COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2016/3 – Beoordeling groottecriteria artikelen 15 en 15/1 W.Venn.

Advies van 13 april 20161

Algemeen

De wet van 18 december 2015 tot omzetting van Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013 van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (hierna: wet van 18 december 2015)2, heeft wijzigingen aangebracht aan de groottecriteria van een vennootschap. De groottecriteria zijn opgenomen in de artikelen 15 en 15/1 van het Wetboek van vennootschappen (hierna: W.Venn.). Onderhavig advies verduidelijkt de toepassing van het artikel 15 en 15/1 W.Venn. voor de boekjaren die aanvangen na 31 december 20153.

De voornaamste wijzigingen die werden aangebracht zijn de volgende:

  1. de criteria voor de jaaromzet en het balanstotaal werden aangepast aan de evolutie van de consumptieprijzen4;
  2. het overschrijden van de grens van 100 werknemers heeft niet meer automatisch tot gevolg dat de vennootschap niet langer kan worden aangemerkt als een kleine vennootschap;
  3. voor niet-moedervennootschappen worden de criteria niet langer op geconsolideerde basis beoordeeld;
  4. voortaan wordt een kleine vennootschap pas groot wanneer deze twee boekjaren na elkaar de criteria overschrijdt;
  5. binnen de categorie van kleine vennootschappen is een subcategorie gecreëerd van microvennootschappen;
  6. er werd een aanpassing aangebracht aan de wijze waarop het aantal werknemers wordt berekend (op basis van de Dimona-aangifte in plaats van het personeelsregister).

Artikel 15 W.Venn. maakt op basis van de jaaromzet en het balanstotaal het onderscheid tussen “grote”5 vennootschappen en kleine vennootschappen. Volgens artikel 15, § 1 W.Venn. zijn kleine vennootschappen deze met rechtspersoonlijkheid die voor het laatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden:

  • jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50;
  • jaaromzet, exclusief btw: 9.000.000 euro;
  • balanstotaal: 4.500.000 euro.

Artikel 15/1 W.Venn. definieert een microvennootschap als een kleine vennootschap met rechtspersoonlijkheid die op datum van de jaarafsluiting geen dochter of moedervennootschap is en die niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:

  • jaargemiddelde van het personeelsbestand: 10;
  • jaaromzet, exclusief btw: 700.000 euro;
  • balanstotaal: 350.000 euro.

Microvennootschappen worden gedefinieerd als subcategorie van kleine vennootschappen zodat wanneer in wettelijke bepalingen verwezen wordt naar kleine vennootschappen daarin tevens de microvennootschappen vervat zijn. Aangezien microvennootschappen worden gedefinieerd als een subcategorie van kleine vennootschappen gelden voor microvennootschappen alle regels vermeld in artikel 15 W.Venn. tenzij artikel 15/1 W.Venn. expliciet een afwijkende bepaling bevat.

Personeelsbestand

Grensbedrag

Het jaargemiddelde van het personeelsbestand is één van de criteria vermeld in de artikelen 15 en 15/1 W.Venn.

Voor jaarrekeningen van boekjaren die een aanvang nemen vanaf 1 januari 2016 geldt niet langer de regel dat een vennootschap, zodra ze meer dan 100 werknemers heeft, geen kleine vennootschap kan zijn.6 Bijgevolg is de grootte van het personeelsbestand niet langer een determinerend criterium.

Berekeningswijze van het personeelsbestand

Het gemiddelde personeelsbestand moet worden berekend als het gemiddeld aantal werknemers in voltijdse equivalenten dat is geregistreerd in de DIMONA-databank per einde van elke maand van het boekjaar.7

Voor het gedeelte van de tewerkstelling in de vennootschap dat niet valt onder de registratieverplichting in de DIMONA-databank, is het gemiddelde personeelsbestand het gemiddelde, in voltijdse equivalenten, van de in het algemeen personeelsregister of een gelijkwaardig document ingeschreven aantal werknemers per einde van elke maand van het beschouwde boekjaar.

Het aantal voltijdse equivalenten is gelijk aan het arbeidsvolume teruggebracht tot het aantal voltijds tewerkgestelde equivalenten, te berekenen voor de deeltijdse tewerkgestelde werknemers op basis van het conventioneel aantal te presteren uren, gerelateerd ten opzichte van de normale arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse werknemer (referentiewerknemer).

