CBN advies 126-14 - Boekhoudkundige verwerking van een ruilverrichting en een aanbod tot inschrijving door inbreng in natura

De Commissie werd gevraagd naar het boekingstijdstip en de boekingswijze van een verrichting waarbij twee vennootschappen onderling goederen ruilen (meestal effecten). 

Uit onderzoek blijkt dat een fundamenteel onderscheid moet worden gemaakt tussen : 
 

  • enerzijds, de eigenlijke ruilverrichting die bestaat uit een dubbele vervreemding tussen dezelfde partijen van bestaande zaken waarvan zij respectievelijk eigenaar zijn; 
  • anderzijds, het aanbod tot inschrijving waarbij een vennootschap, in het kader van een kapitaalverhoging, nieuwe aandelen creëert om de inbreng in natura door de inschrijvers te vergoeden. 

In beide gevallen kan de verrichting, in voorkomend geval, de vorm aannemen van een openbaar bod tot omruiling als bedoeld in artikel 3, 3° van het Koninklijk Besluit van 8 november 1989 op de openbare overnameaanbiedingen en de wijzigingen in de controle op vennootschappen. De tweede hypothese zal zich trouwens over het algemeen voordoen wanneer de bieder, in het kader van zo'n openbaar bod tot omruiling, niet over de als tegenprestatie aan te bieden effecten beschikt, maar wel over de bevoegdheid om ze uit te geven (hypothese waarvan sprake in artikel 3, 3° van het Koninklijk Besluit van 8 november 1989). 

Beide situaties zijn noch qua juridische kwalificatie, noch qua boekhoudkundige verwerking identiek. 

In het eerste geval gaat het om een ruilovereenkomst als bedoeld in artikel 1702 van het Burgerlijk Wetboek, waarvan de boekhoudkundige verwerking wordt beheerst door artikel 21, tweede lid van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen. Het gaat immers om de dubbele vervreemding van twee actuele en bestaande goederen met als enig doel de betrokken goederen te ruilen, zonder daarbij het eigen vermogen van de betrokken vennootschappen te beïnvloeden. Voorbeeld : een contract waarbij vennootschap A, eigenaar van aandelen X (deelneming in vennootschap X), en vennootschap B, eigenaar van aandelen Y (deelneming in vennootschap Y), hun respectieve aandelen X en Y ruilen (zie punt 1. hieronder). 

Als vennootschap B daarentegen aan de aandeelhouders van vennootschap X (en dus aan vennootschap A) voorstelt in te schrijven op aandelen die zij voornemens is uit te geven via een kapitaalverhoging, door inbreng van hun aandelen X, dan gaat het over een inschrijving door de aandeelhouders van X op een kapitaalverhoging van B door de inbreng in natura van aandelen X. Die verrichting moet boekhoudrechtelijk worden verwerkt conform de regels die gelden voor inbrengen in natura 1

Het verslag aan de Koning dat het Koninklijk Besluit van 3 december 1993 voorafgaat (dat specifieke regels invoert met betrekking tot de aanschaffingswaarde van door ruil verworven goederen en waarden en als vergoeding voor inbrengen in natura verkregen deelnemingen en aandelen), bepaalt trouwens dat de in artikel 21, tweede lid van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976 bedoelde ruilverrichtingen niet slaan op in artikel 23 van het voornoemde Koninklijk Besluit bedoelde inschrijvingen of inbrengen. 

Bijgevolg zijn de boekhoudregels inzake ruilverrichtingen niet van toepassing wanneer, zelfs in het kader van een bod dat als een openbaar bod tot omruiling wordt voorgesteld, in de zin van de financiële reglementering, de bieder de inbreng vergoedt door de uitgifte van nieuwe aandelen. 

In dit advies wordt de boekhoudkundige verwerking bepaald voor beide voornoemde soorten verrichtingen. 

DE RUILVERRICHTINGEN ALS BEDOELD IN ARTIKEL 21, TWEEDE LID VAN HET KONINKLIJK BESLUIT VAN 8 OKTOBER 1976 

Datum waarop een ruilverrichting moet worden geboekt 

De vraag werd gesteld wanneer een ruilverrichting en het resultaat daarvan (kost of opbrengst) moeten worden geboekt, onder meer wanneer de geruilde goederen (of een deel daarvan) later worden geleverd. 

