COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2016/18 – Prestaties geleverd aan overheid – verschuldigde btw

Advies van 7 september 20161

Inleiding

Voor de leveringen van goederen en diensten die zijn verricht aan overheden2, geldt een specifieke regeling om te vermijden dat de prestatieverstrekker de aan een overheid aangerekende btw, moet voorfinancieren. Voor leveringen3 van roerende goederen aan een overheid of voor diensten4 verricht aan een overheid is de btw over het ontvangen bedrag aldus slechts opeisbaar5 op het tijdstip waarop de betaling of een deel ervan wordt ontvangen.

Onderhavig advies strekt ertoe te verduidelijken op welke wijze een btw-plichtige6 een factuur moet opnemen in haar boekhouding wanneer deze factuur werd uitgereikt aan een overheid waarbij de opeisbaarheid van de btw wordt uitgesteld7 tot op het ogenblik van de betaling of de gedeeltelijke8 betaling van de prijs. Andere gevallen, bijvoorbeeld het geval waarin de overheid gehouden is om de btw te voldoen als medecontractant, komen niet aan bod in onderhavig advies.

Boekhoudkundige verwerking

Indien een btw-plichtige een goed heeft geleverd of een dienst heeft verricht aan een overheid wordt in principe btw geheven over deze prestatie. De overheid is er aldus toe gehouden om het gefactureerde bedrag, met inbegrip van de aangerekende btw, te betalen aan de prestatieverstrekker. Bijgevolg stemt de nominale waarde van de vordering op de overheid overeen met het bedrag van de geleverde prestatie met inbegrip van de btw die wordt geheven op deze prestatie. Overeenkomstig artikel 67, § 1 KB W.Venn. worden vorderingen in de balans opgenomen voor hun nominale waarde. Bijgevolg moet de vordering worden opgenomen in de boekhouding van de prestatieverstrekker voor het bedrag inclusief btw. Het al dan niet opeisbaar zijn van de btw heeft aldus geen invloed op de waardering van de vordering.

Zoals hiervoor vermeld is de door de prestatieverstrekker aangerekende btw slechts opeisbaar op het ogenblik en in de mate dat de overheid de prijs betaalt. Teneinde een onderscheid te maken tussen de opeisbare9 btw enerzijds en de nog niet opeisbare btw anderzijds, kan het volgens de Commissie nuttig zijn om de nog niet opeisbare btw op te nemen in een afzonderlijke subrekening binnen de rekening 451 Te betalen BTW.

 

  • 1. Onderhavig advies is tot stand gekomen nadat een ontwerp van het advies op 27 mei 2016 ter consultatie werd gepubliceerd op de website van de CBN.
  • 2. Met overheden worden in het onderhavig advies bedoeld: de publiekrechtelijke lichamen als bedoeld in artikel 6 van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde (hierna: W.BTW).
  • 3. Artikel 17, § 4 W.BTW, van toepassing vanaf 1 januari 2016, zoals vervangen door artikel 3 van de Wet van 6 december 2015 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot de opeisbaarheid van de btw.
  • 4. Artikel 22, § 4 W.BTW, van toepassing vanaf 1 januari 2016, zoals vervangen door artikel 4 van de Wet van 6 december 2015 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot de opeisbaarheid van de btw.
  • 5. Met de termen opeisbaar en opeisbaarheid wordt in onderhavig advies steeds verwezen naar de specifieke betekenis die deze begrippen hebben in het W.BTW
  • 6. Hier wordt bedoeld een btw-plichtige die een boekhouding moet voeren met inachtneming van de gebruikelijke regels van het dubbel boekhouden (artikelen I. 5 W.E.R. en III.84 W.E.R.).
  • 7. Uitgesteld door toepassing van de artikelen 17, § 4 en 22, § 4 W.BTW.
  • 8. Bij de betaling van een deel van de prijs wordt de btw in de mate van die betaling opeisbaar (Memorie van toelichting bij de wet van 6 december 2015 tot wijziging van het Wetboek van de belasting over de toegevoegde waarde met betrekking tot de opeisbaarheid van de btw (BS 17 december 2015), Doc 54 1311/001, 9).
  • 9. Opeisbaar overeenkomstig artikel 17, § 4 en 22, § 4 W.BTW.