemerkt dat er vanuit fiscaal oogpunt geen vermindering van het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap mag plaatsvinden op de volgende vrijgestelde reserves: vrijgestelde herwaarderingsmeerwaarden, inbrengmeerwaarden, vrijgestelde waardeverminderingen en voorzieningen en gespreid te belasten gerealiseerde meerwaarden overeenkomstig artikel 47 van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 (hierna: WIB 92)24. Bijgevolg neemt de overnemende vennootschap, thans in de regel, de vrijgestelde reserves integraal over, zodat de belastingheffing op het normalerwijze boekhoudkundig verdwenen gedeelte van de vrijgestelde reserves achterwege blijft25

Daarom kan er vanuit boekhoudkundig standpunt afgeweken worden van een proportionele integratie van de verschillende bestanddelen van de reserves om aldus in hoofde van de overnemende vennootschap de belastingvrije reserves te kunnen wedersamenstellen die overeenstemmen met voormelde vrijgestelde reserves van de overgenomen vennootschap. 

Voorbeeld 6: zelfde gegevens als in voorbeeld 5, maar B heeft 8.000 beschikbare reserves en 900 belastingvrije reserves. Er wordt verondersteld dat er volledige overeenstemming is tussen enerzijds de beschikbare reserves en de belaste reserves en anderzijds tussen de belastingvrije reserves en de vrijgestelde reserves.

Balans A
Vaste activa 500 Inbreng/Kapitaal 1.800
Deelneming B (20 %)  2.580 Beschikbare reserves 1.670
Vlottende activa 1.610   3.470
    Voorzieningen 400
    Schulden 820
  4.690   4.690
Balans B
Vaste activa 12.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vlottende activa 5.720 Belastingvrije reserves 900
    Beschikbare reserves 8.000
       12.900
    Voorzieningen 1.680
    Schulden 3.800
  18.380   18.380

Indien vennootschap A vennootschap B overneemt, zou elk eigenvermogensbestanddeel van B slechts overgenomen worden ten belope van 80 %. 

Om te vermijden dat de belastingvrije reserves zouden verdwijnen, mag de vermindering van de (boekhoudkundige) reserves gedurende de fusie bij voorrang worden toegerekend aan andere dan de belastingvrije reserves die boekhoudkundig overeenstemmen met de beschikbare reserves. 

In dit voorbeeld zullen de 900 belastingvrije reserves van B volledig worden overgenomen en zal de globale vermindering toegerekend worden aan de beschikbare reserves die na de fusie 7.890 zullen bedragen. 

Balans A + B
Vaste activa   Inbreng/kapitaal  
500 + 12.660 = 13.160 1.800 + 4.000 x 80 % = 5.000
Deelneming B   Belastingvrije reserves  
2.580 – (4.000 + 900 + 8.000) x 20% = 0 0 + (900 x 80%) + 180 =     900
Vlottende activa   Beschikbare reserves  
1.610 + 5.720 = 7.330 1.670 + (8.000 x 80%) - 180 = 7.890
      13.790
    Voorzieningen  
    400 + 1.680 = 2.080
    Schulden  
    820 + 3.800 = 4.620
  20.490   20.490

In dit voorbeeld volstaan de andere dan de belastingvrije reserves om de wedersamenstelling van de belastingvrije reserves mogelijk te maken. In de praktijk zal dit echter niet altijd het geval zijn. 

Voorbeeld 7: B beschikt over beschikbare en belastingvrije reserves voor een bedrag van 1.000. A heeft 80 % van B in bezit, waardoor de deelneming van A 4.800 bedraagt. Het bedrag van de reserves van A is hetzelfde als dat in voorbeeld 6. Dit bedrag wordt uitsluitend samengesteld uit belastingvrije reserves, niet meer uit beschikbare reserves. De andere gegevens werden gewijzigd opdat het evenwicht tussen actief en passief zou worden behouden. 

Balans A
Vaste activa 500 Inbreng/Kapitaal 1.800
Deelneming B (80 %)  4.800 Belastingvrije reserves 1.670
Vlottende activa 1.610   3.470
    Voorzieningen 1.540
    Schulden 1.900
  6.910   6.910
Balans B
Vaste activa 6.760 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vlottende activa 4.720 Belastingvrije reserves 1.000
    Beschikbare reserves 1.000
       6.000
    Voorzieningen 1.680
    Schulden 3.800
  11.480   11.480

Indien vennootschap A vennootschap B overneemt, zou elk eigenvermogensbestanddeel van B slechts overgenomen worden ten belope van 20 %, inclusief de belastingvrije reserves. 

In dit voorbeeld zal het bedrag van de beschikbare reserves na fusie gelijk zijn aan het bedrag van de beschikbare reserves van de deelnemende vennootschappen, namelijk 200 (= 0 + (20 % x 1.000)), wat geen garantie is voor de wedersamenstelling van de belastingvrije reserves van B die tijdens de fusie werden vernietigd (= 800). De vrijgestelde reserves die definitief verloren zijn gegaan zouden met andere woorden moeten worden belast.

Dit probleem kan op twee verschillende methodes benaderd worden.

