CBN-advies 169/1 - Verwerking van leningen en ontleningen van effecten in de jaarrekening van ondernemingen

Inleiding : de effectenlening

Een effectenlening is de verrichting waarbij een partij (de lener) aan een andere partij (de ontlener) 
effecten leent voor een bepaalde periode en de ontlener de lener bij het verstrijken daarvan effecten in de plaats moet geven met dezelfde kenmerken maar waarvan de nummers niet identiek hoeven te zijn. 

Als vergoeding van de lening (schadeloosstelling voor het feit dat de lener, zolang de lening loopt, tijdelijk niet over zijn effect kan beschikken en het daaraan verbonden risico niet rechtstreeks kan beheren, en als vergoeding voor het tegenpartijrisico dat hij loopt), wordt over het algemeen bepaald dat de ontlener de lener een provisie betaalt. Die vergoeding stelt de lener in staat (behalve wanneer het tegenpartijrisico zich voordoet) een bijkomend rendement te verwerven voor de effecten die hij bezit.

De effectenlening is voornamelijk gangbaar onder effectenmakelaars, in het kader van de daarbij horende vereffenings-en clearingssystemen, om hen in staat te stellen hun leveringsverplichtingen na te komen, met name wanneer :  

  • zij op die datum de effecten nog niet hebben ontvangen die zij moeten ontvangen (verschillende leveringsdata); of, 
  • zij op die datum vanuit een ongedekte positie hebben verkocht en zij de te leveren effecten nog niet hebben verworven. 

Effectenleningen zijn een belangrijk, soms zelfs essentieel onderdeel van de werking van de financiële markten. 

In bepaalde gevallen worden de leningen bilateraal aangegaan tussen lener en ontlener, in voorkomend geval door bemiddeling van de marktbeheerder. 

In de meeste gevallen is het verloop van die leningsverrichtingen echter in het marktmechanisme geïntegreerd. De marktdeelnemers die dat wensen, vertrouwen een deel van de effecten in hun bezit aan de marktbeheerder toe en geven hem de toestemming die effecten te gebruiken voor leningsverrichtingen, om hun rendement te vergroten. De betrokken effecten worden door de marktbeheerder in een «pool» ondergebracht samen met andere effecten van dezelfde categorie waarvoor hij een soortgelijke toestemming heeft gekregen. De leningen worden vervolgens toegestaan op initiatief van de beheerder die optreedt voor rekening en in opdracht van de leners die lid zijn van de «pool». De beheerder stuurt elke deelnemer geregeld een overzicht over zijn aandeel in de voor rekening van de «pool» uitgevoerde verrichtingen en betaalt hem zijn rechtmatige vergoeding daarvoor. 

De leners zijn echter niet uitsluitend effectenmakelaars, die optreden in eigen naam en voor eigen rekening. Alle entiteiten en ondernemingen met relatief belangrijke portefeuilles kunnen dergelijke verrichtingen uitvoeren, die bijgevolg ook interessant kunnen zijn voor tal van industriële of commerciële ondernemingen, waarop de bepalingen van de Boekhoudwet en haar uitvoeringsbesluiten van toepassing zijn. 

Korte juridische en financiële analyse van de effectenlening 

Algemene overwegingen 

De commissie is niet bevoegd om zich uit te spreken over de juridische kwalificatie van de effectenlening en met name over de vraag of de effectenlening een verbruiklening is in de zin van artikel 1892 van het Burgerlijk Wetboek ("lening van een zaak die door het gebruik teniet gaat, onder verplichting voor de ontlener om aan de lener evenzoveel van gelijke soort en hoedanigheid terug te geven") dan wel een specifiek contract. 

Het essentiële kenmerk van de effectenlening is dat zij voor de ontlener de beschikkingsbevoegdheid over het betrokken effect impliceert en hij het dus kan overdragen (in volle eigendom) aan een derde of kan gebruiken voor elke andere daad van beschikking (bv. het effect verder verpanden of als waarbord gebruiken voor eigen verbintenissen). In de regel zal de ontlener een effectenlening slechts aangaan indien hij over de effecten kan beschikken. Bijgevolg impliceert de effectenlening dat de lener de eigendom van het effect overdraagt aan de ontlener. Tegerlijkertijd wordt op hem ook het risico op verlies door toeval overgedragen. 