Omzet

Algemene regel

Artikel 96, I.A. van het uitvoeringsbesluit bij het W.Venn. (hierna: KB W.Venn.) omschrijft omzet als het bedrag van de verkoop van goederen en de levering van diensten aan derden, in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening van de vennootschap, onder aftrek van de op de verkoopprijs in de handel toegestane kortingen (afslag, ristorno, rabat). Dit bedrag omvat niet de belasting over de toegevoegde waarde, noch enige andere rechtstreeks met de omzet verbonden belasting. Onder omzet worden eveneens opgenomen de tegemoetkomingen van de overheid in het kader van een tariferingspolitiek als compensatie voor lagere ontvangsten. Voor de natuurlijke personen die koopman zijn, omvat de omzet ook de onttrekkingen in natura anders dan ten behoeve van hun bedrijf. De Commissie heeft in het verleden reeds enkele adviezen gepubliceerd omtrent de inhoud van het omzetbegrip.8

Het M.A.R. voorziet binnen de rubriek 70 Omzet de volgende onderverdeling:

700 tot 707 Verkopen en dienstprestaties
708 Toegekende kortingen, ristorno’s en rabatten (-)

Voorbeeld

De resultatenrekening bevat de volgende gegevens:

  • omzet: 3.300.000 euro;
  • andere bedrijfsopbrengsten: 200.000 euro;
  • financiële opbrengsten: 700.000 euro; en
  • niet-recurrente9 financiële opbrengsten: 550.000 euro.

Volgens de algemene regel, vervat in artikel 96, I.A. KB W.Venn., bedraagt de omzet 3.300.000 euro.

Afwijkende regeling

Wanneer de opbrengsten die voortspruiten uit het gewoon bedrijf van een vennootschap voor meer dan de helft bestaan uit opbrengsten die niet aan de omschrijving beantwoorden van de post “Omzet” moet voor de beoordeling van de grootte van een vennootschap onder “Omzet” worden verstaan: het totaal van de bedrijfs- en financiële opbrengsten met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten.10

Wat de bedrijfsopbrengsten, met uitzondering van de niet-recurrente bedrijfsopbrengsten, betreft houdt dit in, dat voor de afwijkende regeling naast de klassieke omzet tevens de toename of afname van de voorraad goederen in bewerking, gereed product, onroerende goederen bestemd voor verkoop en bestellingen in uitvoering in rekening moet worden gebracht samen met de geactiveerde intern geproduceerde vaste activa en de andere bedrijfsopbrengsten. De “Andere bedrijfsopbrengsten” omvatten de van derden ontvangen en met de bedrijfsuitoefening verbonden opbrengsten die niet hun oorsprong vinden in een verkoop of een dienstverlening aan derden binnen het kader van de gewone bedrijfsuitvoering van de vennootschap, en niet als een financiële of niet-recurrente opbrengst kunnen worden aangemerkt. In het bijzonder worden onder die post opgenomen de subsidies of compenserende bedragen bij in- of uitvoer, de exploitatiesubsidies alsook de meerwaarden die werden verwezenlijkt bij de realisatie van handelsvorderingen.11

Wat de financiële opbrengsten, met uitzondering van de niet-recurrente financiële opbrengsten, betreft, worden voor de afwijkende regeling hieronder tevens de “Andere financiële opbrengsten” begrepen. Deze bestaan uit de meerwaarden verwezenlijkt bij de realisatie van vorderingen, andere dan handelsvorderingen, van geldbeleggingen en van liquide middelen, de als opbrengst geboekte kapitaal- en interestsubsidies, de wisselresultaten en de resultaten uit de omrekening van vreemde valuta tenzij deze specifiek verbonden zijn met een andere post van de resultatenrekening; in dit laatste geval mogen ze onder die post worden opgenomen, en alle opbrengsten van financiële aard die geen verband houden met welbepaalde activa.12

Voorbeeld

Uit de resultatenrekening blijken de volgende cijfers:

  • omzet: 300.000 euro;
  • andere bedrijfsopbrengsten (met uitzondering van de nietrecurrente): 850.000 euro;
  • financiële opbrengsten (met uitzondering van de nietrecurrente): 2.700.000 euro; en
  • niet-recurrente financiële en bedrijfsopbrengsten: 550.000 euro.

De eerste drie posten komen voort uit het gewoon bedrijf van de vennootschap. Samen vormen zij een totaal van 3.850.000 euro, waarvan meer dan de helft is samengesteld door opbrengsten buiten “Omzet” (omzet in de zin van artikel 96, I.A. KB W.Venn). In dit geval wordt voor de toepassing van artikel 15, § 1 W.Venn. het cijfer van 3.850.00013 euro als omzet beschouwd.