Aanrekening op de beschikbare reserves van B die worden overgedragen in het kader van de fusie en wedersamenstelling van het saldo van de vrijgestelde reserves in hoofde van A

In eerste instantie kunnen de belastingvrije reserves gedeeltelijk worden wedersamengesteld door aanrekening op de overgenomen beschikbare reserves naar aanleiding van de fusie (en ten belope van het bedrag van deze reserves, namelijk 200). Dit geeft het volgende: 

Belastingvrije reserves:                                200 + 200 = 400

Beschikbare reserves:                                  200 – 200 = 0

In tweede instantie kan het deel van de belastingvrije reserves dat na de fusieverrichting nog niet is wedersamengesteld, na de fusie wel worden wedersamengesteld via debitering van de resultatenrekening op de volgende manier:

689 Overboeking naar de belastingvrije reserves 600  
  aan 132 Belastingvrije reserves   600

De balans na fusie wordt dan als volgt opgemaakt:

Balans A + B
Vaste activa   Inbreng/kapitaal  
500 + 6.760 = 7.260 1.800 + 4.000 x 20 % = 2.600
Deelneming B   Belastingvrije reserves  
4.800 – (4.000 + 1.000 + 1.000) x 80 % = 0 1.670 + (1.000 x 20 %) + 200 + 600 =     2.670
Vlottende activa   Beschikbare reserves  
1.610 + 4.720 = 6.330 0 + (1.000 x 20 %) - 200 = 0
    Overgedragen verlies <600>
      4.670
    Voorzieningen  
    1.540 + 1.680 = 3.220
    Schulden  
    1.900 + 3.800 = 5.700
  13.590   13.590

Om te vermijden dat de overboeking naar de belastingvrije reserves tot een kunstmatig boekhoudkundig verlies zou leiden, zal A het saldo van de vrijgestelde reserves ook kunnen wedersamenstellen door in haar boekhouding subrekeningen van rekening 10 Kapitaal te creëren, de ene voor de in het kapitaal geïncorporeerde vrijgestelde reserve en de andere voor de in het kapitaal geïncorporeerde negatieve belaste reserve. Voor kapitaalloze vennootschappen kunnen de subrekeningen ‘In de inbreng geïncorporeerde vrijgestelde reserve’ en ‘In de inbreng geïncorporeerde negatieve belaste reserve’ gecreëerd worden binnen rekening 110 Beschikbare inbreng buiten kapitaal, tenzij de statuten van de overnemende vennootschap gewijzigd werden met als gevolg dat de uitkering van wedersamengestelde, vrijgestelde reserves wordt verhinderd. De Commissie benadrukt dat de voorbereidende werken stellen dat de toepassing van één van deze technieken volstaat om de naleving van de onaantastbaarheidsvoorwaarde, waar de vrijstelling van de wedersamengestelde reserves aan is onderworpen, te verzekeren26. Er moet dus geen onbeschikbare reserve worden aangelegd.

Dat geeft in het voorbeeld de volgende boeking:

10/11 (-)   In het kapitaal / In de inbreng geïncorporeerde negatieve belaste reserve 600   
  aan 10/11 In het kapitaal / In de inbreng geïncorporeerde vrijgestelde reserve   600

De balans na fusie wordt dan als volgt opgemaakt:

Balans A + B
Vaste activa   Inbreng / Kapitaal  
500 + 6.760 =  7.260
  • Geplaatst kapitaal /  Beschikbare inbreng: 1.800 + (4.000 x 20 %) =
2.600
   
  • In het kapitaal / In de inbreng geïncorporeerde negatieve belaste reserves
<600>
   
  • In het kapitaal / In de inbreng geïncorporeerde vrijgestelde reserves 
600
      2.600
Deelneming B   Belastingvrije reserves  
4.800 - (4.000 + 1.000 + 1.000) x 80 % = 0 1.670 + (1.000 x 20 %) + 200 = 2.070
Vlottende activa   Beschikbare reserves  
1.610 + 4.720 = 6.330 0 + (1.000 x 20 %) - 200 = 0
    Voorzieningen  
    1.540 + 1.680 = 3.220
    Schulden  
    1.900 + 3.800 = 5.700
  13.590   13.590

De Commissie is van oordeel dat de negatief belaste reserve waarschijnlijk zal moeten worden behouden binnen het eigen vermogen van de overnemende vennootschap tot op het moment waarop de vereffening wordt afgesloten.

Proportionele overname van de belastingvrije reserves en de beschikbare reserves in het kader van de fusie en wedersamenstelling van het saldo van de vrijgestelde reserves in hoofde van A

Het is eveneens toegelaten de boekhoudkundige reserves zonder toerekening over te dragen in het kader van de fusie.

In dit geval worden de op het ogenblik van de fusie aan A overgedragen boekhoudkundige reserves als volgt weergegeven:

Belastingvrije reserves        200

Beschikbare reserves        200 

Het deel van de belastingvrije reserves dat na de fusieverrichting nog steeds niet is wedersamengesteld, kan na de fusie wel worden wedersamengesteld via debitering van de resultatenrekening door middel van volgende correctieboeking:

689 Overboeking naar de belastingvrije reserves 800  
  aan 132 Belastingvrije reserves   800

Zoals vermeld in punt a) zal A het saldo van de vrijgestelde reserves ook kunnen wedersamenstellen door in haar boekhouding subrekeningen van rekening 10 Kapitaal of van rekening 110 Beschikbare  inbreng buiten kapitaal te creëren, de ene voor de in het kapitaal / in de inbreng geïncorporeerde vrijgestelde reserves en de andere voor de in het kapitaal / in de inbreng geïncorporeerde negatieve belaste reserves (zie supra, randnummer 34).