De overdracht van de eigendom van het effect doet tegelijkertijd voor de lener een effectenvordering ontstaan (terug te vorderen geleend effect) en voor de ontlener een effectenschuld (terug te geven ontleend effect). 

Bij de leningsverrichting loopt de lener een tegenpartijrisico : het risico dat de ontlener hem, op de vervaldatum van de lening, de effecten niet teruggeeft. Dat risico is over het algemeen relatief klein op de georganiseerde markten. Indien het toch voorkomt, zal het zich pas voordoen bij het verstrijken van de lening. Het voorkomen van dat risico doet juridische rechtstoestanden ontstaan die, afhankelijk van de contractuele bepalingen, zeer uiteenlopend kunnen zijn. Dit advies gaat daarop niet dieper in. 

Naast het tegenpartijrisico verkeert de lener gedurende de volledige looptijd van de lening in een risicopositie met betrekking tot de waarde van het effect. Bij een stijging van de koers van het effect blijft dat in zijn voordeel; in het tegenovergestelde geval, is dat in zijn nadeel. Uiteindelijk blijft zijn koersrisicopositie vóór, tijdens en na de leningsverrichting ongewijzigd. Die verrichting heeft bijgevolg geen enkele invloed op het koersrisico verbonden aan het effect dat in zijn bezit was en dat hij leent. 

De ontlener loopt daarentegen, in het kader van de ontleningsverrichting, geen enkel koersrisico op het ontleende effect. Indien de lening is aangegaan om gewoon een tijdsverschil in de levering op te vangen, had hij bij de aanvang een gedekte positie; de lening verandert daar niets aan en de koersevolutie van het effect heeft geen invloed op het vermogen van de betrokken onderneming. Indien de ontlener bij de aanvang een baissepositie had op het effect, verandert de ontleningsverrichting niets aan die positie. De enige verandering is dat zijn baissepositie bij de levering van het effect wordt overgedragen van zijn effectenschuld tegenover zijn cliënt op zijn schuld in effecten die hij aan de lener moet teruggeven. In dat geval draagt hij, zoals vóór de effectenontlening, het koersrisico dat aan die baissepositie is verbonden. 

Zowel voor de lener als de ontlener, doet de effectenlening of - ontlening geen enkele vordering of schuld in geld ontstaan, afgezien van de als vergoeding voor de verrichting ontvangen of verschuldigde provisie, alsook, in voorkomend geval, van de «vergoeding voor ontbrekende coupon» die later aan bod komt. 

De eigendom van het geleende effect en het risico op verlies door toeval gaan dus over op de ontlener, maar het aan het effect inherente koersrisico blijft bij de lener en de leningsverrichting doet geen enkele vordering of schuld in geld ontstaan. Er is met andere woorden geen sprake van realisatie van het effect voor de toepassing van de boekhoudreglementering. 

Krachtens artikel 31, § 1, c), a) van de vierde richtlijn «mogen winsten slechts in resultaat worden genomen voor zover zij op de balansdatum gerealiseerd zijn». 

In geval van een effectenlening mag dus geen opbrengst worden geboekt, wanneer het betrokken effect tijdens de lening hoger zou noteren dan de waarde waartegen het effect bij de lener geboekt stond op het moment waarop de lening werd afgesloten. 

Evenzo mag de lener, in het tegenovergestelde geval (koers beneden de boekwaarde), geen enkel gerealiseerd verlies boeken; het verliesrisico (effectief, maar niet gerealiseerd verlies) op de effectenvordering zal in voorkomend geval worden uitgedrukt via de vaststelling van een «waardevermindering» op die effectenvordering. Die waardevermindering vloeit echter niet voort uit de leningsverrichting, maar uit de toepassing van artikel 31 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976. 

Wat de verhandelbare effecten betreft die zijn opgenomen in de jaarrekening van de kredietinstellingen, moet evenwel worden onderstreept dat het Koninklijk Besluit van 23 september 1992 op de jaarrekening van de kredietinstellingen1, bepaalt dat dergelijke verhandelbare effecten tegen marktwaarde worden gewaardeerd, met inresultaatneming van zowel de meerwaarden als de minderwaarden die daaruit voortvloeien. 