Het bepalen van die datum is om twee redenen belangrijk : 
 

  • ten eerste, bepaalt die datum de waardebepaling van het door ruil verkregen actiefbestanddeel. De aanschaffingsprijs van een door ruil verkregen actiefbestanddeel is immers de marktwaarde van het (de) in ruil hiervoor overgedragen actiefbestanddeel (-delen). Is deze waarde moeilijk vast te stellen, dan is de aanschaffingsprijs de marktwaarde van het door ruil verkregen actiefbestanddeel. Deze waarden worden geschat op datum van de ruil2
  • ten tweede, wanneer de levering van de geruilde goederen wordt uitgesteld en in een later boekjaar plaatsvindt, bepaalt die datum op welk boekjaar het resultaat van de ruil (realisatiemeerwaarde of -minderwaarde) betrekking heeft. 

Enerzijds is de ruil een consensueel contract dat tot stand komt door de enkele toestemming van de partijen over de zaak en de ruilvoorwaarden, los van de materiële levering van de geruilde goederen (zie terzake artikel 1703 van het Burgerlijk Wetboek); anderzijds moet, krachtens artikel 19 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976, rekening worden gehouden met de kosten en opbrengsten die betrekking hebben op het boekjaar, ongeacht op welke dag die kosten en opbrengsten worden betaald of geïnd. Bijgevolg moeten de ruil en de resultaten daarvan worden geboekt zodra de betrokken partijen het eens zijn over de ruilvoorwaarden. 

De datum van de materiële levering van de goederen waarop de ruil betrekking heeft, is dus irrelevant om het ogenblik te bepalen waarop de ruil wordt geacht te zijn gerealiseerd. 

Wanneer aan het ruilaanbod een opschortende voorwaarde is verbonden, heeft de verwezenlijking van de voorwaarde terugwerkende kracht en impliceert ze dat de ruilovereenkomst wordt geacht te hebben plaatsgevonden bij de wilsovereenstemming over de voorwaarden van het bod3

Wanneer de ruil plaatsheeft in het kader van een openbaar bod tot omruiling (dat, in dat geval, niet impliceert dat één van de bij de ruil betrokken partijen een kapitaalverhoging doorvoert door de uitgifte van nieuwe aandelen, zo niet gaat het om een inbreng die moet worden verwerkt conform punt 2 hieronder), is er sprake van een overeenkomst tussen de partijen zodra, tijdens de openingsperiode van het bod, de aandeelhouder-houder van effecten waarop het bod betrekking heeft, ter kennis brengt van de bieder (of zijn lasthebber) dat hij het bod aanvaardt. Bepalend is dus het ogenblik waarop de beide partijen tot een overeenkomst komen, die ze elkaar ter kennis brengen. 

Boekhoudkundige verwerking van een ruilverrichting 

Zodra de ruil plaatsvindt, verlaten de bij de ruil overgedragen activa in beginsel de post waarin zij waren geboekt, terwijl de door ruil verkregen goederen in de passende actiefpost worden geboekt tegen marktwaarde van de in ruil overgedragen activa, in voorkomend geval na aftrek van de ontvangen opleg of na toevoeging van de betaalde opleg (of als die moeilijk vast te stellen is, tegen marktwaarde van de door ruil verkregen activa). De eventueel gerealiseerde meer- of minderwaarde wordt in resultaat genomen. 

Wanneer de ruil betrekking heeft op vervangbare zaken waarvan de levering wordt uitgesteld en waarvan de eigendom slechts door hun individualisering wordt overgedragen, dus meestal bij levering4, moet de partij die de goederen moet leveren, in de actiefpost waarin die goederen waren geboekt, een leveringsschuld boeken die in mindering moet worden gebracht van de te leveren activa, terwijl de partij die de goederen moet ontvangen, een vordering boekt in de post waarin het te ontvangen goed zal worden geboekt. Wat de waardering van de leveringsschuld en de vordering van de te ontvangen goederen betreft, is het voornoemde artikel 21, tweede lid van overeenkomstige toepassing. 

Voorbeeld van de boekhoudkundige verwerking van een ruilverrichting 

Een vennootschap A bezit 6.000 aandelen X (geboekt voor een totaalbedrag van 4 800 000 BEF) en een vennootschap B bezit 2 000 aandelen Y (geboekt voor een totaalbedrag van 4 000 000 BEF). 