Duur van het boekjaar van meer of minder dan twaalf maanden

In regel heeft een boekjaar een duur van twaalf maanden. Het ontbreken van een expliciete toelating dat een boekjaar uit meer of minder dan twaalf maanden kan bestaan, getuigt er volgens de Commissie van dat de wetgever zich ertegen verzet dat het boekjaar stelselmatig een duur zou hebben die verschilt van twaalf maanden. Een uitzonderlijke verlenging of verkorting van het boekjaar tot een duur van meer of minder dan twaalf maanden kan geoorloofd zijn.14 De duur van een boekjaar kan evenwel nooit langer zijn dan vierentwintig maanden min één kalenderdag.15

Indien een boekjaar aldus uitzonderlijk een duur van minder of meer dan twaalf maanden heeft, wordt, voor de beoordeling van het omzetcriterium, het bedrag van de omzet vermenigvuldigd met een breuk waarvan de noemer twaalf is en de teller het aantal maanden van het boekjaar, waarbij elke begonnen maand voor een volle maand wordt geteld.16

Beoordeling op geconsolideerde basis

Toepassingsgebied

In principe is de enkelvoudige jaarrekening de basis voor de beoordeling of de groottecriteria worden overschreden.17

Voor moedervennootschappen en voor vennootschappen die zijn opgericht met als enig doel de verslaggeving van bepaalde informatie te ontwijken geldt echter een beoordeling op geconsolideerde basis.18

Vennootschappen die een consortium vormen worden gelijkgesteld met een moedervennootschap.19 Aangezien microvennootschappen worden gedefinieerd als een subcategorie van kleine vennootschappen gelden voor microvennootschappen alle regels vermeld in artikel 15 W.Venn. tenzij artikel 15/1 W.Venn. expliciet een afwijkende bepaling bevat. Dit impliceert dat geen enkel lid20 van een consortium een microvennootschap kan zijn.

De beoordeling op geconsolideerde basis geldt uitsluitend voor de moedervennootschap zelf en niet voor de andere verbonden vennootschappen indien deze zelf geen moedervennootschappen zijn. Een beoordeling van de groottecriteria op geconsolideerde basis impliceert niet dat de moedervennootschap effectief een geconsolideerde jaarrekening moet publiceren.

De Commissie merkt op dat wanneer de groottecriteria moeten worden beoordeeld op geconsolideerde basis, rekening moet worden gehouden met de gegevens van alle verbonden vennootschappen. Een verbonden vennootschap blijft immers een verbonden vennootschap, ook al zou zij bij toepassing van de consolidatiebepalingen van het KB W.Venn. buiten de consolidatiekring worden gelaten.21 In artikel 15, § 6 W.Venn. is de mogelijkheid die wordt geboden door de artikelen 107 tot 112 KB W.Venn. namelijk niet ingebouwd.

Berekeningsmethoden

Voor moedervennootschappen vindt de beoordeling van de overschrijding van de groottecriteria plaats op geconsolideerde basis. Met het oog op de vermindering van de administratieve lasten voor ondernemingen biedt artikel 15, § 6, tweede lid W.Venn. vanaf nu de mogelijkheid om een vereenvoudigde berekeningsmethode toe te passen.

Consolidatie moedervennootschap

Deze eerste methode houdt in dat voor een moedervennootschap de groottecriteria worden beoordeeld op basis van de cijfers van de volledige groep waartoe deze moedervennootschap behoort. In principe vindt de berekening van de geconsolideerde omzet en het geconsolideerd balanstotaal plaats volgens de consolidatiebepalingen van het KB W.Venn., hetgeen onder meer betekent dat de weglatingen en verrekeningen vermeld in de artikelen 137, 144 en 146 KB W.Venn. worden toegepast.

De beoordeling op basis van de cijfers van de volledige groep geldt niet alleen voor de uiteindelijke moedervennootschap maar ook voor alle andere vennootschappen die behoren tot de groep en die zelf ook een moedervennootschap zijn.

Wat het criterium personeelsbestand betreft, wordt het gemiddeld aantal werknemers, per vennootschap berekend volgens de in Rubriek II. Personeelsbestand vermelde methode, van alle verbonden vennootschappen opgeteld.

Vereenvoudigde methode: berekening van het balanstotaal en de omzet van alle verbonden vennootschappen op geaggregeerde basis (+ 20%)

Een beoordeling van de omzet en het balanstotaal op geconsolideerde basis vergt bijkomende administratieve lasten wanneer een vennootschap op grond van het W.Venn. niet verplicht is om een geconsolideerde jaarrekening op te maken22. Een vennootschap die behoort tot een groep van beperkte omvang23 wordt immers vrijgesteld van de verplichting om een geconsolideerde jaarrekening op te stellen.24 Teneinde te vermijden dat uitsluitend voor de beoordeling van de groottecriteria van een vennootschap een volledige consolidatieoefening moet plaatsvinden, kan een moedervennootschap er volgens een tweede methode voor opteren om voor de beoordeling van de groottecriteria, louter de totalen van de omzet en de balanstotalen van al de verbonden vennootschappen eenvoudig op te tellen. In dit laatste geval worden de grensbedragen betreffende het balanstotaal en de netto-omzet vermeerderd met twintig procent.25 De verhoogde grensbedragen van artikel 15, § 1 W.Venn. zijn dan als volgt:

  • jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50;
  • jaaromzet, exclusief btw: 10.800.000 euro;
  • balanstotaal: 5.400.000 euro.

