COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 1-3 - Ondernemingen: openbare  instellingen   

Dit  advies  is  verouderd  wegens  wijziging  van  artikel  1  §1  3°  van  de  wet  van  17  juli 1975

De  Commissie  heeft  talrijke  verzoeken  om  advies  ontvangen  met betrekking  tot  de toepassingscriteria  van  de  wet  van  17 juli  1975 en  de  voor  haar  uitvoering  genomen besluiten  voor  openbare instellingen.   
  
Een  openbare  instelling  kan,  volgens  de  bewoordingen  van  artikel 1  van  de  wet,  in  het toepassingsgebied  van  deze  wet vallen  op grond  van  twee  alternatieve  criteria  :  enerzijds de  rechtsvorm waarin  ze  is  opgericht;  anderzijds  het  feit  dat haar  verbintenissen door  de wet  als  handelsverbintenissen  worden  beschouwd.   
  
Wat  het  eerste  criterium  betreft  bepaalt  de  wet  op  uitdrukkelijke en afzonderlijke  wijze dat  aan  haar  bepalingen onderworpen  zin  de vennootschappen  die  de  rechtsvorm  van een  handelsvennootschap hebben  aangenomen.  Daaronder worden  verstaan  de vennootschappen  die  hun  handelskarakter  niet  ontlenen  aan  hun voorwerp  maar  die opgericht  zijn oner  één  der  vormen  waarvan sprake  is  in  artikel  2  van  de  gecoördineerde wetten  op  de handelsvennootschappen.  Juist zoals  deze  vennootschappen, terwille van hun  rechtsvorm,  onderworpen  zijn  aan  de  gecoördineerde wetten  en  uit  dien hoofde  een jaarrekening  moeten  opstellen  en bekendmaken1,  zijn  ze  uit  hoofde  van  hun rechtsvorm onderworpen  aan de  wet  op  de  boekhouding  en  aan  haar uitvoeringsbesluiten.  Zodra  een  openbare  instelling  de  rechtsvorm heeft  van  een handelsvennootschap  is  het  niet  meer  relevant  te stellen  dat  het  voowerp  van  de vennootschap  niet  commercieel zou zijn of  dat  ze  geen  winstgevend  doel  zou  nastreven. Zo  ook  is  er geen  reden  meer  om  na  te  gaan  of  de  statuten  van de vennootschap bepalingen  bevatten  die  afwijken  van  het  algemee vennootschapsrecht.2   
  
Wat  het  tweede  criterium  betreft  :  wanneer  de  verbintenissen  van de  betrokken openbare  instelling  als handelsverbintenissen  worden beschouwd.  De  toepassing  van  dit tweede  criterium  levert  geen probleem  op  wanneer  de bijzondere  wet  die  de  openbare instelling beheerst  epliciet  bepaalt  dat  haar  verbintenissen  als handelsverbintenissen worden  beschouwd3.  De  vraag  rijst  evenwel of  een  openbare  instelling,  voor  dewelke de  organieke  wet  geen dergelijke bepaling  bevat  en  die  hoofdzakelijk  of  op  bijkomende wijze  handelingen  verricht  ie  door  de  wet  als handelsverbintenissen worden  beschouwd krachtens  de  artikelen  2  en  3  van  het Wetboek van  Koophandel  door  ditcriterium  wordt bedoeld.  De Commissie  is van  oordeel  dat  het  uitoefenen  van  een  dergelijke  activiteit,  in het licht  van  dit  tweede  criterium,  slechts onderwerping  aan  de  wet met  zich  brengt indien  die  activiteit  in  feite  in  hoofde  van  de instelling  die  ze  uitoefent  ee handelskarakter  heeft  dat  zelf, overeenkomstig  het  gemeen  recht,  verband  houdt  met  het nagestreefde  of  opgelegde winstgevend  doel.   

