COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 108/4 - Vermelding door een investeringsmaatschappij van het aandelenbezit in andere vennootschappen


Met toepassing van de Vierde EEG-Richtlijn1 vereist het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 de vermelding in de toelichting van de vennootschappen waarin de onderneming een aandeel in het kapitaal bezit dat ten minste 10 %2 van het geplaatste kapitaal beloopt. De richtlijn bepaalt echter dat de Lid-Staten kunnen toestaan - gebeurlijk mits toestemming van overheid of rechter - dat deze gegevens achterwege worden gelaten indien het vermelden ervan aan een van de betrokken ondernemingen ernstig nadeel kan berokkenen3.

Op basis van deze bepaling werd bij de Minister van Economische Zaken een verzoek tot afwijking ingediend door een investeringsmaatschappij waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het financieren van ondernemingen via het opnemen van een tijdelijk minderheidsbelang in hun kapitaal, dit:

  • zonder inmenging in het bestuur van de betrokken ondernemingen, en
  • mits uitdrukkelijk wederzijds beding van wederafstand en van inkoop van de betrokken aandelen bij het verstrijken van de overeengekomen termijn tegen een vastgestelde prijs.

De investeringsmaatschappij steunde haar verzoek tot niet verplichte publicatie van de onder deze voorwaarden verworven en in bezit gehouden aandelen op een dubbele overweging : enerzijds, dat deze publicatie zowel aan de investeringsmaatschappij als aan de betrokken onderneming ernstige schade zou kunnen toebrengen; anderzijds, dat zulke financiering dichter aanleunt bij een kredietverrichting dan bij een investering; welnu, voor verstrekte kredieten is geen nominatieve en individuele vermelding verplicht gesteld.

Op gunstig advies van de Commissie heeft de Minister van Economische Zaken de gevraagde afwijking toegestaan.

 

  • 1. Artikel 43, § 1, 2°.
  • 2. De richtlijn voorziet dat dit percentage door de Lid-Staten wordt bepaald, maar dat het op maximaal 20 % mag worden vastgesteld.
  • 3. Artikel 45, § 1, b).