De beoordeling op basis van de cijfers van de volledige groep geldt niet alleen voor de uiteindelijke moedervennootschap maar ook voor alle andere vennootschappen die behoren tot de groep26 en die zelf ook een moedervennootschap zijn. Voor de beoordeling van de groottecriteria volgens de vereenvoudigde methode dient men zich dus te baseren op de geaggregeerde cijfers van de moedervennootschap die aan het hoofd van de groep staat.

Wat het criterium personeelsbestand betreft, wordt het gemiddeld aantal werknemers, per vennootschap berekend volgens de methode vermeld in Rubriek II. Personeelsbestand hierboven, van alle verbonden vennootschappen, opgeteld.

Een individuele vennootschap heeft steeds de vrije keuze om de toetsing van de groottecriteria uit te voeren op basis van de cijfers bekomen door een volledige consolidatie van alle verbonden vennootschappen dan wel volgens de toepassing van de vereenvoudigde methode.

Voorbeeld

De vennootschap B, die zelf geen moedervennootschap is, is een dochtervennootschap van vennootschap A. De omzet van vennootschap B omvat een bedrag van 300.000 euro gefactureerd aan vennootschap A. In de balanstotalen van de vennootschappen A en B is in totaal een bedrag begrepen van 400.000 euro dat door de verrekeningen en weglatingen bedoeld in de artikelen 137 en 144 KB W.Venn. niet wordt opgenomen in de geconsolideerde balans van vennootschap A.

  Vennootschap A Vennootschap B
Omzet 1.000.000 8.500.000
Balanstotaal 3.000.000 2.000.000
Aantal werknemers 10 24

Beoordeling van de groottecriteria op geconsolideerde basis

Omzet 1.000.000 + 8.500.000 - 300.000 = 9.200.000 > 9.000.000
Balanstotaal 3.000.000 + 2.000.000 - 400.000 = 4.600.000 > 4.500.000
Aantal werknemers: 10 + 24 = 34 < 50

Besluit: Op geconsolideerde basis wordt meer dan één van de criteria overschreden. Bijgevolg kan vennootschap A, een moedervennootschap, niet worden aangemerkt als een kleine vennootschap. Vennootschap B is zelf geen moedervennootschap, bijgevolg geschiedt de beoordeling van de groottecriteria voor vennootschap B op enkelvoudige basis. Op enkelvoudige basis overschrijdt vennootschap B geen van de criteria zodat vennootschap B wordt aangemerkt als een kleine vennootschap.

Beoordeling van de groottecriteria volgens de vereenvoudigde methode

Omzet 1.000.000 + 8.500.000 = 9.500.000 < 10.800.000
Balanstotaal 3.000.000 + 2.000.000 = 5.000.000 < 5.400.000
Aantal werknemers: 10 + 24 = 34 < 50

Besluit: Op geconsolideerde basis, berekend volgens de vereenvoudigde methode, is geen van de criteria overschreden. Bijgevolg zijn zowel vennootschap A als vennootschap B aan te merken als kleine vennootschappen.

Beoordelingsdatum

Balansdatum

De Commissie is van mening dat voor verbonden vennootschappen, net zoals dit het geval is bij niet-verbonden vennootschappen, de jaaromzet en het balanstotaal moeten worden vastgesteld op balansdatum. Bijgevolg zal op de balansdatum van iedere individuele vennootschap moeten worden nagegaan met welke vennootschappen de vennootschap verbonden is in de zin van artikel 11 W.Venn. Dit geldt ongeacht de datum waarop de geconsolideerde jaarrekening van de consoliderende moedervennootschap wordt afgesloten. Voor de vaststelling van de geconsolideerde cijfers ter beoordeling van de groottecriteria is niet voorzien in een alternatieve datum zoals voor de opmaak van de geconsolideerde jaarrekening.27

De toetsing van de groottecriteria vindt aldus plaats op basis van de laatst opgemaakte jaarrekeningen van de verbonden vennootschappen.

In aanmerking te nemen omzet van een tijdens het boekjaar overgenomen vennootschap

De Commissie is van mening dat ook w[FH1] anneer de verbondenheid pas in de loop van het boekjaar is tot stand gekomen de volledige omzet van dat boekjaar in aanmerking moet worden genomen voor de beoordeling van de criteria van artikel 15, § 1 W. Venn. op geconsolideerde basis.