Dat geeft in het voorbeeld de volgende boeking:

10/11 (-) In het kapitaal / In de inbreng geïncorporeerde negatieve belaste reserve 800  
  aan 10/11 In het kapitaal / In de inbreng geïncorporeerde vrijgestelde reserve   800

Er moet worden benadrukt dat de keuze voor de gebruikte methode bepaalde gevolgen heeft: indien de wedersamenstelling van de belastingvrije reserves plaatsvindt via de resultatenrekening, brengt dit een vermindering van de belaste reserves met zich mee. Hierdoor kan de overnemende vennootschap, in geval van latere vermindering van het kapitaal of van de inbreng, de ratio zoals bedoeld in artikel 18, tweede lid WIB 92 aanpassen om zo een groter deel van voormelde vermindering toe te rekenen aan het fiscaal kapitaal en op die manier het bedrag te beperken dat onderworpen is aan de hierbij ingehouden roerende voorheffing.

De boekwaarde van de aandelen in de overgenomen vennootschap stemt niet overeen met het aandeel in haar eigen vermogen (artikel 3:77, § 5 KB WVV)

Meestal zal bij fusie een verschil blijken tussen de boekwaarde van de aandelen van de overgenomen vennootschap en de fractie die zij vertegenwoordigen in het eigen vermogen. Dit verschil moet verwerkt worden volgens zijn aard of oorsprong, waarbij volgende situaties onderscheiden worden: 

De boekwaarde van de aandelen in de boekhouding van de overnemende vennootschap is groter dan het overeenstemmende aandeel in het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap (artikel 3:77, § 5, a) KB WVV) 

Vooreerst dient nagegaan te worden of met toepassing van de gemeenrechtelijke bepalingen van het boekhoudrecht, het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap moet gecorrigeerd worden: 

  • artikel 3:39, § 1, derde lid en artikel 3:42, § 1, derde lid KB WVV bepalen dat aanvullende of niet-recurrente afschrijvingen moeten teruggenomen worden indien zij niet langer verantwoord blijken; 
  • artikelen 3:27 en 3:33 KB WVV bepalen dat waardeverminderingen en voorzieningen niet gehandhaafd mogen blijven in de mate waarin zij op het einde van het boekjaar hoger zijn dan vereist volgens een actuele beoordeling. 

Het betreft hier slechts de gemeenrechtelijke waarderingsregels die ook los van elke fusieverrichting moeten toegepast worden. 

Uiteraard staat het de overgenomen vennootschap ook vrij om met toepassing van de gemeenrechtelijke bepalingen van het boekhoudrecht: 

  • hetzij materiële of financiële vaste activa te herwaarderen wanneer hun waarde, bepaald in functie van het nut voor de vennootschap, op vaststaande en duurzame wijze uitstijgt boven de gebruikswaarde; 
  • hetzij afschrijvingen op materiële en immateriële vaste activa terug te nemen wanneer blijkt dat het voordien toegepaste afschrijvingsplan wegens gewijzigde economische of technologische omstandigheden een te snelle afschrijving tot gevolg had. 

De uit deze waardeaanpassingen voortvloeiende vermogenswijziging wordt ten belope van het aandelenpercentage verrekend met de boekwaarde van de aandelen in de overgenomen onderneming. 

Vervolgens dient het overblijvende verschil zoveel mogelijk toegerekend te worden aan activa met een hogere of passiva met een lagere waarde dan hun boekwaarde. 

Deze waardetoerekeningen vormen de uitdrukking van bij de fusie vastgestelde actuele waarderingsverschillen. Zij worden beperkt tot het bedrag van het overblijvende fusieverschil en worden volledig verrekend met de boekwaarde van de aandelen in de overgenomen vennootschap. Zij gebeuren rechtstreeks, dus niet via de resultatenrekening. 

Voorbeeld 8: de gegevens zijn dezelfde als in voorbeeld 1, behalve dat A 20 % van de aandelen van B houdt. De boekwaarde van deze aandelen ligt 65 hoger van het aandeel dat zij vertegenwoordigen in het eigen vermogen van B (20 % x 12.900 = 2.580). Vennootschap A neemt vennootschap B over.

Balans A
Vaste activa 500 Inbreng/Kapitaal 1.800
Deelneming B (20 %)  2.645 Reserves 1.670
Vlottende activa 1.545   3.470
    Voorzieningen 400
    Schulden 820
   4.690    4.690
Balans B
Vaste activa 12.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vorderingen op meer dan één jaar 5.720 Reserves 8.900
       12.900
    Voorzieningen 1.680
    Schulden 3.800
  18.380   18.380

(1)    Uit een actuele beoordeling blijkt dat de voorzieningen van B te hoog gewaardeerd zijn ten belope van 50. 

Met toepassing van artikel 3:33 KB WVV wordt deze voorziening teruggebracht tot 1.630. Een overeenkomstig resultaat wordt geboekt. 

Balans B aangepast vóór de fusie
Vaste activa 12.660  Inbreng / Kapitaal 4.000
Vorderingen op meer dan één jaar 5.720 Reserves 8.900
    Overgedragen resultaat 50
      12.950
    Voorzieningen 1.680 – 50 = 1.630
     Schulden 3.800
  18.380   18.380

(2)    Na aanpassing van het eigen vermogen van B met toepassing van de gemeenrechtelijke boekhoudbepalingen, blijft er een verschil van 55 tussen de boekwaarde van de aandelen B en het aandeel in het eigen vermogen van B (20 % x 12.950). 

Er dient dan te worden nagegaan of er een toerekening kan gebeuren aan activa met een hogere of aan passiva met een lagere waarde dan hun boekwaarde. Hierna volgen enkele toepassingen. 

(2.1.) Toerekening aan een materieel vast actief 

Wanneer B bijvoorbeeld 60 zou kunnen toerekenen aan een vast actief, dan wordt deze toerekening beperkt tot het bedrag van het resterende verschil, in casu 55. 