Rente en dividenden die tijdens de looptijd van de lening betaalbaar worden gesteld door de emittent van het effect 

  1. Om degelijk te kunnen worden geleverd, moeten alle niet-vervallen «coupons» zijn gehecht aan de effecten die werden ontleend om aan een derde (cessionaris of waarborghouder) te worden overgedragen. Het is bijgevolg de derde, die volledig buiten de leningsverrichting staat en daarvan niet op de hoogte is, die de coupon zal innen en hem zal boeken rekening houdend met zijn kenmerken (in het bijzonder met de fiscale kenmerken). 
    Daaruit vloeit voort dat de lener de inkomsten die de coupon vertegenwoordigen, met al zijn kenmerken, niet als eigen inkomsten zal kunnen beschouwen en boeken. 
    In dit geval zal de effectenleningsovereenkomst over het algemeen bepalen dat de ontlener de lener, naast de leningsprovie, de tegenwaarde in geld betaalt van de coupon die tijdens de looptijd van de lening zal of is vervallen. Die vergoeding wordt over het algemeen «vergoeding voor ontbrekende coupon» genoemd. Zij krijgt zowel in burgerrechtelijk als in boekhoudrechtelijk en in fiscaalrechtelijk opzicht, een andere kwalificatie dan de coupon die zij vervangt. Het betreft immers een persoonlijk recht van de lener op de ontlener en niet, zoals de betaalbaar gestelde coupon, een vorderingsrecht op de emittent van het effect, belichaamd in een verhandelbare waarde (de coupon). Daarom is het aangewezen die vergoeding voor ontbrekende coupon, in de boekhouding van de lener, in andere rekeningen of subrekeningen te boeken dan die waarin de coupons normaliter worden geboekt. 
     
  2. Het is echter niet uitgesloten dat het effect, krachtens de leningsovereenkomst, "ex-coupon" wordt geleend of dat die coupon, eveneens krachtens de leningsovereenkomst, op identificeerbare wijze voor rekening van de lener wordt geïnd. Dat zou met name het geval kunnen zijn indien het effect wordt ontleend om door de ontlener verder te worden verpand aan zijn schuldeiser of aan een derde-bewaarder, en indien de coupon voor rekening van de lener wordt geïnd door die schuldeiser of bewaarder. In dat geval zou de coupon, met zijn kenmerken, voor de lener een eigen opbrengst vormen die door hem als zodanig moet worden geboekt. 

Boekhoudkundige verwerking van effectenleningen

In dit onderdeel worden de krachtlijnen uitgetekend voor de omzetting van de voornoemde beginselen in de jaarrekening van de handels- en industriële ondernemingen. Bovendien worden in punt 4 van dit advies voorbeelden gegeven van schema's voor boekhoudkundige verwerking, in de vorm van :  

  • een basisgeval (een ontlener die op termijn effecten heeft verkocht vanuit een ongedekte positie en die bijgevolg een baissepositie heeft op die effecten);  
  • en een variante waarbij, voor hetzelfde geval, rekening kan worden gehouden met de verrekening van de interesten in verband met de geleende/ontleende effecten, met een tussentijdse balans en met de vervaldag van een coupon tijdens de looptijd van de lening/ontlening. 

Bij het afsluiten van de lening 

Door de lener 

Aangezien een effectenleningsovereenkomst resulteert in de overdracht van de eigendom van het betrokken effect en zij tegelijkertijd een effectenvordering doet ontstaan die de geleende, terug te vorderen effecten vertegenwoordigt, moet het sluiten van een dergelijke overeenkomst als volgt worden uitgedrukt : 

  • de geleende effecten wegboeken uit de post waarin ze stonden, afhankelijk van het geval : 
    • 280 Deelnemingen in verbonden ondernemingen
    • 2812 Vastrentende effecten op verbonden ondernemingen
    • 282 Deelnemingen in ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat
    • 2832 Vastrentende effecten op ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat
    • 284 Andere aandelen
    • 2852 Overige vastrentende effecten
    • 50 Eigen aandelen
    • 51 Aandelen
    • 52 Vastrentende effecten 
  • en tegelijkertijd de effectenvordering onderbrengen in een of meer afzonderlijke rekening of sub-rekeningen, met als benaming «Geleende effecten, effectenvordering », die moeten worden geopend in de voornoemde post waaruit het geleende effect werd weggeboekt. 