Wijziging van categorie - Consistentiebeginsel

Wanneer meer dan één van de drie criteria vermeld in artikel 15, § 1 respectievelijk 15/1, § 1 W.Venn. worden overschreden of niet meer worden overschreden, heeft dit slechts gevolgen wanneer dit zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet (consistentiebeginsel). De gevolgen hiervan gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk op balansdatum meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden. Door een éénmalige overschrijding zal een vennootschap haar statuut van kleine vennootschap niet verliezen28. Evenmin zal een vennootschap door het éénmalig niet overschrijden van meer dan één criterium een kleine vennootschap worden.29

Het consistentiebeginsel werd ingevoerd om te vermijden dat kleine ondernemingen die bijvoorbeeld een uitzonderlijk jaar achter de rug hebben, plotseling als groot gekwalificeerd worden omwille van dat uitzonderlijk jaar. Het vroegere vermoeden dat een onderneming groot is, wordt met andere woorden omgedraaid naar een vermoeden dat een onderneming klein is.30

Voorbeelden ter illustratie van het consistentiebeginsel

Jaar

N

N+1

N+2

N+3

N+4

N+5

N+6

N+7

N+8

Criteria

<

>

<

>

<

>

<

>

<

Schema

VKT31

VKT

VKT

VKT

VKT

VKT

VKT

VKT

VKT

Jaar

N

N+1

N+2

N+3

N+4

N+5

N+6

N+7

N+8

Criteria

<

>

>

<

<

>

<

>

<

Schema

VKT32

VKT

VKT

VOL

VOL

VKT

VKT

VKT

VKT

Legende

> Meer dan één van de criteria wordt op de balansdatum overschreden
< Maximaal één van de criteria wordt op de balansdatum overschreden
VKT Verkort schema van de jaarrekening
VOL Volledig schema van de jaarrekening

Eerste boekjaar

Een vennootschap die met haar bedrijf start heeft nog geen historische cijfers voor de toetsing van de groottecriteria. De cijfers voor de toepassing van de groottecriteria dienen bij het begin van het boekjaar te goeder trouw geschat te worden. Indien uit deze schatting blijkt dat meer dan één van de criteria zullen worden overschreden, moet daar reeds rekening mee worden gehouden voor dat eerste boekjaar.33 Dit wil zeggen dat indien bijvoorbeeld uit het financieel plan zou blijken dat in het eerste boekjaar de drempels worden overschreden, de vennootschap ab initio niet mag worden beschouwd als een kleine vennootschap.34

Het spreekt voor zich dat bij deze schatting rekening moet worden gehouden met de hogervermelde proratering ingeval het boekjaar meer of minder dan twaalf maanden telt.

Overgangsregeling voor het eerste boekjaar dat aanvangt na 31 december 2015

De nieuwe artikelen 15 W.Venn. en 15/1 W.Venn. zijn van toepassing voor de boekjaren die aanvangen na 31 december 2015.

De wet van 18 december 2015 bevat een overgangsregeling voor de wijziging35 van categorie. Voor het eerste boekjaar dat een aanvang neemt na 31 december 2015 moet uitsluitend worden nagaan of de vennootschap op de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar meer dan één van de verhoogde criteria van het nieuwe artikel 15 W.Venn.36 overschrijdt.

Voorbeeld 1

Gegevens

Een vennootschap voert een boekhouding per kalenderjaar. Voor de boekjaren 2013 en 2014 werd de vennootschap aangemerkt als een “grote” vennootschap. De vennootschap heeft de volgende kencijfers:

 

31/12/2015

31/12/2016

31/12/2017

Jaargemiddelde personeelsbestand

60

60

60

Omzet

8.750.000

9.100.000

9.150.000

Balanstotaal

4.300.000

4.350.000

4.400.000

Eerste boekjaar dat aanvangt na 31 december 2015 (boekjaar 2016)

Voor de beoordeling of de vennootschap voor het boekjaar 2016, dit is het eerste boekjaar dat aanvangt na 31 december 2015, wordt aangemerkt als een kleine of een “grote” vennootschap, moet uitsluitend worden nagegaan of zij op 31 december 2015, zijnde de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, meer dan één van de verhoogde criteria van het nieuwe artikel 15 W.Venn. overschrijdt.

Op balansdatum 31 december 2015 overschreed de vennootschap slechts één van de criteria vermeld in artikel 15 W.Venn.:

  • Omzet: 8.750.000 < 9.000.000;
  • Balanstotaal: 4.300.000 < 4.500.000;
  • Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

Bijgevolg wordt de vennootschap voor het boekjaar 2016 aangemerkt als een kleine vennootschap.

Vanaf het tweede boekjaar dat aanvangt na 31 december 2015

Vanaf het daaropvolgende boekjaar, met name het boekjaar dat aanvangt op 1 januari 2017, geldt opnieuw de gewone regeling, met name dat wanneer meer dan één van de criteria vermeld in artikel 15 W.Venn. worden overschreden of niet meer worden overschreden, dit slechts gevolgen heeft wanneer dit zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen hiervan gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk, op balansdatum, meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden.

