COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies NFP/5 - Boekhoudkundige verwerking van een vermogensportefeuille

Aan de Commissie werden door een belangrijke private stichting twee vragen gesteld. Deze stichting is in toepassing van art. 27, vierde lid Wet betreffende de verenigingen zonder winstoogmerk, de internationale verenigingen zonder winstoogmerk en de stichtingen1 een stichting van openbaar nut.

Deze stichting is ingevolge toepassing van art. 37, § 3 van dezelfde Wet gehouden een boekhouding te voeren en een jaarrekening op te maken overeenkomstig de wet van 17 juli 1975 met betrekking tot de boekhouding van de ondernemingen. Dientengevolge is ze onderworpen aan het KB van 19 december 20032 betreffende de boekhoudkundige verplichtingen en de openbaarmaking van de jaarrekening van bepaalde verenigingen zonder winstoogmerk, internationale verenigingen zonder winstoogmerk en stichtingen. Wat wil zeggen dat de stichting is onderworpen aan het gemeen boekhoudrecht tenzij het geciteerde koninklijk besluit in een expliciete afwijking voorziet.

Rubricering vermogensportefeuille

De stichting vraagt onder welke rubriek op het actief van de balans haar vermogensportefeuille dienen geboekt te worden. Zonder de samenstelling in detail van deze portefeuille mee te delen, blijkt dat deze in hoofdzaak, op enkele participaties na, bestaat uit titels uitgegeven door organismen voor gemeenschappelijke belegging (gemeenschappelijke beleggingsfondsen, investeringsfondsen, beveks…).

De stichting boekt deze titels binnen de rubriek Financiële vaste activa, Andere financiële vaste activa. Binnen deze rubriek werd tevens de deelrubriek Aandelen omgedoopt tot Vermogensportefeuille van de Stichting. Deze rubriek maakt meer dan negentig procent uit van het balanstotaal van de stichting voor het boekjaar 2007.

In de waarderingsregels goedgekeurd door de Raad van Bestuur wordt dit als volgt gemotiveerd: "De vermogensportefeuilles van de Stichting – evenals de portefeuille van de Fondsen met kapitaal – is geboekt onder de Financiële vaste activa omdat de Raad van mening is dat het hier geen ‘working capital’ betreft. Het zijn onaantastbare ‘fixed assets’ die het voortbestaan van de stichting garanderen en de jaarlijkse inkomsten opleveren die nodig zijn voor de realisatie van haar activiteiten. Enkel deze voorstelling geeft een realistisch beeld van het kapitaal van de stichting.

Deze maatregel is conform de wettelijke definiëring van een stichting naar Belgisch recht en zal de openbare opinie en waarnemers versterken in hun overtuiging dat de stichting haar kapitaal niet kan aanwenden om haar activiteiten te ontwikkelen maar dat ze, integendeel, enkel de inkomsten ervan kan gebruiken. De stichting past hier het ‘Statement of Recommended Practice’ (SORP) toe dat werd uitgegeven door de Britse ‘Charity Commission’, een instelling die toezicht houdt op alle Britse liefdadigheidsinstellingen. Bijgevolg omvatten de vaste activa naast de participaties in de zin van art. 13 van het Wetboek van Vennootschappen de liquide middelen die op lange termijn gehouden worden om ze voor filantropische doeleinden te gebruiken. 

Op deze wijze maakt de stichting gebruik van de mogelijkheid om af te wijken van de algemene principes van de  waarderingsregels teneinde het principe te respecteren dat de rekeningen een getrouw beeld moeten geven van het vermogen, de financiële situatie en het resultaat van de stichting3. Om elk quidproquo op dit vlak te vermijden, wordt de benaming van rubriek IV.C. Andere financiële vaste activa 1. Aandelen en effecten vervangen door Vermogensportefeuilles van de Stichting4.

Enerzijds. Conform art. 95, § 1, optie vzw KB W. Venn. dienen onder de rubriek IV. C. 1. Aandelen de maatschappelijke rechten in andere ondernemingen die geen deelneming5 vormen en die ertoe strekken door het scheppen van een duurzame en specifieke band met die entiteiten de eigen bedrijfsuitoefening van de vennootschap te bevorderen, ondergebracht te worden.

Essentieel voor het boeken van een Financieel vast actief is bijgevolg minstens een duurzame en specifieke band met de emittent entiteiten na te streven.6 Dit is hier niet het geval. Het gaat om liquide middelen die op lange termijn gehouden worden om ze voor filantropische doeleinden te gebruiken. Bedoeling is dus deze beleggingen in de regel meer dan één jaar aan te houden. Maar dit feit kwalificeert niet om deze beleggingen te boeken als vast actief naar Belgisch boekhoudrecht. 

De redenering dat aldus een realistisch beeld van het kapitaal van de stichting zou gepresenteerd worden, blijft terecht overeind als deze vermogensbestanddelen onder de vlottende activa worden gepresenteerd. Immers, het kapitaal vermeld op het passief van de balans zal aangeven dat het leeuwendeel van de activa als bron met eigen middelen gefinancierd zijn.