Omdat er geen «realisatie» is, moet de verrichting worden geboekt tegen de waarde waartegen het geleende effect was geboekt op het moment waarop de lening werd afgesloten. Indien op dat moment een waardevermindering of een herwaardering op het effect zou zijn toegepast, is een afzonderlijke boeking vereist voor alle bestanddelen van de nettoboekwaarde (aanschaffingswaarde, geboekte waardeverminderingen, toegepaste herwaarderingen). 

Door de ontlener 

De ontlener moet de overdracht van de eigendom van het gelijktijdig ontstaan van de effectenschuld als volgt boeken : 

51 Aandelen of    
52 Vastrentende effecten    
  aan ... Ontleende, terug te geven aandelen of     
    ... Ontleende, terug te geven vastrentende effecten     

Omdat er in het rekeningenstelsel geen rekening voor effectenschulden is, is het aangewezen onder de schulden één of meer afzonderlijke rekeningen te openen. De meest aangewezen post daarvoor lijkt post 48 van het genormaliseerd rekeningenstelsel, bij voorbeeld een rekening 487... . 

Aangezien het een effectenschuld en geen geldschuld betreft, moeten het verworven effect en de daarmee verband houdende effectenschuld bij hun boeking in geld worden gewaardeerd. Daartoe moet een onderscheid worden gemaakt naargelang de effectenlening wordt aangegaan om een gewoon tijdsverschil in de levering op te vangen (de ontlener heeft met ander woorden geen «positie» op het betrokken effect) dan wel, integendeel, om de aan een baissepositie verbonden leveringsverplichting na te komen. 

In het eerste geval kent de ontlener de aanschaffingsprijs van de te ontvangen effecten die hij zal gebruiken om zijn effectenlening terug te betalen. In dat geval is het aangewezen criterium de aanschaffingswaarde van de effecten die hij moet ontvangen van de persoon van wie hij ze heeft gekocht. Hierbij ontstaat dus geen enkel (positief of negatief) resultaat, wat trouwens overeenstemt met de realiteit. 

In het tweede geval weet de ontlener niet hoeveel hij zal moeten uitgeven om zich in te dekken op de markt. In deze hypothese is de koers van het effect op het ogenblik van de leningsverrichting het meest geschikte waarderingscriterium. 

Bij het verstrijken van het boekjaar (of de boekhoudperiode) 

Door de lener 

Bij het verstrijken van het boekjaar worden de geleende effecten gewaardeerd zoals de effecten in portefeuille van dezelfde categorie. Zo zal wanneer de waarde van de effecten, vastgesteld op basis van de geldende criteria voor de effectencategorie waartoe zij behoren (financieel vast actief/ geldbeleggingen), onder de netto(boek)waarde ligt waartegen de geleende effecten zijn geboekt, naar verhouding een waardevermindering worden vastgesteld op dezelfde manier en op basis van dezelfde criteria als wanneer de betrokken effecten niet waren geleend. Zo ook, indien de vroeger geboekte waardevermindering op de effecten in portefeuille niet langer verantwoord blijkt, moet de waardevermindering op de geleende effecten naar verhouding worden teruggenomen. Indien, bij het verstrijken van het boekjaar, de waarde van het effect daarentegen de aanschaffingswaarde van de effecten worden geboekt, behalve indien het een kredietinstelling betreft2 en indien de geleende effecten verhandelbare effecten zijn die op balansdatum tegen marktwaarde moeten worden gewaardeerd, ongeacht of die marktwaarde onder of boven de aanschaffingswaarde ligt. 