Boekjaar 2017 (1.1.2017 – 31.12.2017)

Op balansdatum 31 december 2016 heeft de vennootschap meer dan één van de criteria overschreden:

  • Omzet: 9.100.000 > 9.000.000;
  • Balanstotaal: 4.350.000 < 4.500.000;
  • Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

De overschrijding van meer dan één van de criteria in 2016 is een eerste overschrijding, terwijl slechts sprake is van een wijziging van categorie wanneer er tijdens twee opeenvolgende boekjaren een overschrijden (of een niet langer overschrijden) heeft plaatsgevonden. De vennootschap wordt bijgevolg voor het boekjaar 2017 nog steeds aangemerkt als een kleine vennootschap.

Boekjaar 2018 (1.1.2018 – 31.12.2018)

Op balansdatum 31 december 2017 heeft de vennootschap meer dan één van de criteria overschreden:

  • Omzet: 9.150.000 > 9.000.000;
  • Balanstotaal: 4.400.000 < 4.500.000;
  • Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

De vennootschap heeft twee opeenvolgende boekjaren (2016 en 2017) meer dan één van de criteria overschreden. Bijgevolg wordt de vennootschap aangemerkt als een “grote” vennootschap voor het daaropvolgende jaar, met name vanaf het boekjaar dat aanvangt op 1 januari 2018.

Voorbeeld 2

Gegevens

Een vennootschap voert een boekhouding per kalenderjaar. Voor de boekjaren 2013 en 2014 werd de vennootschap aangemerkt als een kleine vennootschap. De vennootschap heeft de volgende kencijfers:

 

31/12/2015

31/12/2016

31/12/2017

Jaargemiddelde personeelsbestand

60

60

60

Omzet

9.100.000

8.700.000

9.150.000

Balanstotaal

4.300.000

4.350.000

4.400.000

Eerste boekjaar dat aanvangt na 31 december 2015 (boekjaar 2016)

Voor de beoordeling of de vennootschap voor het boekjaar 2016, dit is het eerste boekjaar dat aanvangt na 31 december 2015, wordt aangemerkt als een kleine of een “grote” vennootschap, moet uitsluitend worden nagaan of zij op 31 december 2015, zijnde de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, meer dan één van de verhoogde criteria van het nieuwe artikel 15 W.Venn. overschrijdt.

Op balansdatum 31 december 2015 overschreed de vennootschap meer dan één van de criteria vermeld in artikel 15 W.Venn.:

  • Omzet: 9.100.000 > 9.000.000;
  • Balanstotaal: 4.300.000 < 4.500.000;
  • Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

Bijgevolg wordt de vennootschap voor het boekjaar 2016 aangemerkt als een “grote” vennootschap.

Vanaf het tweede boekjaar dat aanvangt na 31 december 2015

Vanaf het daaropvolgende boekjaar, met name het boekjaar dat aanvangt op 1 januari 2017, geldt opnieuw de gewone regeling. Dit wil zeggen dat wanneer meer dan één van de criteria vermeld in artikel 15 W.Venn. worden overschreden of niet meer worden overschreden, dit slechts gevolgen heeft wanneer dit zich gedurende twee opeenvolgende boekjaren voordoet. De gevolgen hiervan gaan in dat geval in vanaf het boekjaar dat volgt op het boekjaar gedurende hetwelk, op balansdatum, meer dan één van de criteria voor de tweede keer werden overschreden of niet meer werden overschreden.

Boekjaar 2017 (1.1.2017 – 31.12.2017)

Op balansdatum 31 december 2016 heeft de vennootschap niet meer dan één van de criteria overschreden:

  • Omzet: 8.700.000 < 9.000.000;
  • Balanstotaal: 4.350.000 < 4.500.000;
  • Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

Het niet overschrijden van meer dan één van de criteria tijdens het boekjaar 2016 is een eerste niet langer overschrijden van meer dan één van de criteria. Er is slechts sprake van een wijziging van categorie wanneer er tijdens twee opeenvolgende boekjaren een overschrijden (of een niet langer overschrijden) heeft plaatsgevonden. De vennootschap wordt bijgevolg voor het boekjaar 2017 nog steeds aangemerkt als een “grote” vennootschap.

Boekjaar 2018 (1.1.2018 – 31.12.2018)

Op balansdatum 31 december 2017 heeft de vennootschap meer dan één van de criteria overschreden:

  • Omzet: 9.150.000 > 9.000.000;
  • Balanstotaal: 4.400.000 < 4.500.000;
  • Jaargemiddelde van het personeelsbestand: 60 > 50.

Op balansdatum 31 december 2017 werd meer dan één van de criteria overschreden. Bijgevolg wordt de vennootschap nog steeds als een “grote” vennootschap aangemerkt voor het boekjaar dat aanvangt op 1 januari 2018.