Balans A + B na toerekening aan een materieel vast actief
Vaste activa   Inbreng / Kapitaal   
500 + 12.660 + 5527 = 13.215 1.800 + 4.000 x 80 % = 5.000
Deelneming B   Reserves  
2.645 - (4.000 + 8.950) x 20 % - 55 = 0 1.670 + 8.950 x 80 % = 8.830
      13.830
Vorderingen op meer dan één jaar 5.720  Voorzieningen      
Vlottende activa  1.545  400 + 1.630 = 2.030
    Schulden  
    820 + 3.800 =  4.620
  20.480   20.480

(2.2.) Toerekening aan een geactualiseerde schuld 

Wanneer B bijvoorbeeld 60 zou kunnen toerekenen aan een schuld die wordt geactualiseerd, wordt deze toerekening beperkt tot het bedrag van het resterende verschil, in casu 55. 

Deze blijft geboekt tegen nominale waarde. Het tot het resterende fusieverschil beperkte bedrag van het verschil tussen de nominale en de actuele waarde wordt op een overlopende rekening geboekt en wordt nadien op geactualiseerde basis in resultaat genomen. 

Balans A + B na toerekening aan een geactualiseerde schuld
Vaste activa   Inbreng / Kapitaal   
500 + 12.660 = 13.160 1.800 + 4.000 x 80 % = 5.000
Deelneming B   Reserves  
2.645 - (4.000 + 8.950) x 20 % - 55 = 0 1.670 + 8.950 x 80 % = 8.830
      13.830
Vorderingen op meer dan één jaar 5.720  Voorzieningen      
Vlottende activa  1.545  400 + 1.630 = 2.030
Overlopende rekeningen 55 Schulden  
    820 + 3.800 =  4.620
  20.480   20.480

Is de boekwaarde van de aandelen na waardecorrecties en na waardeaanpassingen met toepassing van de gemeenrechtelijke bepalingen van het boekhoudrecht of waardetoerekeningen bij fusie, nog steeds groter dan het overeenstemmende aandeel in het eigen vermogen, dan wordt dit verschil al naargelang het geval ten laste genomen door de overnemende vennootschap of geactiveerd als goodwill28. De boekhoudkundige verwerking van deze situatie wordt hieronder toegelicht.

Voorbeeld 9: De gegevens zijn dezelfde als in voorbeeld 8. Er wordt geen waardecorrectie of waardeaanpassing doorgevoerd.

Balans A
Vaste activa 500 Inbreng/Kapitaal 1.800
Deelneming B (20 %)  2.645 Reserves 1.670
Vlottende activa 1.545   3.470
    Voorzieningen 400
    Schulden 820
   4.690    4.690
Balans B
Vaste activa 12.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vorderingen op meer dan één jaar 5.720 Reserves 8.900
       12.900
    Voorzieningen 1.680
    Schulden 3.800
  18.380   18.380

Indien het verschil van 65 tussen de boekwaarde van de deelneming van A in B en het aandeel van het eigen vermogen dat deze deelneming vertegenwoordigt niet ten laste van de resultatenrekening wordt genomen, wordt er voor dit bedrag goodwill geboekt op het actief van A. De balans van A ziet er na fusie als volgt uit:

Balans A + B
Vaste activa   Inbreng / Kapitaal  
500 + 12.660 = 13.160 1.800 + 4.000 x 80 % = 5.000
Deelneming B      
2.645 - 2.645 = 0    
Goodwill   Reserves  
2.645 – (4.000+8.900) x 20 % =  65 1.670 + 8.900 x 80 % = 8.790
      13.790
Vorderingen op meer dan één jaar 5.720 Voorzieningen  
    400 + 1.680 = 2.080
Vlottende activa  1.545 Schulden    
    820 + 3.800 =     4.620
  20.490   20.490

A zal als tegenpost op de passiefzijde van de balans een meerwaarde moeten boeken waarvan de vrijstelling onderworpen is aan de naleving van de onaantastbaarheidsvoorwaarde29. Aan deze voorwaarde wordt voldaan hetzij door de overboeking naar de belastingvrije reserves via debitering van de resultatenrekening van een bedrag dat gelijk is aan de geboekte goodwill, namelijk 65; hetzij door het aanleggen van een vrijgestelde reserve en een negatieve belaste reserve, ten belope van hetzelfde bedrag, die beide in het kapitaal / in de inbreng worden geïncorporeerd30. In dit voorbeeld kan één van de volgende boekingen worden uitgevoerd31:

689 Overboeking naar de belastingvrije reserves 65  
  aan 132 Belastingvrije reserves   65
10/11 (-) In het kapitaal / In de inbreng geïncorporeerde negatieve belaste reserve 65  
  aan 10/11 In het kapitaal / In de inbreng geïncorporeerde vrijgestelde reserve   65
De boekwaarde van de aandelen in de boekhouding van de overnemende vennootschap is kleiner dan het overeenstemmende aandeel in het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap (artikel 3:77, § 5, b) KB WVV) 

Deze situatie moet eerst worden getoetst aan de boekhoudrechtelijke bepalingen om na te gaan of het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap niet is overgewaardeerd: 

  • artikelen 3:39, § 1, tweede lid en 3:42, § 1, tweede lid KB WVV bepalen dat aanvullende of niet-recurrente afschrijvingen moeten geboekt worden indien wegens technische omstandigheden of wijziging van economische of technologische omstandigheden, de boekwaarde van materiële of immateriële vaste activa met beperkte gebruiksduur, hoger is dan hun gebruikswaarde voor de vennootschap; 
  •  artikelen 3:48, tweede lid, 3:50, tweede lid en 3:53 KB WVV bepalen dat aanvullende waardeverminderingen worden geboekt om rekening te houden hetzij met de evolutie van de markt- of realisatiewaarde, hetzij met de risico's inherent aan de aard van de betrokken producten of gevoerde activiteit; 
  • artikel 3:11, eerste lid KB WVV verplicht om rekening te houden met alle voorzienbare risico's. 

