COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN
CBN-advies 2014/3 – De boekhoudkundige verwerking van mutaties binnen het eigen vermogen van een geassocieerde onderneming (update)
Advies van 2 april 20141, bijgewerkt op 25 juni 20252
Inleiding
In hetgeen volgt wenst de Commissie aan de hand van een praktisch voorbeeld te illustreren hoe wijzigingen binnen het eigen vermogen van een geassocieerde onderneming, andere dan wijzigingen ten gevolge van het resultaat van het boekjaar met uitsluiting van het gedeelte hiervan dat bij bestemming anderszins dan als dividend wordt toegekend, dienen te worden verwerkt in de geconsolideerde jaarrekening.
De Commissie denkt in dit kader concreet aan de uitdrukking van een herwaarderingsmeerwaarde, de verkrijging van een kapitaalsubsidie, de overboeking van een gerealiseerde meerwaarde naar de belastingvrije reserves en het boeken van een uitgiftepremie naar aanleiding van de uitgifte van een converteerbare obligatielening. Dit zijn zogenaamde direct-to-equity mutaties die een wijziging van het eigen vermogen tot gevolg hebben zonder de tussenkomst van een resultaatverwerking.
In artikel 3:142, § 1 van het koninklijk besluit tot uitvoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna: KB WVV) wordt gesteld dat volgens de vermogensmutatiemethode (verder VMM) een deelneming in de geconsolideerde balans opgenomen wordt voor het bedrag dat overeenkomt met het deel van het eigen vermogen van de geassocieerde onderneming dat deze deelneming belichaamt.
Artikel 3:143 KB WVV lijkt te laten uitschijnen dat enkel het resultaat van het boekjaar, met uitsluiting van het gedeelte hiervan dat bij bestemming anderszins dan als dividend wordt toegekend, het voorwerp kan uitmaken van een wijziging aan het eigen vermogen van een geassocieerde onderneming.
Daarnaast wenst de Commissie tevens te wijzen op toelichting CONSO 5 van het model van de geconsolideerde jaarrekening, waar de consoliderende moeder een aansluiting dient te verstrekken van de geconsolideerde reserves. De impact van zogenaamde direct-to-equity mutaties bij de geassocieerde ondernemingen zal ook hier op een passende wijze moeten toegelicht worden.
Praktische uitwerking
In het onderstaande voorbeeld gaan we ervan uit dat onderneming A nog andere participaties heeft dewelke zij integraal dient te consolideren en derhalve verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen.
De balans van de enkelvoudige jaarrekening van onderneming A per 1 december 20X3:
| Onderneming A | |||
|---|---|---|---|
| Terreinen | 660 | Kapitaal | 1.500 |
| Installaties | 3.300 | Reserves | 300 |
| Financiële vaste activa | 2.000 | Resultaat | 2.800 |
| Voorraden | 2.500 | Financiële schulden | 5.000 |
| Liquide middelen | 2.100 | Leveranciers | 960 |
| 10.560 | 10.560 | ||
De balans van de enkelvoudige jaarrekening van onderneming B per 1 december 20X3:
| Onderneming B | |||
|---|---|---|---|
| Gebouwen | 500 | Kapitaal | 250 |
| Liquide middelen | 700 | Reserves | 800 |
| Financiële schulden | 150 | ||
| 1.200 | 1.200 | ||
Op 1 december 20X3 verwerft onderneming A een belang van 20 % in onderneming B voor een bedrag van 500. Het consolidatieverschil wordt als volgt berekend:
| Eigen vermogen onderneming B | 1.050 |
| Aandeel in eigen vermogen onderneming: 20 % x 1.050 | 210 |
| Aankoopprijs | 500 |
| Positief consolidatieverschil: 500 - 210 | 290 |
Veronderstel dat onderneming A op 1 december 20X3 een tussentijdse geconsolideerde balans zou opmaken, waarin enkel de geassocieerde ondernemingen volgens de vermogensmutatiemethode worden opgenomen, dan zou deze als volgt voorgesteld worden:
| Onderneming A – Geconsolideerde balans | ||||
|---|---|---|---|---|
| Positieve consolidatieverschillen | 290 | Kapitaal | 1.500 | |
| Terreinen | 660 | Geconsolideerde reserves | 3.100 | |
| Installaties | 3.300 | Reserves onderneming A | 300 | |
| Financiële vaste activa | 2.000 | Resultaat onderneming A | 2.800 | |
| Venn. waarop VMM is toegepast | 210 | Financiële schulden | 5.000 | |
| Voorraden | 2.500 | Leveranciers | 960 | |
| Liquide middelen | 1.600 | |||
| 10.560 | 10.560 | |||
Tijdens de periode 1 december 20X3 tot 31 december 20X3 heeft de onderneming B een winst van 400 gerealiseerd waardoor de enkelvoudige balans per 31 december 20X3 als volgt kan worden voorgesteld:
| Onderneming B | |||
|---|---|---|---|
| Gebouwen | 800 | Kapitaal | 250 |
| Liquide middelen | 800 | Reserves | 800 |
| Resultaat periode 1/12 – 31/12 | 400 | ||
| Financiële schulden | 150 | ||
| 1.600 | 1.600 | ||
De geconsolideerde balans van onderneming A per 31 december 20X3 wordt als volgt gepresenteerd:
| Onderneming A – Geconsolideerde balans | ||||
|---|---|---|---|---|
| Positieve consolidatieverschillen | 232 | Kapitaal | 1.500 | |
| Terreinen | 660 | Geconsolideerde reserves | 2.592 | |
| Installaties | 2.970 | Reserves onderneming A | 300 | |
| Financiële vaste activa | 2.000 | Resultaat onderneming A | 2.270 | |
| Venn. waarop VMM is toegepast | 290 | Aandeel in resultaat ond. B | 80 | |
| Voorraden | 2.300 | Afschr. consolidatieverschil | -58 | |
| Liquide middelen | 1.300 | Financiële schulden | 4.600 | |
| Leveranciers | 1.060 | |||
| 9.752 | 9.752 | |||
Het positieve consolidatieverschil wordt afgeschreven over 5 jaar, dit resulteert in een afschrijving van 58 per jaar die ten laste van het geconsolideerde resultaat wordt geboekt. De aangroei van Vennootschappen waarop vermogensmutatie is toegepast heeft integraal betrekking op het resultaat van onderneming B over december 20X3 rekening houdend met het belang van vennootschap A, ofwel 400 aan 20 % geeft 80.