 

  • 1. Advies van 13 april 2016. Onderhavig advies is tot stand gekomen nadat een ontwerp van het advies op 14 januari 2016 ter consultatie werd gepubliceerd op de website van de CBN.
  • 2. BS 30 december 2015.
  • 3. Voor de boekjaren die een aanvang namen op 31 december 2015 of vroeger wordt verwezen naar CBN-advies 2010/5 Berekening criteria artikel 15 W.Venn., Bull. CBN, nr. 54, oktober 2010, 25-32. Voor de boekjaren die een aanvang nemen na 31 december 2015 vervangt onderhavig advies het voormelde advies 2010/5.
  • 4. Op die manier vallen deze drempelbedragen binnen de grenzen vermeld in artikel 3 van voormelde Richtlijn 2013/34/EU.
  • 5. Het W.Venn. definieert wat moet worden verstaan onder een kleine vennootschap maar bevat geen definitie van een grote vennootschap. In onderhavig advies wordt met een “grote” vennootschap bedoeld een vennootschap die niet aan de criteria voldoet om aangemerkt te worden als een kleine vennootschap. De Commissie benadrukt dat met een “grote” vennootschap dus niet wordt bedoeld de grote ondernemingen zoals bepaald in voormelde Richtlijn 2013/34/EU. Twee leden van de Commissie vragen om de volgende passus toe te voegen: “Twee leden van de Commissie die aanwezig waren bij de goedkeuring van onderhavig advies stemmen niet in met het gebruik van de bewoordingen ”grote vennootschap” om de vennootschappen aan te merken die onder de drempels blijven van de groottecriteria vermeld in artikel 15 W.Venn. Deze bewoordingen leiden immers tot verwarring met de definitie van een “grote onderneming” zoals vermeld in artikel 3, vierde paragraaf van de richtlijn 2013/34/EU, of met de vennootschappen die de groottecriteria bereiken die leiden tot een rapporteringsverplichting voor betalingen aan overheden (artikel 96/2 W.Venn.). De bewoordingen “vennootschappen andere dan kleine vennootschappen” of “vennootschappen die niet worden aangemerkt als een kleine vennootschap” zouden aangewezen zijn. Deze bewoordingen zouden bovendien beter aansluiten bij de bewoordingen die de wetgever zelf gebruikt (cf. artikel 196, § 2 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen van 1992)”.
  • 6. Zie artikel 15, § 1 W.Venn. voordat het werd vervangen door artikel 3 van de wet van 18 december 2015. De verplichte opmaak van een jaarrekening volgens het volledig schema van zodra de vennootschap meer dan 100 werknemers telt, is wel nog terug te vinden in andere wetgeving, bijvoorbeeld in de Wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven.
  • 7. Artikel 15, § 5, eerste en tweede lid W.Venn., artikel 15/1, § 5, eerste en tweede lid W.Venn.
  • 8. Omtrent de aard van de omzet: zie onder meer CBN-advies 100 Omzet – Begrip, Bull. CBN nr. 1, augustus 1977, 11; rekening houdende met het feit dat geen compensaties mogen worden verricht tussen kosten en opbrengsten, behoren doorgerekende kosten tot de omzet indien deze doorrekening tot de gebruikelijke activiteit van de onderneming behoort, of de onderneming deze kosten betaalt voor eigen rekening en niet als lasthebber voor rekening van een derde, haar lastgever. Met betrekking tot de omzet van tussenpersonen: zie CBN-advies 103 Omzet – Tussenpersonen, Bull. CBN nr. 1, augustus 1977, 12-14; de accijns op bepaalde producten en de Vlaamse afvalstoffenheffing zijn niet rechtstreeks met de omzet verbonden en kunnen dus niet van het bedrag van de omzet worden afgetrokken: zie CBN-advies 2013/11 Begrip “omzet”: doorrekening van belastingen en accijnzen, Bull. CBN nr. 66, augustus 2013, 40-41; ontvangen royalties worden gerekend tot de omzet voor zover ze tot de gewone activiteit van de onderneming behoren of in het rechtstreekse verlengde liggen van haar hoofdbedrijvigheid: zie CBN-advies 104 Royalties, Bull. CBN nr. 1, augustus 1977, 15. Overige CBN-adviezen met betrekking tot de omzet zijn: CBN-advies 102 Omzet - Verkopen CIF, Bull. CBN nr. 1, augustus 1977, 11; CBN-advies 103/2 Omzet van expediteurs, Bull. CBN nr. 22, juni 1988, 1 en CBN-advies 103/3 Omzet van lijnagenten, Bull. CBN nr. 22, juni 1988, 3.