Indien het vastgestelde fusieverschil niet kan worden weggewerkt door toepassing van voormelde bepalingen, wordt dit ondergebracht op de resultatenrekening van de overnemende vennootschap32. De overnemende vennootschap zal naar aanleiding van de fusie immers een nettoactief hebben dat groter zal zijn dan de boekwaarde van de betrokken aandelen.

Voorbeeld 10: zelfde gegevens als in voorbeeld 8. De deelneming van 20% van A in B bedraagt 2.490 en ligt 90 lager dan het aandeel van het eigen vermogen van B dat deze deelneming vertegenwoordigt, ofwel 20 % x 12.900 = 2.580.

Balans A
Vaste activa 500 Inbreng/Kapitaal 1.800
Deelneming B (20 %)  2.490 Reserves 1.670
Vlottende activa 1.545   3.470
    Voorzieningen 245
    Schulden 820
   4.535    4.535
Balans B
Vaste activa 12.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vorderingen op meer dan één jaar 5.720 Reserves 8.900
       12.900
    Voorzieningen 1.680
    Schulden 3.800
  18.380   18.380

Het fusieverschil dat voortvloeit uit bovenvermeld verschil moet dus in resultaat worden genomen. Dit bedrag maakt intrinsiek een meerwaarde uit, daarom wordt het over het algemeen ook gekwalificeerd als een fusiemeerwaarde. Dit bedrag moet niet noodzakelijk op een afzonderlijke rekening worden opgenomen en mag worden toegevoegd aan de reserves.

Balans A + B
Vaste activa   Inbreng / Kapitaal  
500 + 12.660 = 13.160 1.800 + 4.000 x 80 % = 5.000
Vorderingen op meer dan één jaar  5.720 Reserves  
    1.670 + 8.900 x 80 % + 90 =  8.880
      13.880
Deelneming B   Voorzieningen  
2.490 - 2.580 + 90 =   0 245 + 1.680 = 1.925
Vlottende activa  1.545 Schulden    
    820 + 3.800 =     4.620
  20.425   20.425

Kapitaalsubsidies en herwaarderingsmeerwaarden 

Kapitaalsubsidies 

Artikel 3:77, § 4 KB WVV bepaalt dat de verschillende bestanddelen van het eigen vermogen van de overgenomen vennootschap slechts worden opgenomen bij de overnemende vennootschap ten belope van de fractie die overeenstemt met de aandelen die omgeruild worden. 

Bijgevolg verdwijnen bij fusie ook de kapitaalsubsidies van de overgenomen vennootschap ten belope van het deelnemingspercentage van de overnemende in de overgenomen vennootschap. 

De uitgestelde belastingen die betrekking hebben op de kapitaalsubsidies van de overgenomen vennootschap, worden opgenomen in de boekhouding van de overnemende vennootschap om de belastingen op deze subsidies te dekken. 

Voorbeeld 11: zelfde gegevens als in voorbeeld 5, behalve dat B kapitaalsubsidies ontving van 1.000 (de belastingvoet bedraagt 25 %). 

Balans A
Vaste activa 500 Inbreng/Kapitaal 1.800
Deelneming B (20 %)  2.580 Reserves 1.670
Vlottende activa 1.610   3.470
    Voorzieningen 400
    Schulden 820
   4.690    4.690
Balans B
Vaste activa 12.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vlottende activa 5.720 Reserves 8.150
    Kapitaalsubsidies  750
      12.900
    Uitgestelde belastingen 250
    Voorzieningen 1.430
    Schulden 3.800
  18.380  

18.380

Balans A + B
Vaste activa   Inbreng / Kapitaal   
500 + 12.660 = 13.160 1.800 + 4.000 x 80 % = 5.000
Deelneming B   Reserves  
2.580 – (4.000 + 8.150 + 750) x 20 % = 0  1.670 + 8.150 x 80 % = 8.190
Vlottende activa   Kapitaalsubsidies  
1.610 + 5.720 = 7.330 750 x 80 % = 60033
       13.790
    Voorzieningen  
    400 + 1.430 = 1.830
    Uitgestelde belastingen 250
    Schulden  
    820 + 3.800 = 4.620
   20.490    20.490
Herwaarderingsmeerwaarden 

Net zoals de kapitaalsubsidies verdwijnen bij fusie ook de herwaarderingsmeerwaarden van de overgenomen vennootschap ten belope van het deelnemingspercentage van de overnemende in de overgenomen vennootschap. 

Wordt het geherwaardeerde actief vervreemd dan zal rekening worden gehouden met het bij de fusie « verrekende » gedeelte van de herwaarderingsmeerwaarde. 

Voorbeeld 12: zelfde gegevens als in voorbeeld 5, B heeft een gebouw met aanschaffingsprijs 400 dat werd geherwaardeerd ten belope van 600. 