Indien het een vastrentend effect betreft, zullen de gelopen inkomsten pro rata temporis in resultaat worden genomen als verworven opbrengsten; indien de fiscale regeling voor de inkomsten uit geleende effecten verschilt van de fiscale regeling voor de inkomsten uit effecten in portefeuille, moet het verworven prorata in afzonderlijke rekeningen (subrekeningen) worden geboekt. 

Bovendien zal de als vergoeding voor de lening afgesproken provisie in resultaat worden genomen naar verhouding van de gelopen periode. 

Door de ontlener 

Leningen en ontleningen van effecten geven als zodanig geen aanleiding tot het vaststellen van een meer-of minderwaarde op de betrokken effecten. Indien de effectenschuld van de ontlener, bij het verstrijken van het boekjaar, door identieke effecten in portefeuille of identieke te ontvangen effecten is gedekt, en indien de ontlener bijgevolg geen «positie» heeft op het betrokken effect, is de onderneming niet langer meer blootgesteld aan enig koersrisico. 

De effecten in portefeuille of de te ontvangen effecten die moeten worden geleverd, worden gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde. Indien de waarde waartegen de terug te geven effecten zijn geboekt afwijkt van de aanschaffingswaarde van de effecten in portefeuille of de te ontvangen effecten, zal het verschil een resultaat vormen dat, op dat ogenblik en naar gelang van het geval, als gerealiseerde meerwaarde of minderwaarde op vlottende activa moet worden geboekt, indien dit verschil niet in resultaat is genomen op het tijdstip waarop de dekkingsverrichting werd aangegaan.

Deze boeking vindt plaats op de datum waarop de dekkingsverrichting wordt gesloten of bij een tussentijdse afsluiting of ook nog op het einde van het boekjaar.  

Indien de ontlener de ontleende effecten daarentegen heeft overgedragen om zijn verbintenissen aan te zuiveren en indien er, ingevolge andere verrichtingen, niet evenveel effecten in portefeuille of te ontvangen effecten zijn, zal hij, om zijn effectenlening terug te betalen, op de vervaldatum een zelfde aantal effecten moeten kopen tegen de op dat moment gangbare marktkoers. Hij heeft dan een ongedekt positie, à la baisse, en loopt bijgevolg een koersrisico, op dezelfde manier als had hij meer effecten verkocht dan hij in zijn bezit had of dan hij moest ontvangen. Indien de slotkoers hoger ligt dan de boekwaarde van de ontleende effecten, moet het verschil in resultaat worden genomen. In het omgekeerde geval moet de potentiële winst worden uitgesteld, behalve wanneer de ontlener een kredietinstelling is en het om verhandelbare effecten gaat waarvan alle koerswijzigingen in resultaat worden genomen. 
Bovendien zal de als vergoeding voor de lening afgesproken provisie in resultaat worden genomen naar verhouding van de gelopen periode. 

Informatie die in de jaarrekening moet worden verstrekt 

Bij de hierboven besproken boekhoudkundige verwerking, worden de geleende effecten in de jaarrekening van de lener pari passu voorgesteld, in dezelfde post als de effecten in portefeuille. Zo ook worden de ontleende effecten in de jaarrekening van de ontlener onder de schulden opgenomen. 
Indien die lopende verrichting een betekenisvolle invloed kunnen hebben op het oordeel van de lezers van de jaarrekening, over het vermogen, de financiële positie of de resultaten van de onderneming, van zowel de ontlener, moet dat, met toepassing van artikel 4 van het Koninklijk Besluit van 8 oktober 1976, in de toelichting worden vermeld. 

Afwikkeling van de leningsverrichting 

Bij de afwikkeling van de leningsverrichting worden de boekingen verricht bij de toekenning van de lening, voor dezelfde waarden tegengeboekt. Dit betekent dat bij de afwikkeling van de lening, net zomin als bij haar toekenning, geen enkele, in resultaat te nemen meerwaarde of minderwaarde ontstaat, noch voor de lener, noch voor de ontlener. 

