COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN
CBN advies 132-1 - LIFO-methode
Advies van december 1981, bijgewerkt op 6 oktober 2010
Overeenkomstig artikel 43, eerste lid van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen (hierna: KB W.Venn.) wordt de aanschaffingswaarde van activa met identieke technische of juridische kenmerken bepaald hetzij door individualisering van de prijs van elk bestanddeel, hetzij volgens de methode van gewogen gemiddelde prijzen, hetzij volgens de Fifo- of de Lifo-methode.
Aan de Commissie werd gevraagd wat voor de toepassing van deze bepaling onder Lifo-methode moet worden verstaan.
Vooral uit de methodes die in de Verenigde Staten en door Amerikaanse ondernemingen worden toegepast blijkt dat onder het Lifo-concept in werkelijkheid meerdere methodes schuilgaan die uitgaan van verschillende benaderingen maar toch fundamenteel hetzelfde doel nastreven: hoofdzakelijk in een periode van inflatie een beter verband tot stand brengen tussen de prijs van de verkochte goederen en de prijs die voor de aanschaffing of de productie van deze goederen werd betaald (matching principle) ten einde louter inflatoire resultaten te vermijden.
Zo werden naast de Lifo-methode die van specifieke goederen uitgaat (specific goods method) met eenzelfde doelstelling voor ogen andere methodes ontwikkeld, monetaire methodes genoemd (monetary Lifo – dollar value Lifo) met verschillende variantes (double extension method – link chain method).
Bij deze zogenaamde monetaire methodes is de Lifo-benadering niet meer gericht op de vaststelling van de specifieke goederen die geacht worden in voorraad te blijven en die bij de inventaris op hun werkelijke aanschaffingsprijs worden gewaardeerd, maar op de vaststelling, via een globale berekening op geïndexeerde basis, van de kostprijs tegen dewelke de opeenvolgende toevoegingen aan de voorraad worden geacht te hebben plaatsgevonden in vergelijking met een referteperiode. Voor beheersdoeleinden behouden de specifieke goederen hun individueel karakter en worden zij gewaardeerd volgens een andere methode (in de regel Fifo, gewogen gemiddelde prijs of standaard kostprijs). Met het oog op de waardering in de balans en de bepaling van het resultaat, wordt de voorraad echter geboekt tegen de waarde die hij had op het ogenblik waarop de methode voor het eerst werd toegepast, vermeerderd of verminderd met de waarde, berekend op basis van een index, van de opeenvolgende voorraadwijzigingen tijdens elk der volgende boekjaren. Deze waardering geschiedt voor grote categorieën voorraden of zelfs voor de voorraad als geheel genomen. De voorraad wordt aldus niet zozeer meer beschouwd als een geheel van goederen maar als een geheel van gestockeerde monetaire eenheden en als een op volgende boekjaren overgedragen kost. In deze benadering vermindert de betekenis die moet worden gehecht aan de specifieke goederen om tenslotte te verdwijnen.
Door de groepering van de voorraden in grote categorieën om de Lifo-correctie te berekenen en de periodische (in beginsel op jaarbasis) toepassing van deze waardering oefenen de wijzigingen in de samenstelling van de voorraden en de verminderingen die de voorraden tijdens het boekjaar ondergaan geen invloed uit op de Lifo-waarde van deze voorraden. Bovendien kan door het globale karakter van deze waardering de vergelijking tussen de boekwaarde van de voorraden en hun marktwaarde nog slechts op globale wijze plaatsvinden. Dit stelt evenwel geen probleem in een periode van prijsstijging vermits het weinig waarschijnlijk is dat de marktwaarde lager zal komen te liggen dan de boekwaarde van de voorraden.
Hoewel moet worden toegegeven dat de monetaire benadering van de Lifo-methode een eigen logica bevat daar waar zij uitgaat van een meer financiële dan fysische benadering van de voorraad en er meer bepaald naar streeft de louter nominale wijzigingen in de waarde van de voorraad die enkel een gevolg zijn van een stijging van de vervangingswaarde van de voorraad uit het resultaat te weren. Ook op het stuk van de administratieve vereenvoudiging heeft deze benadering niet te ontkennen voordelen.
Er moet echter worden vastgesteld dat op het ogenblik waarop de toepassing van de Lifo-methode werd toegelaten door het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 slechts werd gedacht aan de enige methode die toen in België in de boekhouddoctrine en in de bedrijfswereld was gekend, met name de specifieke goederenmethode.
Dit blijkt nog steeds uit artikel 43, eerste lid KB W.Venn. waarin wordt verwezen naar “de aanschaffingswaarde van activa met identieke technische of juridische kenmerken”. Artikel 43 verwijst aldus naar een aanschaffingsprijs en beperkt er zich toe een methode aan te duiden op grond waarvan men op basis van een conventie de goederen bepaalt die geacht worden uit de voorraad te zijn gegaan en vandaar, a contrario, de goederen die geacht worden nog in voorraad te zijn.
Deze benadering wordt overigens bevestigd door de artikelen 31 en 47 KB W.Venn. Krachtens deze artikelen wordt elk vermogensbestanddeel afzonderlijk gewaardeerd en zijn de waardeverminderingen specifiek voor de actiefbestanddelen waarop ze betrekking hebben.
Artikel 47 KB W.Venn. laat evenwel toe op actiefbestanddelen met volkomen identieke technische of juridische kenmerken een globale waardevermindering te boeken. Dit sluit meteen uit dat een globale waardevermindering zou worden geboekt op goederen waarvan de technische of juridische kenmerken niet volledig identiek zouden zijn. Verder volgt uit artikel 69, § 1, eerste lid KB W.Venn. dat de waarde waartegen de verschillende voorraadbestanddelen met identieke kenmerken in de inventaris en in de balans zijn opgenomen kan worden bepaald.
De Commissie is derhalve van oordeel dat de verwijzing in artikel 43 KB W.Venn. naar de Lifo-methode moet worden geïnterpreteerd rekening houdend met de tekst zelf van dit artikel en de context waarin het in het besluit is opgenomen. De verschillende variantes van de Lifo-methode zijn slechts toelaatbaar in de mate waarin de door het besluit gestelde vereisten worden nageleefd, meer bepaald inzake het opvolgen en het afzonderlijk waarderen van specifieke goederen, dit wil zeggen van goederen met identieke juridische of technische kenmerken, en de mogelijke toetsing van de aanschaffingsprijs van deze goederen aan hun marktprijs.
De Commissie wenst er tevens aan te herinneren dat, overeenkomstig artikel 43, derde lid KB W. Venn., wanneer, inzonderdheid bij toepassing van de Lifo-methode, de boekwaarde van de voorraden aanzienlijk verschilt van de waarde berekend op basis van de marktwaarde op balansdatum, het totale bedrag van dit verschil, per voorraadpost die in de balans voorkomt, in de toelichting moet worden vermeld. Dit verschil kan door de in artikel 15 van het Wetboek van Vennootschappen bedoelde kleine vennootschappen en door middel van een totaalbedrag voor het geheel van de betrokken posten worden opgegeven.