Balans A
Vaste activa 500 Inbreng/Kapitaal 1.800
Deelneming B (20 %)  2.580 Reserves 1.670
Vlottende activa 1.610   3.470
    Voorzieningen 400
    Schulden 820
   4.690    4.690
Balans B
Vaste activa 12.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Vlottende activa 5.720 Reserves 8.300
    Herwaarderingsmeerwaarden     600
      12.900
    Voorzieningen 1.680
    Schulden 3.800
  18.380  

18.380

Balans A + B
Vaste activa   Inbreng / Kapitaal   
500 + 12.660 = 13.160 1.800 + 4.000 x 80 % = 5.000
Deelneming B   Reserves  
2.580 – (4.000 + 8.300 + 600) x 20 % = 0  1.670 + 8.300 x 80 % = 8.310
Vlottende activa   Herwaarderingsmeerwaarden      
1.610 + 5.720 = 7.330 600 x 80 % = 480
       13.790
    Voorzieningen  
    400 + 1.680 = 2.080
    Schulden  
    820 + 3.800 = 4.620
   20.490    20.490

Indien het geherwaardeerde gebouw (met aanschaffingsprijs van 400) voor 1.000 wordt verkocht, dan wordt een meerwaarde geboekt van 480. 

416 Diverse vorderingen 1.000  
121 Herwaarderingsmeerwaarden 480  
  aan 221 Gebouwen   400
    228 Geboekte meerwaarde op gebouwen   600
    763 Meerwaarden op realisatie van vaste activa   480

120 (d.i. 20 % van de oorspronkelijke herwaarderingsmeerwaarde van 600) werd bij fusie verrekend met de aanschaffingswaarde van de deelneming in vennootschap B. 

Wedersamenstelling van het boekhoudkundig verdwenen gedeelte van de kapitaalsubsidies en herwaarderingsmeerwaarden 

Teneinde een overeenstemming te bereiken met de fiscale regels, zal de vennootschap er doorgaans voor opteren om het aldus boekhoudkundig verdwenen gedeelte van de kapitaalsubsidies of herwaarderingsmeerwaarden onmiddellijk na de fusie terug weder samen te stellen. Deze wedersamenstelling kan dan als een mutatie binnen het eigen vermogen gebeuren door middel van de volgende correctieboekingen :

Voorbeeld 11 (vervolg):

133 Beschikbare reserves 150  
  aan 15 Kapitaalsubsidies   150

Voorbeeld 12 (vervolg):

133 Beschikbare reserves 120  
  aan 121 Herwaarderingsmeerwaarden   120

Indien de beschikbare reserves niet voldoen om de wedersamenstelling van kapitaalsubsidies of herwaarderingsmeerwaarden mogelijk te maken, mag de correctieboeking eveneens worden aangerekend op de resultatenrekening, op rekening 10 Kapitaal of op rekening 110 Beschikbare inbreng buiten kapitaal door het creëren van een in het kapitaal / in de inbreng geïncorporeerde vrijgestelde reserve en een in het kapitaal / in de inbreng geïncorporeerde negatieve reserve (cf. randnummers 34 tot 36). Net zoals het geval is bij de belastingvrije reserves, hangt het bedrag dat wordt wedersamengesteld af van het bedrag van de beschikbare reserves en van de aanrekening vóór de fusie op de beschikbare reserves van een deel van de weder samen te stellen kapitaalsubsidies / herwaarderingsmeerwaarden.

Overgenomen vennootschap bezit aandelen van de overnemende vennootschap. Er wordt geen opleg in geld toegekend. De overgenomen vennootschap bezit geen eigen aandelen 

Zoals hierboven werd vermeld (in punten 2. en 4.), bepaalt artikel 12:34, § 2 WVV dat er geen omwisseling plaatsvindt van aandelen van de overnemende vennootschap tegen aandelen van de overgenomen vennootschap die gehouden worden door de overnemende vennootschap of door de overgenomen vennootschap zelf. Dit verbod wordt geconcretiseerd door de opheffing van de aandelen van de overgenomen vennootschap.

Er werd echter geen enkele regeling voorzien voor de aandelen van de overnemende vennootschap die gehouden worden door de overgenomen vennootschap in het geval er een fusie ontstaat.

In dergelijk geval worden bij de fusie de aandelen dus opgenomen en geboekt op de actiefzijde van de balans van de overnemende vennootschap ten gevolge van de overdracht onder algemene titel van alle activa en passiva. Hierbij moet worden verwezen naar de regeling betreffende de verkrijging van eigen aandelen. 

Artikelen 5:148, § 2, eerste lid, en 7:217, § 2 WVV bepalen dat wanneer een vennootschap eigen aandelen verkrijgt, een onbeschikbare reserve moet worden aangelegd die gelijk is aan de waarde waarvoor deze aandelen in de inventaris ingeschreven zijn34. Deze onbeschikbare reserve moet in de rekeningen worden behouden zolang de aandelen zijn opgenomen op de actiefzijde van de balans.

In het Wetboek van Vennootschappen werd er bepaald dat de nominale waarde of de fractiewaarde van niet-vervreemde aandelen bij het verstrijken van bovenstaande termijn hoogstens 20 % van het geplaatste kapitaal mocht bedragen (zie artikelen 324, tweede lid en 622, § 2, tweede lid, 4° W.Venn.). Sedert de inwerkingtreding van het WVV wordt er geen limiet meer opgelegd wat betreft de waarde van de deelneming die kan worden verkregen. In fiscaal opzicht blijft de limiet bestaan om zo de fiscale neutraliteit van het WVV te garanderen.

Voorbeeld 13: zelfde gegevens als in voorbeeld 1, B bezit 50 % van de aandelen van A. A neemt B over. A en B zijn BV’s.