Op 15 mei beslissen de vennootschappen A en B om hun respectieve aandelen X en Y te ruilen in een verhouding van één aandeel Y voor 3 aandelen X en tegen betaling van een opleg van 200 BEF aan B (per aan B verkocht aandeel). Op 15 mei noteert het aandeel X 1 000 BEF en het aandeel Y 3 200 BEF : 
 

  • ofwel (1ste hypothese) worden de aandelen X en Y geleverd en wordt de opleg betaald op 15 mei ; 
  • ofwel (2de hypothese) worden de aandelen Y geleverd op 15 mei, terwijl de aandelen X worden geleverd en de opslag wordt betaald op 20 juni;
  • ofwel (3de hypothese) worden de aandelen X en Y pas op 20 juni geleverd en wordt ook dan de opleg betaald. 

In dit voorbeeld vindt de ruil plaats op 15 mei, de datum waarop beide partijen de overeenkomst sluiten. Bijgevolg is het de marktwaarde van de aandelen X en Y (na aftrek of toevoeging van de opleg) op die datum die de aanschaffingsprijs bepaalt van de via ruil verkregen aandelen Y en X. 

Bijgevolg moet A de in ruil voor haar aandelen X verkregen aandelen Y boeken tegen de marktwaarde van de aandelen X op datum van de ruil (in dit geval 1 000 BEF) na toevoeging van de betaalde opleg. 

B moet de in ruil voor haar aandelen Y verkregen aandelen X op haar beurt boeken tegen de marktwaarde van de aandelen Y op 15 mei (3 200 BEF) na aftrek van de opleg. 

Die verrichting resulteert dus in de volgende boekingen : 

Vóór de ruilverrichting : 

  • Balans van A 
    28... (of 51) Aandelen X 4.800.000  
      aan ... Passief   4.800.000
  • Balans van B 
    28...(of 51) aandelen Y 4.000.000  
      aan ... Passief   4.000.000


De dag van de ruil (15 mei) : 

  • In de rekeningen van A : 
    • 1ste hypothese : de aandelen X en Y worden geleverd en de opleg wordt betaald 

28... (of 51)

Aandelen Y (6.000 x 1.000 BEF) +
(2.000 x 200 BEF)

6.400.000  
  aan 28...(of 51) Aandelen X   4.800.000
    55 Kredietinstellingen (opleg)   400.000
    76..(of 75) Gerealiseerde meerwaarde   1.200.000

 

  • 2de hypothee : enkel de aandelen Y worden gelverd

 

28... (of 51) Aandelen Y 6.400.000  
  aan 28...(of 51) Schuld-effecten X   4.800.000
    48 Te betalen opleg   400.000
    76...(of 75) Gerealiseerde meeraarde   1.200.000

 

  • 3de hypothese : noch de aandelen X, noch de aandelen Y worden geleverd

 

28...(of 51) Vordering-effecten Y 6.400.000  
  aan 28...(of 51) Schuld-effecten X   4.800.000
    48 Te betalen opleg   400.000
    76... (of 75) Gerealiseerde meerwaarde   1.200.000

 

  • In de rekeningen van B : 
    • 1ste hypothese : de aandelen X en Y worden geleverd en de opleg wordt betaald : 

 

55 kredietinstellingen (opleg) 6.000.000  
  aan 28... (of 51) Aandelen Y   4.000.000
    76... (of 75) Gerealiseerde meerwaarde   2.400.000

 

  • 2de hypothese : enkel de aandlen Y worden geleverd 

 

28... (of 51) Vordering-effecten X 6.000.000  
41 Te ontvangen    
  aan 28...(of 51) Aandelen X   4.000.000
    76...(of 75) Gerealiseerde merwaarde   2.400.000

 

  • 3de hypothses : noch de aandelen X, noch de aandelen Y worden geleverd

 

28...(of 51) Vordering-effecten 6.000.000  
41 Te ontvangen opleg 400.000  
  aan 28...(of 51) Schuld-effecten   4.000.000
    76...(of 75) Gerealiseerde meerwaarde   2.400.000

 

De dag waarop de aandelen worden geleverd en de opleg wordt betaald (hypothesen 2 en 3) 

De boekingen van respectievelijk de effectenvordering en de effectenschuld, de schuld en de vordering met betrekking tot de opleg worden tegengeboekt. 
 