De Commissie is bijkomend de mening toegedaan dat het principe van het getrouw beeld geen vrijgeleide is om de presentatie van de jaarrekening zondermeer te kunnen aanpassen naar typisch Belgisch boekhoudrecht.7 Conform art. 24, tweede lid KB W.Venn. dienen aanvullende inlichtingen te worden verstrekt in de toelichting bij de jaarrekening wanneer de toepassing van de bepalingen van het betrokken KB W.Venn. niet volstaan om te voldoen aan het voorschrift van het getrouw beeld. Zo kan de stichting de post Geldbeleggingen en/of Liquide middelen verder uitsplitsen in de toelichting bij de jaarrekening en van de nodige commentaar voorzien. Volledigheidshalve wijst de Commissie er nog op dat de afwijking in art. 29, eerste lid KB W.Venn. enkel geldt met betrekking tot de waarderingsregels. De rubricering binnen de jaarrekening is geen waarderingsregel.

De betrokken beleggingen kunnen in de huidige stand van de wetgeving bijgevolg onder volgende twee posten passend worden ondergebracht.

  1. In de regel dienen de beleggingen ondergebracht te worden onder de post VIII. B. Overige beleggingen. Onder die post worden opgenomen de vorderingen op kredietinstellingen, uit termijndeposito's, alsmede de met beleggingsdoeleinden verkregen effecten die niet het kenmerk hebben van financiële vaste activa. De aandelen in verbonden ondernemingen of in ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat, mogen niet onder deze post worden opgenomen, tenzij het om effecten gaat die zijn verkregen of waarop is ingeschreven met het oog op de wederafstand daarvan, of tenzij ze, krachtens een beslissing van de vennootschap, bestemd zijn om binnen twaalf maanden te worden gerealiseerd.8 
     
  2. De liquide middelen omvatten, behalve de kasmiddelen en de te incasseren vervallen waarden, alleen de tegoeden op zicht bij kredietinstellingen. De Commissie vestigt er tevens de aandacht op dat in deze rubriek tevens het kapitaal dient te worden opgenomen dat aan de stichting wordt geschonken of nagelaten met het oog op de bestemming voor welbepaalde projecten, met of zonder terugnemingsrecht, en die nog niet konden worden aangewend op een manier die strookt met het engagement dat de vereniging is aangegaan.9 

Anderzijds. De omschrijving van de in de schema's door een hoofdletter aangegeven rubrieken en van de onderrubrieken moet, wanneer de naleving van het voorschrift van artikel 24, eerste lid K.B. W.Venn. (getrouw beeld) dit vereist, aangepast worden aan de bijzondere aard van de werkzaamheden, van het vermogen en van de opbrengsten en kosten van de vennootschap.10 Wat impliceert dat de oude rubrieken met een Romeins cijfer niet mogen aangepast worden. 

Gezien in het XBRL schema sinds  1 april 2007 de Romeinse cijfers zijn weggevallen, worden hiermee de hoofdindelingen bedoeld die in het vet zijn afgebeeld op het wettelijk schema. De verdere omschrijvingen moeten aangepast worden om het principe van het getrouw beeld te waarborgen. Gezien evenwel in het schema de rubrieken Geldbeleggingen en Liquide middelen niet verder uitgesplitst zijn, kunnen hier geen verdere onderrubrieken additioneel voorzien worden.

Waardering vermogensportefeuille

Daarnaast vroeg de stichting aan de Commissie of de vermogenportefeuille mag geboekt worden aan marktwaarde op balansdatum.

De Commissie moet hierbij meteen stellen dat in het Belgisch boekhoudrecht de regel geldt dat elk actiefbestanddeel gewaardeerd wordt tegen aanschaffingswaarde  en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen. Dit is het fundamenteel basisprincipe (historische kost) opgenomen in art. 35 KB W.Venn. Het boeken aan marktwaarde is binnen de krijtlijnen van het Belgisch boekhoudrecht niet toegestaan. Ook herwaarderingsmeerwaarden zijn uitgesloten. Conform art. 57, § 1, optie vzw KB W.Venn. kunnen in de regel11 enkel de materiële vaste activa, de deelnemingen en aandelen die onder de financiële vaste activa voorkomen in aanmerking komen voor een eventuele herwaardering.

Wat aandelen betreft dienen deze tegen aanschaffingsprijs opgenomen te worden op het actief van de balans. De aanschaffingsprijs omvat, naast de aankoopprijs, de bijkomende kosten zoals niet terugbetaalbare belastingen en vervoerkosten.12 Evenwel bestaat voor de bijkomende kosten met betrekking tot het aanschaffen van financiële vaste activa en van geldbeleggingen de uitzondering dat deze mogen ten laste worden genomen van de resultatenrekening van het boekjaar in de loop waarvan ze werden aangegaan.13 

Wat specifiek de vastrentende effecten betreft, worden deze gewaardeerd op grond van hun aanschaffingswaarde. 