Balans A
Vaste activa 3.080 Inbreng 1.800
Vlottende activa  1.610 Reserves 1.670
      3.470
    Voorzieningen 400
    Schulden 820
   4.690    4.690
Balans B
Vaste activa 10.660 Inbreng/Kapitaal 4.000
Deelneming A (50 %) 2.000 Reserves 8.900
Vlottende activa 5.720      12.900
    Voorzieningen     1.680
    Schulden 3.800
  18.380  

18.380

Indien vennootschap A vennootschap B overneemt, een onbeschikbare reserve voor eigen aandelen aanlegt en daarna de verkregen eigen aandelen vernietigt, wordt de volgende toestand verkregen: 

Balans A + B
Vaste activa   Inbreng  
3.080 + 10.660 = 13.740 1.800 + 4.000 = 5.800
Vlottende activa   Reserves  
1.610 + 5.720 = 7.330 1.670 + 8.900 - 2.000 = 8.570
      14.370
    Onbeschikbare reserve eigen aandelen  
    2.000 - 2.000 0
Eigen aandelen   Voorzieningen  
2.000 – 2.000 = 0 400 + 1.680 = 2.080
    Schulden  
    820 + 3.800 = 4.620
   21.070    21.070

Men zal opmerken dat het eigen vermogen overeenstemt met een fusie in omgekeerde richting waarbij het niet toegerekende fusieverschil ten laste wordt genomen als resultaat. Uiteraard zal ook de samenstelling van het eigen vermogen er anders uitzien. 

Balans B + A
Vaste activa   Inbreng  
10.660 + 3.080 = 13.740 4.000 + 1.800 x 50 % = 4.900
Deelneming A   Reserves  
2.000 - (1.800 + 1.670) x 50 % - 265 = 0 8.900 + 1.670 x 50 % =  9.735
Vlottende activa   Overgedragen resultaat <265>
5.720 + 1.610 =     7.330   14.370
    Voorzieningen  
    1.680 + 400 = 2.080
    Schulden  
    3.800 + 820 = 4.620
  21.070   21.070

Indien de bij de fusie betrokken vennootschappen aandelen van elkaar houden, zal de richting van de fusie dus niet neutraal zijn t.a.v. de verwerking van het verschil tussen de boekwaarde van deze aandelen en het overeenstemmende aandeel in het eigen vermogen: 

Indien het gaat om: 