Er  moet  evenwel  worden  opgemerkt  dat,  krachtens  artikel  7  van de  wet  van  16  maart 1954,  de  instellingen  van openbaar  nut  die door  deze  wet  worden  beoogd  en  die overeenkomstig  hun  statuten een  handels‐,  financiële  of industriële  activiteit  uitoefenen, verplicht zijn  hun  boekhouding  te  voeren  volgens  de  commerciële methodes.   
  
Het  lijkt  buiten  kijf  dat  voor  deze  instellingen  de  verwijzing  naar de  commerciële methodes  inzake  boekhouding  voortaan geïnterreteerd  moet  worden  in  functie  van  het algemeen boekhoudrecht,  zoals  dit  voortvloeit  uit  de  wet  van  17  juli  1975 en haar uitvoeringsbesluiten,  ten  minste  voor  wat  betreft  de  punten die niet  geregeld  werden door  of  krachtens4  de wet  van  16  maart 1954.   
  
Het  koninklijk  besluit  van  8  oktober  1976  heeft,  bij  sommige instellingen, toepassingsmoeilijkheden  doen  rijzen  gelet  op bijzondere  bepalingen  met  betrekking  tot hun  jaarrekening  die voorkwamen  in  hun  rganieke  wet  of  in  hun  statuten.  Tal van  deze bepalingen  hebben  hun  effect  verloren  in  toepassing  van  artikel 17,  eerste  lid,  van  de wet  van  16  maart  1954; maar  het  in overeenstemming  brengen  met  de  bepalingen  van deze  wet, overeenkomstig  artikel  17,  tweede  en  derde  lid, werd  niet  op expliciete  wijze verricht.   
  
Voorts  zijn  er  in  bepaalde  gevallen  verschillende  interpretaties  over de  vraag  of  deze bijzondere  wettelijke  en  statutaire bepaingen  de bepalingen  van  de  wet  van  16  maart 1954  aanvullen  of  er daarentegen  «tegenstrijdig  of  niet  in overeenstemming»  mee  zijn.   
  
Tenslotte  steunen  sommige  van  deze  bijzondere  bepalingen  meer op  een  boekhouding gevoerd  volgens  het  stelsel  van begrotingsbeher  dan  wel  op  een  boekhouding  gevoerd volgens commerciële  methodes.   
  
De  Minister  van  Economische  Zaken  heeft,  in  toepassing  van artikel  15  van  de  wet  op  de boekhouding,  aan verschillende openbare  instellingen  die  zich  in  dit  geval  bevonden, afwijkingen toegestaan  van  diverse  bepalingen  van  het besluit  van  8  oktober 1976.  Deze vragen  zullen  in  de  toekomst  meer  diepgaand  worden onderzocht  in  overleg  met  de diverse  instellingen  en  de  bevoegde miniseriële  departementen.  Artikel  12  van  het ontwerp  van  wet houdende economische  en  budgettaire  hervormingen  laat  toe  de nodige aanpassingen  aan  de  divrse  statuten  door  te  voeren teneinde  ze  in  overstemming  te brengen  met  de  wet  op  de boekhouding.   
 

  • 1. Er  wordt  geen  rekening  gehouden  met  de  veronderstelling  dat  de  openbare  instelling  opgericht  is  in  de  rechtsvorm  van  een  vennotschap  onder  gemeenschappelijke  naam  of  een  eenvoudige  commanditaire  vennootschap.  
  • 2. Krachtens  de  wet  van  1  maart  1922  met  betrekking  tot  de  verenigingen  van  gemeenten,  mogen  deze  verenigingen  de  rechtsvorm  van  een  handelsvennootschap  aannemen;  hun  statuten  kunnen  evenwel  afwijken  van  het  algemeen  vennootschapsrecht.   
  • 3. Dit  is  onder  meer  het  geval  voor  de  Regie  van  Telegrafie  en  Telefonie  en  voor  de  Regie  der  Luchtwegen.  
  • 4. Cf.  het  koninklijk  besluit  van  7  april  1954  houdende  algemeen  reglement  op  het  budget  en  de  boekhouding  van  de  instellingen  van  opnbaar  nut  bedoeld  door  de  wet  van  16  maart  1954.