  • 9. De nieuwe modellen van de resultatenrekening bij voormelde Richtlijn 2013/34/EU voorzien geen rubrieken meer voor de uitzonderlijke opbrengsten en de uitzonderlijke kosten. Deze resultaten moeten dus voortaan worden gekwalificeerd, naargelang hun aard, als zijnde bedrijfsresultaten of financiële resultaten. Om het onderscheid met het vorige systeem te benadrukken, werd besloten om voortaan te spreken over “niet-recurrente” resultaten in plaats van over “uitzonderlijke” resultaten (Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 18 december 2015 tot omzetting van Richtlijn 2013/34/EU van 26 juni 2013 van het Europees Parlement en van de Raad betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad, BS 30 december 2015).
  • 10. Artikel 15, § 5, derde lid W.Venn. en artikel 15/1, § 5, derde lid W.Venn.
  • 11. Artikel 96, I.D. KB W.Venn.
  • 12. Artikel 96, IV.C. KB.W.Venn.
  • 13. Dit is 300.000 + 850.000 + 2.700.000.
  • 14. Zie ook CBN-advies 2010/10 - Duur van het boekjaar, Bull. CBN, nr. 55, november 2010, 25-27.
  • 15. Artikel 15, § 4 en artikel 15/1, § 4 W.Venn.
  • 16. Artikel 15, § 4 (en 15/1, § 4) W.Venn. voor de algemene regeling en artikel 15, § 5, derde lid (en 15/1, § 5, derde lid) W.Venn. voor de afwijkende regeling.
  • 17. Voor de jaarrekeningen met betrekking tot boekjaren die hun aanvang namen ten laatste op 31 december 2015, vond de toetsing van de groottecriteria (voor verbonden vennootschappen) steeds plaats op geconsolideerde basis.
  • 18. Artikel 15, § 6 en § 7, eerste lid W.Venn. Uit de definitie van artikel 15/1 W.Venn volgt dat een microvennootschap nooit een moedervennootschap kan zijn. Bijgevolg bestaat er geen overeenstemmende berekening op geconsolideerde basis voor een microvennootschap. Deze toetsing vindt plaats op de datum van de jaarafsluiting.
  • 19. Artikel 15, § 7, tweede lid W.Venn.
  • 20. Een lid van een consortium wordt gelijkgesteld met een moedervennootschap. Een dochtervennootschap van een lid van een consortium die zelf geen moedervennootschap is en die op enkelvoudige basis de groottecriteria van een kleine vennootschappen niet overschrijdt, wordt aangemerkt als een kleine vennootschap.
  • 21. Bijgevolg wordt zij mee in aanmerking genomen voor de berekening op geconsolideerde basis van omzet, balanstotaal en personeelsbestand.
  • 22. Of wanneer de balansdata van de verbonden vennootschappen niet allen dezelfde zijn, zie verder onder titel Beoordelingsdatum.
  • 23. Voor de definitie van een groep van beperkte omvang wordt verwezen naar artikel 16 W.Venn.
  • 24. Artikel 112 W.Venn.
  • 25. Artikel 15, § 6, tweede lid W.Venn. bepaalt immers dat indien bij de berekening van de in artikel 15, § 1 W.Venn. genoemde grensbedragen, de in het koninklijk besluit ter uitvoering van artikel 117, § 1 W.Venn. bedoelde verrekeningen en elke daaruit voortvloeiende weglating niet wordt verricht, deze grensbedragen betreffende het balanstotaal en de netto-omzet vermeerderd worden met twintig procent.
  • 26. Verbonden vennootschappen in de zin van artikel 11 W.Venn.
  • 27. Artikel 119, tweede lid KB W.Venn.
  • 28. Voor de inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015, dus voor de boekjaren die hun aanvang namen ten laatste op 31 december 2015 was er slechts sprake van een kleine vennootschap wanneer die zowel voor het laatst als voor het voorlaatst afgesloten boekjaar niet meer dan één van de in artikel 15 W.Venn. vermelde criteria overschreed (zie ook CBN-advies 2010/5 - Berekening criteria artikel 15 W.Venn.).
  • 29. Een éénmalig niet-overschrijden van meer dan één criterium was ook vóór de inwerkingtreding van de wet van 18 december 2015 onvoldoende om een kleine vennootschap te worden.
  • 30. Persmededeling van 19 juni 2015, Think Small First in de praktijk voor kleine en micro-ondernemingen, Kris Peeters, vicepremier en minister van werk, economie, consumenten en belast met buitenlandse handel.
  • 31. In het voorbeeld wordt er van uitgegaan dat in het jaar N-1 de vennootschap maximaal één van de groottecriteria heeft overschreden en een jaarrekening heeft opgemaakt volgens het verkort schema.
  • 32. In het voorbeeld wordt er van uitgegaan dat in het jaar N-1 de vennootschap maximaal één van de groottecriteria heeft overschreden en een jaarrekening heeft opgemaakt volgens het verkort schema.
  • 33. Artikel 15, § 3 en artikel 15/1, § 3 W.Venn.
  • 34. Of als een microvennootschap indien de drempels vermeld in artikel 15/1, § 1 W.Venn. worden overschreden.
  • 35. Zie titel V. van onderhavig advies.
  • 36. Mutatis mutandis artikel 15/1 W.Venn.