  •     een fusie waarbij de overnemende onderneming aandelen houdt van de overgenomen onderneming, dan wordt dit verschil hetzij toegerekend, hetzij in resultaat genomen; 
  •     een fusie waarbij de overgenomen onderneming aandelen houdt van de overnemende onderneming, dan gebeurt er bij vernietiging van de verkregen eigen aandelen een rechtstreekse vermogenstoerekening. 
  • 1. Onderhavig advies is tot stand gekomen nadat het ontwerpadvies op 8 januari 2021 ter publieke consultatie werd gepubliceerd op de website van de CBN.
  • 2. Het betreft de inbreng van een bedrijfstak en een algemeenheid en verschillende soorten splitsingen, waaronder de geruisloze partiële splitsing en de grensoverschrijdende splitsing, alsook de splitsing en partiële splitsing van verenigingen en stichtingen.
  • 3. Om de tekst van onderhavig advies leesbaar en duidelijk te houden, wordt er verderop enkel verwezen naar ‘aandeelhouders’, waar ook de ‘vennoten’ bedoeld worden.
  • 4. Artikel 12:2, eerste lid WVV.
  • 5. Ibidem.
  • 6. Artikel 12:2, tweede lid WVV.
  • 7. Parl. St., Kamer, 2017-2018, nr.54-3119/001, 297.
  • 8. Ibid.
  • 9. Ibid.
  • 10. De Commissie brengt in herinnering dat artikel 3:89, § 2, I, 2° KB WVV het volgende bepaalt: “Voor besloten vennootschappen en coöperatieve vennootschappen omvat de rubriek I. Inbreng: a. het bedrag van het ingebrachte eigen vermogen, dat bestaat uit de bedongen waarde van alle door de aandeelhouders toegezegde inbrengen in geld of in natura, voor zover niet terug uitgekeerd, in voorkomend geval uitgesplitst tussen (a) het ingebracht eigen vermogen dat krachtens de statuten onbeschikbaar is en (b) het overige ingebrachte eigen vermogen”.
  • 11. Artikel 12:7 WVV.
  • 12. Vroeger voorzag de wetgever de mogelijkheid om partiële fusies uit te voeren. Deze partiële fusies werden gedefinieerd als een fusie door overneming of gemengde fusie, “zonder dat de overdragende vennootschappen ophouden te bestaan” en door artikel 677 W.Venn. gelijkgesteld met een fusie door overneming of gemengde fusie. Bij de aanneming van het WVV meende de wetgever dat de partiële fusies niet goed konden worden onderscheiden van partiële splitsingen alsook van een inbreng van een algemeenheid of van een bedrijfstak en dat deze fusies aldus geen eigen realiteit hadden. Er werd dan ook geen specifieke regeling voorzien voor partiële fusies. (Parl. St., Kamer, 2017-2018, nr. 54-3119/001, 298).
  • 13. De Commissie brengt in herinnering dat de toepassing van het continuïteitsprincipe losstaat van de fiscale neutraliteit van de verrichting.
  • 14. Zie ook CBN-advies 126-16 – Aanschaffingswaarde van de aandelen ontvangen naar aanleiding van een in het buitenland verwezenlijkte fusie.
  • 15. Artikel 3:56, § 1 KB WVV.
  • 16. Voor de te verrichten boekingen verwijst de Commissie naar CBN-advies 2019/14 – Van een kapitaalhoudende BVBA naar een kapitaalloze BV. Voor de omzetting van het vast en het variabel gedeelte van het kapitaal van coöperatieve vennootschappen wordt er verwezen naar CBN-advies 2020/13 – Overgang van een kapitaalhoudende coöperatieve vennootschap naar een kapitaalloze vennootschap.
  • 17. Artikel 3:19, § 1, tweede lid KB WVV.
  • 18. In de balansen en de tekst die hieronder worden weergegeven, worden de bedragen in duizend euro en het aantal aandelen per eenheid uitgedrukt. De wettelijke reserve wordt gemakshalve buiten beschouwing gelaten.
  • 19. Hoewel het begrip ‘inbreng’ in het schema van de jaarrekening voor zowel kapitaalhoudende als kapitaalloze vennootschappen wordt opgenomen, verkiest de Commissie in de voorbeelden van onderhavig advies gebruik te maken van de woorden ‘kapitaal’ en ‘inbreng’ waarnaar onder andere in het KB WVV wordt verwezen.
  • 20. Deze stelling geldt enkel voor kapitaalhoudende vennootschappen.
  • 21. Het begrip ‘aandeel tegen nominale waarde’ heeft immers geen enkele betekenis in het geval van kapitaalloze vennootschappen. Het wetsontwerp vermeldt dan ook dat bij de BV’s “de aandelen geen kapitaalvertegenwoordigende waarde [hebben] en […] er geen noodzakelijke band [is] tussen de waarde van de inbreng en de aan de aandelen verbonden rechten” (Parl. St., Kamer, 2017-2018, nr. 54-3119/001, 141). Artikel 3:77, § 2 KB WVV verwijst echter naar de mogelijkheid om de fractiewaarde te behouden in geval van verhoging van de inbreng van de overnemende vennootschap. In dit geval moet deze worden gelijkgesteld met het equivalent van de fractiewaarde zoals bepaald in artikel 12:2, tweede lid WVV (supra, randnummer 6).
  • 22. Artikel 3:77, § 1 KB WVV.
  • 23. Artikel 3:19, § 1, vierde lid KB WVV.
  • 24. Artikel 211, § 2, vierde lid WIB 92.
  • 25. Er moet echter worden benadrukt dat de bestanddelen van het eigen vermogen die niet onder deze bepaling vallen, niet worden overgenomen door de overnemende vennootschap. Dit is het geval voor de door de overgenomen vennootschap eventueel aangelegde liquidatiereserves (Parlementaire vraag nr. 2648 Van Biesen, 11 maart 2015).
  • 26. Zie CBN-advies 2012/11 – Overdracht van een eigen vermogen in het kader van een fusie, splitsing of partiële splitsing in boekhoudkundige continuïteit en fiscale continuïteit en artikel 78, § 8 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen. Oorspronkelijk werden deze technieken door de wetgever opgenomen in de voorbereidende werken van de wet van 22 december 1998 houdende fiscale en andere bepalingen (Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr.1608/1, 20) om de naleving van de onaantastbaarheidsvoorwaarde mogelijk te maken waar de vrijstelling van de fusiemeerwaarden aan is onderworpen die worden geconstateerd bij een moeder-dochter fusie (infra, voorbeelden 8 en 9). De technieken werden nadien uitgebreid met de wedersamenstelling van vrijgestelde reserves door de wet van 11 december 2008 houdende wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 teneinde het in overeenstemming te brengen met de Richtlijn 90/434/EEG van de Raad van 23 juli 1990 betreffende de gemeenschappelijke fiscale regeling voor fusies, splitsingen, gedeeltelijke splitsingen, inbreng van activa en aandelenruil met betrekking tot vennootschappen uit verschillende lidstaten en voor de verplaatsing van de statutaire zetel van een SE of een SCE van een lidstaat naar een andere lidstaat, gewijzigd bij de Richtlijn 2005/19/EEG van de Raad van 17 februari 2005 (Parl. St., Kamer, 2007-2008, nr.1398/001, 39-40), alsook met andere eigenvermogensbestanddelen door het koninklijk besluit van 7 november 2011 tot wijziging van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen.
  • 27. Indien er voldaan wordt aan de voorwaarden voor de boeking van een herwaarderingsmeerwaarde, kan de vaste activa geherwaardeerd worden ten belope van 60 – in de plaats van 55 – en wordt er een meerwaarde van 5 opgenomen op het passief.
  • 28. Artikel 3:77, § 5, a) KB WVV.
  • 29. Artikel 212, derde lid WIB 92 bepaalt het volgende: “ […] meerwaarden die naar aanleiding van die verrichting worden verwezenlijkt of vastgesteld, [worden] geacht niet te zijn verwezenlijkt. Voor zover deze meerwaarden worden uitgedrukt, worden deze gelijkgesteld met de in artikel 44, § 1, 1° [WIB 92] bedoelde uitgedrukte, niet verwezenlijkte meerwaarden”. Op basis van artikel 190, tweede lid WIB 92 worden deze meerwaarden voorlopig vrijgesteld “in zoverre dat gedeelte op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is en blijft en niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning”.
  • 30. Zie ook Th. BLOCKERYE, Acquisitions, fusions et réorganisations de sociétés, Limal, Anthemis, 2020, 436-437.
  • 31. Zie supra randnummers 34 tot 36, alsook voetnoot 35.
  • 32. Artikel 3:77, § 5, b) KB WVV.
  • 33. De kapitaalsubsidies moeten worden wedersamengesteld ten belope van 150 (= 20 % x 750) (zie randnummer 47). Dit geeft aanleiding tot een opsplitsing tussen de subsidies (750) en de uitgestelde belastingen (250) die in overeenstemming is met het tarief van de vennootschapsbelasting.
  • 34. Indien de aandelen van een naamloze vennootschap gehouden worden door één van haar rechtstreekse dochtervennootschappen, moet dit bedrag vermeerderd worden met de aanschaffingswaarde van de aandelen, winstbewijzen of certificaten die door deze dochtervennootschap worden gehouden.