HET (OPENBAAR) AANBOD TOT INSCHRIJVING DOOR INBRENG IN NATURA 

Wanneer, bij een (openbaar) bod tot omruiling, de aandelen van de bieder die aan de inbrengers worden toegekend als vergoeding voor hun inbreng, nieuw gecreëerde aandelen zijn die een kapitaalverhoging vertegenwoordigen, vormt de daad waarmee de houder van de betrokken aandelen het bod aanvaardt, geen ruil maar een inbreng in natura.
 
Deze verrichting impliceert immers dat de bieder zijn kapitaal verhoogt en dat de inbrenger daarop inschrijft. 

In dat geval moet de bieder, vóór de opening van het bod, formeel beslissen tot een kapitaalverhoging ten belope van de ingebrachte effecten. In werkelijkheid gaat hij over tot een openbaar bod tot inschrijving gericht tot de houders van de aandelen waarop het bod betrekking heeft, naar verhouding van het aantal aandelen dat zij bezitten. 

Ook hier rijzen vragen omtrent de boekhoudkundige verwerking van de verrichting. 

Datum waarop de inbreng moet worden geboekt 

Overwegende dat : 
 

  • het aanbod tot inschrijving op nieuwe aandelen noodzakelijk werd voorafgegaan door een regelmatige beslissing van de bevoegde organen van de vennootschap-emittent om het kapitaal van de vennootschap te verhogen ten belope van de inschrijvingen op het bod;
  • het bod, onder voorbehoud van de uitwerking van opschortende of ontbindende voorwaarden, een onherroepelijke verbintenis van de bieder inhoudt; 
  • de inschrijving op het bod door de houders van aandelen waarop het bod slaat, onder het voornoemde voorbehoud, inhoudt dat zij een onherroepelijke verbintenis aangaan; 

is de Commissie van oordeel dat de inbreng moet worden geboekt op datum van de inschrijving, zelfs indien de formele vaststelling van de kapitaalverhoging ten belope van de inschrijvingen op het bod, pas plaatsvindt na afsluiting van het bod. 

Indien aan het bod een opschortende voorwaarde (verwerving van een minimumaantal aandelen) of een ontbindende voorwaarde (een tegenbod) is gekoppeld, heeft de verwezenlijking van die voorwaarde terugwerkende kracht tot op het ogenblik van de aanvaarding5

Het eventuele resultaat van de verrichting moet dan ook op datum van de inschrijving worden geboekt. 

Wat de consolidatie betreft, zullen de begrippen «controle» en «betekenisvolle invloed» uit de boekhoudreglementering moeten worden toegepast, rekening houdend met de veranderingen die zich sinds de inbreng hebben voorgedaan. 

Het moment van de storting van de inbreng (levering van de aandelen) of de eigendom van de ingebrachte effecten en de als vergoeding voor de inbreng ontvangen aandelen wordt overgedragen, is niet relevant. 

Als voorbeeld wordt uitgegaan van de hypothese dat, op 15 november van jaar n, het bevoegde orgaan van vennootschap B formeel beslist tot een kapitaalverhoging ten belope van de vergoeding van het aantal aandelen X dat wordt ingebracht tijdens een openbaar bod tot inschrijving dat loopt van 1 tot 15 december van jaar n. De inschrijving op dit bod door de aandeelhouders van X resulteert, op datum van de inschrijving, in de inbreng door die aandeelhouders van de aandelen X in hun bezit. Die inbreng moet dan ook als dusdanig worden geboekt. Vanaf de inbreng wordt rekening gehouden met de ingebrachte aandelen om de controlebevoegdheid van B ten opzichte van X te bepalen. 

Boekhoudkundige verwerking van een (openbaar) aanbod tot inschrijving door inbreng in natura 

In de rekeningen van de inbrenger 

In beginsel impliceert de aanvaarding van het aanbod tot inschrijving (door de afgifte van het inschrijvingsbulletin) dat de eigendom van de ingebrachte goederen wordt overgedragen. 

Wanneer de inbreng betrekking heeft op aandelen, kunnen zich twee gevallen voordoen. 