Per 1 januari 20X6, ofwel 31 december 20X5, werden de positieve consolidatieverschillen en installaties verder afgeschreven. Daarnaast werden de resultaten van de geassocieerde onderneming B tevens toegevoegd ten belope van 20 % aan de geconsolideerde reserves. Dit geeft volgende geconsolideerde balans per 1 januari 20X6 (31 december 20X5):
| Onderneming A – Geconsolideerde balans | ||||
|---|---|---|---|---|
| Positieve consolidatieverschillen | 116 | Kapitaal | 1.500 | |
| Terreinen | 660 | Geconsolideerde reserves | 1.116 | |
| Installaties | 2.310 | Reserves onderneming A | 300 | |
| Financiële vaste activa | 2.000 | Resultaat onderneming A | 810 | |
| Venn. waarop VMM is toegepast | 390 | Aandeel in resultaat ond. B | 180 | |
| Voorraden | 1.500 | Afschr. consolidatieverschil | -174 | |
| Liquide middelen | 700 | Financiële schulden | 4.800 | |
| Leveranciers | 260 | |||
| 7.676 | 7.676 | |||
In 20X6 rapporteert het bestuursorgaan van onderneming B aan het bestuursorgaan van onderneming A dat er een herwaarderingsmeerwaarde voor 500 werd geboekt in de enkelvoudige cijfers en dat het resultaat over 20X6 250 bedraagt.
In de geconsolideerde jaarrekening van onderneming A per 31 december 20X6 zal de aangroei van het vermogen van onderneming B, enerzijds door het resultaat van de periode (zijnde 250 aan 20 %, ofwel 50) en anderzijds door het uitdrukken van de herwaarderingsmeerwaarde op de materiële vaste activa (zijnde 500 aan 20 % ofwel 100), op een verschillende wijze moeten worden verwerkt.
Conform artikel 3:143 KB WVV dient onderneming A in haar geconsolideerde jaarrekening het aandeel in het resultaat van de geassocieerde onderneming toe te voegen aan de waarde waartegen de deelneming in de geconsolideerde balans overeenkomstig de vermogensmutatiemethode werd opgenomen. Het aandeel van het resultaat dat aan deze deelneming kan worden toegerekend, wordt vermeld in de geconsolideerde resultatenrekening onder een afzonderlijke post Aandeel in het resultaat waarop vermogensmutatiemethode is toegepast3.
Artikel 3:143 KB WVV spreekt zich evenwel niet uit hoe de in de geassocieerde onderneming geboekte herwaarderingsmeerwaarde moet worden verwerkt in de geconsolideerde jaarrekening van onderneming A per 31 december 20X6. De toevoeging aan de geconsolideerde resultaten van het aandeel van onderneming A in deze herwaarderingsmeerwaarde zou ertoe leiden dat niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen in de geconsolideerde resultatenrekening. Om deze reden is de Commissie de mening toegedaan dat het aandeel in de herwaarderingsmeerwaarde van de geassocieerde onderneming rechtstreeks aan de geconsolideerde reserves moet worden toegevoegd.
Dit heeft tot gevolg dat de geconsolideerde balans van onderneming A per 31 december 20X6 als volgt kan worden voorgesteld:
| Onderneming A – Geconsolideerde balans | ||||
|---|---|---|---|---|
| Positieve consolidatieverschillen | 58 | Kapitaal | 1.500 | |
| Terreinen | 660 | Geconsolideerde reserves | 1.178 | |
| Installaties | 1.980 | Reserves onderneming A | 300 | |
| Financiële vaste activa | 2.000 | Resultaat onderneming A | 780 | |
| Venn. waarop VMM is toegepast | 540 | Aandeel in resultaat ond. B | 230 | |
| Voorraden | 1.800 | Afschr. consolidatieverschil | -232 | |
| Liquide middelen | 300 | Aandeel in HWMW ond. B | 100 | |
| Financiële schulden | 4.500 | |||
| Leveranciers | 160 | |||
| 7.338 | 7.338 | |||
- 1Onderhavig advies is tot stand gekomen nadat een ontwerp van het advies op 20 januari 2014 ter consultatie werd gepubliceerd op de website van de CBN.
- 2Onderhavig geactualiseerd advies is tot stand gekomen nadat het ontwerpadvies op 30 april 2025 ter publieke consultatie werd gepubliceerd op de website van de CBN.
- 3Art. 3:145, § 1 KB WVV.