Wanneer evenwel hun actuariële rendement berekend bij de aankoop, met inachtneming van hun terugbetalingswaarde op vervaldag, verschilt van hun nominale rendement, wordt het verschil tussen de aanschaffingswaarde en de terugbetalingswaarde pro rata temporis voor de resterende looptijd van de effecten in resultaat genomen als bestanddeel van de renteopbrengst van deze effecten en, naar gelang van het geval, toegevoegd aan of afgetrokken van de aanschaffingswaarde van de effecten. De inresultaatneming van dit verschil geschiedt op geactualiseerde basis, uitgaande van het actuariële rendement bij aankoop.14 

Op geldbeleggingen en liquide middelen worden waardeverminderingen toegepast wanneer de realisatiewaarde op de datum van de jaarafsluiting lager is dan de aanschaffingswaarde.15 Wat impliceert dat het feit of de waardevermindering al dan  niet duurzaam is, van geen belang is. De slotkoers is in deze bepalend. 

Er worden aanvullende waardeverminderingen geboekt op de geldbeleggingen en liquide middelen om rekening te houden hetzij met de evolutie van hun realisatie- of marktwaarde, hetzij met de risico's inherent aan de aard van de betrokken producten of van de gevoerde activiteit.16 

Volledigheidshalve stipt de Commissie nog aan dat de stichting ook gehouden is voor iedere categorie afgeleide financiële instrumenten, de waarde in het economisch verkeer van de instrumenten te vermelden in rubriek XX. van de toelichting bij de jaarrekening indien een dergelijke waarde kan worden bepaald middels een van de in art. 97, C KB W.Venn. voorgeschreven methoden samen met de informatie over de omvang en de aard van de instrumenten.17 
 

  • 1. Wet van 27 juni 1921 gewijzigd door de wet van 2 mei 2002 (BS 18 oktober 2002).
  • 2. BS, 30 december 2003.
  • 3. KB van 30 januari 2001 tot uitvoering van het W.Venn.
  • 4. Er sprake van deelneming wanneer een vennootschap vennootschapsrechten in een vennootschap bezit in de zin van art. 13 W.Venn. (Art. 95, § 1, IV. A, § 3, optie VZW K.B. W.Venn.): "Worden als deelnemingen beschouwd, de maatschappelijke rechten in andere vennootschappen die ertoe strekken door het scheppen van een duurzame en specifieke band met die andere vennootschappen, de vennootschap in staat te stellen een invloed uit te oefenen op de oriëntatie van het beleid van deze vennootschappen. Behoudens bewijs van het tegendeel, wordt vermoed een deelneming te zijn : (1) het bezit van maatschappelijke rechten die één tiende vertegenwoordigen van het kapitaal, van het maatschappelijk fonds of van een categorie aandelen van een vennootschap; (2) het bezit van maatschappelijke rechten die een quotum van minder dan 10 % vertegenwoordigen : (a) wanneer ze, samen met de maatschappelijke rechten die in dezelfde vennootschap worden aangehouden door de dochters van de vennootschap, één tiende bereiken van het kapitaal, van het maatschappelijk fonds of van een categorie aandelen van die vennootschap; (b) wanneer de daden van beschikking over deze aandelen of de uitoefening van de daaraan verbonden rechten onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan eenzijdige verbintenissen die de vennootschap heeft aangegaan.".
  • 5. Art. 95, § 1, IV. CI, § 3, optie vzw, KB W.Venn.
  • 6. Art. 95, § 1, IV. CI, § 3, optie vzw, KB W.Venn.
  • 7. De Commissie is er zich terdege van bewust dat IAS 1 een grote vrijheid laat inzake presentatie. Zo vertrekt IAS 1, & 29 dat elke materiële post dient afzonderlijk in de jaarrekening te worden gepresenteerd. Niet-materiële bedragen dienen te worden samengevoegd met bedragen van soortgelijke aard of functie en hoeven niet afzonderlijk te worden gepresenteerd. Deze standaard is evenwel niet compatibel met het intern Belgisch boekhoudrecht en met name met het KB W.Venn.
  • 8. Art. 95, § 1, VIII. B., optie vzw KB W.Venn.
  • 9. Art. 95, § 1, IX, optie vzw KB W.Venn.
  • 10. Art. 84 KB W.Venn.
  • 11. De bepalingen vervat in art. 100 KB W.Venn. worden in deze buiten beschouwing gelaten.
  • 12. Art. 36, eerste lid KB W.Venn.
  • 13. Art. 41, § 2 KB W.Venn.
  • 14. Art. 73, eerste en tweede lid KB W.Venn.
  • 15. Art. 74 KB W.Venn.
  • 16. Art. 75 KB W.Venn.
  • 17. Art. 91, XX, optie vzw KB W.Venn.