Over het algemeen moet de aanvaarding van het bod, krachtens het bod, gepaard gaan met de overhandiging door de inschrijver aan de bieder (of zijn mandataris, de financiële instelling die als loketinstelling optreedt) van de aandelen die hij inbrengt ter betaling van zijn inschrijving. Die inlevering gebeurt door neerlegging van de stukken aan toonder, of via een mandaat tot overboeking van de nominatieve inschrijvingen, of via een effectengiro-opdracht in het kader van de vervangbaarheidsregeling. In al die gevallen wordt de eigendom onmiddellijk overgedragen. De ingebrachte effecten verlaten dan ook op die datum het vermogen van de inbrenger. 

Als aan het bod een opschortende voorwaarde is gekoppeld, moet de verrichting conform de in advies 148/6 gedefinieerde beginselen (gepubliceerd in Bulletin nr. 34 van maart 1995) worden geboekt. 

Wanneer de inschrijver echter de betrokken aandelen niet levert ter ondersteuning van zijn inschrijving, maar zich ertoe verbindt ze later te leveren, en voor zover de betrokken aandelen niet geïndividualiseerd zijn, impliceert de inschrijving geen eigendomsoverdracht van de aandelen. Desalniettemin is de verrichting voltooid op het ogenblik van de inschrijving en moet zij op die datum worden geboekt. In dat geval moet de inschrijver, die eigenaar is van de effecten, zijn verbintenis tot storting van de aandelen die hij heeft ingebracht, in de boekhouding opnemen door de boeking van zijn verbintenis tot levering van de aandelen. Hij moet die aandelen aftrekken van de aandelen die hij in portefeuille heeft. 

In beide gevallen houdt de inschrijving verband met de datum waarop het bod wordt aanvaard. 

Tegelijkertijd worden de ter vergoeding van de inbreng verkregen aandelen in een passende post geboekt (rekening 28 of 50) tegen aanschaffingswaarde. Indien de inschrijver echter, op het moment van de inbreng, de effecten waarop hij heeft ingeschreven, niet ontvangt, boekt hij in de betrokken post niet de aandelen zelf, maar een effectenvordering op de emittent voor eenzelfde aantal en eenzelfde waarde. 

Wat de waarde betreft waartegen de verkregen effecten (of de effectenvordering) moeten worden geboekt, bepaalt artikel 29, § 1bis van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976 dat de aanschaffingswaarde van deelnemingen of aandelen ontvangen als vergoeding voor inbrengen die niet bestaan in contanten, overeenstemt met de conventionele waarde van de ingebrachte goederen of met hun marktwaarde als die hoger is dan hun conventionele waarde. 

Bij inbreng stemt de conventionele waarde overeen met de waarde in de inbrengakte. Bij een openbaar bod tot omruiling zal uit het prospectus over het algemeen blijken of kunnen worden afgeleid hoeveel het kapitaal (en, in voorkomend geval, de uitgiftepremie) zal worden verhoogd per ingebracht aandeel. 

Bij een gemengde inbreng, met andere woorden een inbreng die deels anders wordt vergoed dan door toekenning van maatschappelijke rechten (bijvoorbeeld door toekenning van een opleg in contanten of leningsbewijzen), zal de aanschaffingswaarde bepaald moeten worden na aftrek van andere in ruil ontvangen waarden dan de maatschappelijke rechten. 

In de rekeningen van de bieder, die de begunstigde is van de inbreng 

Bij een kapitaalverhoging via een aanbod tot inschrijving, verloopt het optreden van de bieder in de volgende drie stadia : 
 

  1. de algemene vergadering of de raad van bestuur neemt, in het kader van het toegestane kapitaal, de formele beslissing om het kapitaal te verhogen en om de aandelen te creëren die nodig zijn om de inbrengen te vergoeden; 
     
  2. als antwoord op het aanbod gaan de inschrijvers over tot inschrijving (waarbij al dan niet onmiddellijk tot storting van de inbreng wordt overgegaan); 
     
  3. een tweede algemene vergadering of, in het kader van het toegestane kapitaal, de raad van bestuur stelt de kapitaalverhoging vast ten belope van de tijdens de inschrijvingsperiode ontvangen inschrijvingen6

De bij elk stadium horende rechten en verplichtingen moeten op passende wijze in de boekhouding worden vertaald. 