Indien de ontlener vannuit een ongedekte positie had gehandeld en hij, om zijn verbintenis tot teruggave te kunnen nakomen, het effect dus op de markt heeft moeten kopen, spreekt het evenwel voor zich dat het verschil tussen de waarde waartegen de ontleende effecten waren geboekt en de aanschaffingswaarde op de markt van de effecten die hij heeft verworven om zijn verbintenis na te komen, voor hem een, naar gelang van het geval, positief of negatief resultaat zou vormen. Dat resultaat is evenwel het gevolg van zijn baissepositie en niet van de ontleningsverrichting en de afwikkeling ervan. 

Bovendien wordt bij de afwikkeling van de verrichting ook de afgesproken provisie geregeld, die door de lener als opbrengst en door de ontlener als kost zal worden geboekt. 

Regularisatie van tijdens de lening vervallen coupons 

Indien de aan de geleende effecten verbonden coupon, krachtens de bepalingen van de leningsovereenkomst, wordt geïnd door de lener of door een derde bewaarder voor rekening van de lener, is er geen enkel probleem : de lener boekt de betaalbaar gestelde coupon op dezelfde manier als de coupons van zijn effecten in portefeuille. 

In de andere, ongetwijfeld meest voorkomende gevallen zal de lener van de ontlener daarentegen een «vergoeding voor ontbrekende coupon» ontvangen. In boekhoudkundig opzicht moeten die vergoedingen voor ontbrekende coupons bij de financiële opbrengsten worden geboekt, in de posten voor opbrengsten uit soortgelijke effecten in portefeuille (rekeningen 750 of 751 van het genormaliseerd rekeningenstelsel). In burgerrechtelijk, boekhoudrechtelijk en fiscaalrechtelijk opzicht, hebben die vergoedingen voor ontbrekende coupons echter, zoals eerder vermeld, een andere kwalificatie dan de coupons die zij vervangen. Het is bijgevolg belangrijk dat zij in de boekhouding van de lener in afzonderlijke rekeningen of sub-rekeningen worden geboekt. 

Voor de ontlener vormen die vergoedingen voor ontbrekende coupons financïele kosten waar hij normaliter een opbrengst tegenover heeft geplaatst, hetzij uit de inning van de coupon voor zijn rekening (waarschijnlijk vrij zeldzaam geval), hetzij uit een renteprorata dat hij van zijn cliënt ontvangt, of een winst uit de terugkoop van het terug te geven effect tegen een lagere koers (ex-coupon). Die kosten moet hij bij de categorie «Diverse financiële kosten» (rekening 657 tot 659) van het genormaliseerd rekeningenstelsel boeken. 

Diverse vragen 

De vraag werd gesteld hoe de effectenlening in de jaarrekening van de ondernemingen moet worden 
verwerkt, wanneer : 

  • bij het verstrijken van de periode waarvoor de lening werd toegekend, de teruggave van een identiek effect als het ontleende effect onmogelijk is omdat de emittent een wijziging in het effect heeft gebracht; 
  • gedurende de periode tussen de lening van het effect en de afgesproken datum voor de teruggave, de houder een recht mag uitoefenen. 

Als voorbeelden van de eerste hypothese kunnen worden vermeld : de uitoefening door de emittent van een verplichting, een mogelijkheid die hij zich heeft voorbehouden om de lening vervroegd terug te betalen, de opslorping door een andere vennootschap van de vennootschap die de aandelen heeft uitgegeven waarop de lening betrekking heeft, de toekenning van een bonus, de kapitaalverhoging met inschrijvingsrecht, enz. Hier kan ook het geval worden vermeld waarbij de looptijd van de effectenlening, van bij de aanvang, de resterende looptijd van het effect (obligatie of schatkistcertificaat) tot de vervaldatum overstijgt3

Als voorbeelden van de tweede hypothese kunnen worden vermeld : het aanbod tot omzetting of bestendiging van een ontlening, het openstellen of verstrijken van de aan de effecten verbonden inschrijvingsrechten, de aanvang van een openbaar koop- of ruilaanbod, enz. 

Rekening houdend met de verscheidenheid aan mogelijke hypotheses en met de contractuele bepalingen die daarop van toepassing kunnen zijn, kan niet worden uitgemaakt welke boekingsbeginselen in de diverse gevallen precies moeten worden toegepast. Over het algemeen hebben de partijen in hun leningscontract de meest waarschijnlijke uitzonderingsgevallen opgenomen die zich kunnen voordoen tijdens het verloop van de leningsverrichting. Bij de boekingswijze moet met die contractuele bepalingen rekening worden gehouden binnen het bestek van de hierboven uitgewerkte algemene beginselen inzake effectenleningen. 

