COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2014/3 – De boekhoudkundige verwerking van mutaties binnen het eigen vermogen van een geassocieerde onderneming

Advies van 2 april 20141 

Inleiding

In hetgeen volgt wenst de Commissie aan de hand van een praktisch voorbeeld te illustreren hoe wijzigingen binnen het eigen vermogen van een geassocieerde onderneming, andere dan wijzigingen ten gevolge van het resultaat van het boekjaar met uitsluiting van het gedeelte hiervan dat bij bestemming anderszins dan als dividend wordt toegekend, dienen te worden verwerkt in de geconsolideerde jaarrekening.

De Commissie denkt in dit kader concreet aan de uitdrukking van een herwaarderingsmeerwaarde, de verkrijging van een kapitaalsubsidie, de overboeking van een gerealiseerde meerwaarde naar de belastingvrije reserves en het boeken van een uitgiftepremie naar aanleiding van de uitgifte van een converteerbare obligatielening. Dit zijn zogenaamde direct-to-equity mutaties die een wijziging van het eigen vermogen tot gevolg hebben zonder de tussenkomst van een resultaatverwerking.

In artikel 152, § 1 KB W.Venn. wordt gesteld dat volgens de vermogensmutatiemethode (verder VMM) een deelneming in de geconsolideerde balans opgenomen wordt voor het bedrag dat overeenkomt met het deel van het eigen vermogen van de geassocieerde onderneming dat deze deelneming belichaamt.

Artikel 153 KB W.Venn. lijkt te laten uitschijnen dat enkel het resultaat van het boekjaar, met uitsluiting van het gedeelte hiervan dat bij bestemming anderszins dan als dividend wordt toegekend, het voorwerp kan uitmaken van een wijziging aan het eigen vermogen van een geassocieerde onderneming. 

Daarnaast wenst de Commissie tevens te wijzen op toelichting 4.11 van het geconsolideerde jaarrekeningschema, waar de consoliderende moeder een aansluiting dient te verstrekken van de geconsolideerde reserves. De impact van zogenaamde direct-to-equity mutaties bij de geassocieerde ondernemingen zal ook hier op een passende wijze moeten toegelicht worden.

Praktische uitwerking

In het onderstaande voorbeeld gaan we ervan uit dat onderneming A nog andere participaties heeft dewelke zij integraal dient te consolideren en derhalve verplicht is een geconsolideerde jaarrekening op te stellen.

De balans van de enkelvoudige jaarrekening van onderneming A per 1 december 20X3:
 
De balans van de enkelvoudige jaarrekening van onderneming B per 1 december 20X3:

 
Op 1 december 20X3 verwerft onderneming A een belang van 20 % in onderneming B voor een bedrag van 500. Het consolidatieverschil wordt als volgt berekend:

Eigen vermogen onderneming B 1.050
Aandeel in eigen vermogen onderneming: 20 % x 1.050 210
Aankoopprijs     500
Positief consolidatieverschil: 500 - 210 290

Veronderstel dat onderneming A op 1 december 20X3 een tussentijdse geconsolideerde balans zou opmaken, waarin enkel de geassocieerde ondernemingen volgens de vermogensmutatiemethode worden opgenomen, dan zou deze als volgt voorgesteld worden:


Tijdens de periode 1 december 20X3 tot 31 december 20X3 heeft de onderneming B een winst van 400 gerealiseerd waardoor de enkelvoudige balans per 31 december 20X3 als volgt kan worden voorgesteld:

 
De geconsolideerde balans van onderneming A per 31 december 20X3 wordt als volgt gepresenteerd:

 
Het positieve consolidatieverschil wordt afgeschreven over 5 jaar, dit resulteert in een afschrijving van 58 per jaar die ten laste van het geconsolideerde resultaat wordt geboekt. De aangroei van Vennootschappen waarop vermogensmutatie is toegepast heeft integraal betrekking op het resultaat van onderneming B over december 2013 rekening houdend met het belang van vennootschap A, ofwel 400 aan 20 % geeft 80. 

Per 1 januari 20X6, ofwel 31 december 20X5, werden de positieve consolidatieverschillen en installaties verder afgeschreven. Daarnaast werden de resultaten van de geassocieerde onderneming B tevens toegevoegd ten belope van 20 % aan de geconsolideerde reserves. Dit geeft volgende geconsolideerde balans per 1 januari 20X6 (31 december 20X5):

 
In 20X6 rapporteert het bestuursorgaan van onderneming B aan het bestuursorgaan van onderneming A dat er een herwaarderingsmeerwaarde voor 500 werd geboekt in de enkelvoudige cijfers en dat het resultaat over 20X6 250 bedraagt.

In de geconsolideerde jaarrekening van onderneming A per 31 december 20X6 zal de aangroei van het vermogen van onderneming B, enerzijds door het resultaat van de periode (zijnde 250 aan 20 %, ofwel 50) en anderzijds door het uitdrukken van de herwaarderingsmeerwaarde op de materiële vaste activa (zijnde 500 aan 20 % ofwel 100), op een verschillende wijze moeten worden verwerkt.

Conform art. 153 KB W. Venn. dient onderneming A in haar geconsolideerde jaarrekening het aandeel in het resultaat van de geassocieerde onderneming toe te voegen aan de waarde waartegen de deelneming in de geconsolideerde balans overeenkomstig de vermogensmutatiemethode werd opgenomen. Het aandeel van het resultaat dat aan deze deelneming kan worden toegerekend, wordt vermeld in de geconsolideerde resultatenrekening onder een afzonderlijke post “Aandeel in het resultaat waarop vermogensmutatiemethode is toegepast”2.

Art. 153 KB W.Venn. spreekt zich evenwel niet uit hoe de in de geassocieerde onderneming geboekte herwaarderingsmeerwaarde moet worden verwerkt in de geconsolideerde jaarrekening van onderneming A per 31 december 20X6. De toevoeging aan de geconsolideerde resultaten van het aandeel van onderneming A in deze herwaarderingsmeerwaarde zou ertoe leiden dat niet-gerealiseerde resultaten worden opgenomen in de geconsolideerde resultatenrekening. Om deze reden is de Commissie de mening toegedaan dat het aandeel in de herwaarderingsmeerwaarde van de geassocieerde onderneming rechtstreeks aan de geconsolideerde reserves moet worden toegevoegd.

Dit heeft tot gevolg dat de geconsolideerde balans van onderneming A per 31 december 20X6 als volgt kan worden voorgesteld:

 

  • 1. Onderhavig advies is tot stand gekomen nadat een ontwerp van het advies op 20 januari 2014 ter consultatie werd gepubliceerd op de website van de CBN.
  • 2. Artikel 155, § 1 KB W.Venn.