Het nemen van de formele beslissing tot verhoging van het kapitaal 

Deze beslissing impliceert een onherroepelijke verbintenis van de emittent, tenzij er in voorkomend geval opschortende of ontbindende voorwaarden zijn. 

Voor zover die verbintenis als dusdanig echter niet resulteert in een patrimoniaal recht in hoofde van derden en in een onmiddellijke verplichting in hoofde van de bieder, is de Commissie van oordeel dat niet moet worden overgegaan tot een boeking in de balans. Er moet echter wel een passende vermelding worden opgenomen in de toelichting (Staat VIII van de toelichting, Staat met betrekking tot het kapitaal). 

Inschrijving door de inschrijvers als antwoord op het aanbod 

Boeking van de als inschrijving ontvangen inbreng 

Omwille van de inschrijving door de inbrenger, heeft de bieder in beginsel de eigendom en alle aan de ingebrachte goederen verbonden rechten verworven; deze moeten dus op die datum aan actiefzijde worden geboekt tegen de conventionele waarde van de inbreng7, met andere woorden de waarde die voorkomt in de inbrengakte. 

Wanneer de inschrijver niet onmiddellijk tot storting van de inbreng overgaat, maar zich ertoe verbindt de effecten later te leveren (cf. supra 2.3.1.), boekt de bieder, voor dezelfde waarde, een effectenvordering in de post waarin de te ontvangen aandelen zullen worden geboekt. 

Boeking van kapitaalverhoging die voortvloeit uit de inbrengen 

Deze situatie is niet expliciet voorzien in de Belgische boekhoudreglementering. Bijgevolg moet in de eerste plaats worden verwezen naar het beginsel dat wordt gehuldigd in artikel 3 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976, op grond waarvan «de jaarrekening een getrouw beeld moet geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming» en «zij, op de dag waarop het boekjaar wordt afgesloten, stelselmatig de aard en het bedrag moet weergeven van de bezittingen en rechten van de onderneming, van haar schulden en verplichtingen evenals van haar eigen middelen (...)». 

Drie oplossingen lijken mogelijk om de inschrijving op een nog niet formeel vastgestelde kapitaalverhoging weer te geven in de rekeningen van de emittent : 
 

  1. Rechtstreeks in de rekening «Kapitaal» (en, in voorkomend geval, in de rekening «Uitgiftepremie») de kapitaalverhoging boeken waartoe werd beslist, maar die nog niet is geformaliseerd, en die voortvloeit uit de als antwoord op het aanbod tot inschrijving ontvangen aanvaardingen. 
     
  2. De tegenprestatie van de ontvangen inbrengen onder het eigen vermogen boeken in het ad hoc hoofdstuk, meer bepaald in een aanvullende post «Verbintenis tot kapitaalverhoging (en uitgiftepremie)». 
     
  3. De tegenprestatie van de ontvangen inbrengen in een afzonderlijke post boeken die bij de schulden wordt geklasseerd. 

Volgens de Commissie moet voor de tweede oplossing worden geopteerd. Zij geeft een juiste en duidelijke weerspiegeling van de economische, juridische en financiële realiteit van de verrichting. De eerste oplossing zou problemen kunnen opleveren, met name als het in de rekeningen uitgedrukte kapitaal niet zou overeenstemmen met het op diezelfde datum in de statuten vermelde bedrag. De derde oplossing zou geen correct beeld geven van de passiefstructuur van de onderneming, omdat datgene wat fundamenteel een relatie is tussen de vennootschap en haar aandeelhouders en haar solvabiliteit ten aanzien van derden versterkt, als een schuld wordt voorgesteld. 

Formele vaststelling van de kapitaalverhoging ten belope van de tijdens de inschrijvingsperiode ingezamelde inschrijvingen 

Wanneer, na de afsluiting van het aanbod tot inschrijving, het aantal aandelen waarop is ingeschreven, vaststaat en de kapitaalverhoging ten belope daarvan formeel is vastgesteld, worden de rekening «Verbintenis tot kapitaalverhoging (en uitgiftepremie)» gedebiteerd en de rekeningen «Kapitaal» en «Uitgiftepremies» gecrediteerd ten belope van het bedrag dat respectievelijk aan het kapitaal en aan de uitgiftepremie moet worden toegerekend.                                                                                                                                                           

Voorbeeld van de boekhoudkundige verwerking van een inbreng in natura (desgevallend in het kader van een openbaar aanbod)

In het voornoemde voorbeeld beslist een vennootschap B, op 15 november van jaar n, formeel tot een kapitaalverhoging ten belope van de tegenwaarde van het aantal aandelen X ingebracht bij een regelmatig openbaar aanbod tot omruiling dat loopt van 1 tot 15 december van jaar n. 

Het prospectus over het openbaar aanbod tot omruiling bepaalt dat de inbreng van elk aandeel X zal worden vergoed met 5 aandelen Y en een opleg van 250 BEF. 

Het prospectus bepaalt ook dat elk ingebracht aandeel X zal leiden tot een kapitaalverhoging van 8 950 BEF en een toerekening aan de uitgiftepremie van 300 BEF. 

De conventionele waarde van de inbreng bedraagt dus 9.500 BEF (8 950 + 300 + 250 BEF). 

Op 7 januari van jaar n+1 stelt B het bedrag van de kapitaalverhoging alsook het aantal dienovereenkomstig gecreëerde nieuwe aandelen vast. De naar aanleiding van de kapitaalverhoging gecreëerde aandelen Y worden aan de voormalige aandeelhouders van X geleverd op 30 januari van boekjaar n+1. Er wordt van uitgegaan dat de marktwaarde van de aandelen X : 
 

  • op 1 december van jaar n 9 400 BEF bedraagt; 
  • op 7 december van jaar n 9 600 BEF bedraagt. 

Een aandeelhouder van X schrijft op het bod in op 1 december (1ste hypothese) of op 7 december (2de hypothese). 

In de rekeningen van de inbrenger Een vennootschap A bezit 100 aandelen X die voor 850 000 BEF zijn geboekt. 

Bij de inschrijving op de aandelen : 

  • 1ste hypothese : A schrijft op 1 december in op de aandelen Y (de conventionele waarde van 9.500 BEF is hoger dan de marktwaarde van 9 400 BEF (toepassing van artikel 29, § 1bis van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976) : 
51 (of 28) Te ontvangen aandelen Y (conventionle waarde na aftrek van de opleg) 935.000  
41...     Te ontvangen opleg     15.000  
  aan 28... Deelneming in X   850.000
    75... (of 76) Gerealiseerde meerwaarde   100.000 
  • 2de hypothese : A schrijft op 7 december in op de aandelen Y (de marktwaarde (9 600) is hoger dan de conventionele waarde (9 500)) : 
51 (of 28) Te ontvangen aandelen Y (marktwaarde na aftrek van de opleg) 935.000  
41... Te ontvangen opleg  25.000  
  aan 280 Deelneming in X   850.000
    75... (of 76) Gerealiseerde meerwaarde    110.000 


Bij de levering van de aandelen X en de betaling van de opleg : 
 

51 (of 28) Aandelen Y (935.000) 925.000  
55 Kredietinstellingen 25.000  
  aan 51 (of 28) Te ontvangen aandelen (935.000)   925.000
    41... Te ontvangen opleg   25.000 
In de rekeningen van de bieder, de begunstigde van de inbreng   

Bij de inschrijving door A op het aanbod (onafhankelijk van de dag waarop wordt ingeschreven op het bod, cf. artikel 23 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976)

28... Door A ingebrachte aandelen X 950.000   
  aan 110 Verbintenis tot kapitaalverhoging(en uitgiftepremie)    925.000
    48 Diverse schulden (te betalen opleg)    25.000


Bij de formele vaststelling van de kapitaalverhoging, bij levering van de effecten en betaling van de opleg :   
 

110 Verbintenis tot kapitaalverhoging (en uitgiftepremie) 925.000  
48 Diverse schulden 25.000  
  aan 100 Geplaatst kapitaal   895.000 
    110 Uitgiftepremie   30.000
    55 Kredietinstellingen   25.000 

 

  • 1. Art 23 en 29, § 1bis van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976
  • 2. Art 21, tweede lid van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976
  • 3. Art 1181 van het Burgerlijk Wetboek
  • 4. Art 1585 van het Burgerlijk Wetboek
  • 5. Art 1181 en 1183 van het Burgerlijk Wetboek
  • 6. Art34, § 5 van de Vennootschapswet
  • 7. Art 23 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976