Voorbeelden : De effecten worden ontleend door een ontlener die op termijn effecten A heeft verkocht vanuit een ongedekte positie en bijgevolg op die effecten een baissepositie heeft4

Basisversie 

Voorbeeld : Op 15/12/199n sluit een handelsonderneming na verkoop van staatsobligaties vanuit een ongedekte positie en voor een bedrag van 1 005 (tegen een vaste rentevoet van 7 %), met een andere onderneming voor een periode van 15 dagen (vervaldatum van de coupon : 15 april) een ontleningsovereenkomst met betrekking tot die staatsobligaties. In zijn boekhouding boekt de lener de effecten voor een bedrag van 1 000 onder "Geldbeleggingen" en een waardevermindering van 10. De vergoeding voor de lening bedraagt 1 (2,4 % op 15 dagen). De betrokken verrichtingen worden als volgt in de jaarrekening verwerkt : 

1. Boekingen door de lener en de ontlener vóór het afsluiten van de lenings-/ontleningsovereenkomst 

    Lener

    5200 Vastrentende effecten A 1.000  
      aan 5209 Vastrentende effecten A
    (geboekte waardeverminderingen)
      10
        4... Diverse passiva   990

    Ontlener

    06... Debiteuren wegens op termijn verkochte effecten 1.005  
      aan 06... Titres vendus à terme à livrer   1.005

     

    2. Afsluiting van de lenings-/ontleningsverrichting met betrekking tot effecten A waarbij : 

    • bij de lener het geleende effect uit de balans wordt afgeboekt en een «effectenvordering» tegen nettoboekwaarde wordt geboekt in dezelfde post als in de oorspronkelijke rekening van het geleende effect;    
    • bij de ontlener ten gevolge van de eigendomsoverdracht (die wordt geacht te hebben plaatsgevonden) : 
      • de ontleende effecten in de passende actiefpost worden geboekt; 
      • de «effectenschuld» ten aanzien van de lener wordt geboekt. 

    Aangezien de ontlener vanuit een ongedekte positie heeft verkocht, worden die bedragen geboekt rekening houdend met de marktwaarde op de dag waarop de lening wordt aangegaan (in het voorbeeld : 1 010).

    Lener

    5250 Geleende vastrentende effecten A, "effectenverordening" (aanschaffingswaarde)

    1.000

     
      aan 5200 Vastrentende effecten A (aanschaffingswaarde)   1.000
    5209 Vastrentende effecten A
    (geboekte waardeverminderingen)
    10  
      aan 5259 Geleende vastrentende A, effecten A (geboekte waardeverminderingen)   10

    Ontlener

    5200 Vastrentende effecten A 1.010  
      aan 487 Ontleende, terug te geven effecten   1.010

     

    3. Levering aan cliënt van de effecten A die hij van de ontlener heeft gekocht

    De afwikkeling van de tegenpartijverrichting (die het afsluiten van de leningsovereenkomst voorafgaat) impliceert voor de ontlener de vaststelling van eventuele koersverschillen tussen het bedrag van de onderliggende verrichting en de «aanschaffingsprijs» van de ontleende effecten.

    Lener

    /

    Ontlener

    400 Handelsdebiteuren (koper van de effecten A) 1.005  
    492 Toe te rekenen kosten 5  
      aan 5200 Vastrentende effecten (aanschaffingswaarde)   1.010
    55 Kredietinstellingen 1.005  
      aan 400 Handelsdebiteuren (koper van effecten A)   1.005
    06... Op termijn verkochte, te leveren effecten 1.005  
      aan 06... Debiteuren wegens op termijn verkochte effecten   1.005

     

    4. Aankoop op de markt door de ontlener van de effecten die hij aan de lener moet teruggeven 

     

    Om zijn verplichting tot teruggave van de effecten te kunnen nakomen, koopt de ontlener effecten A op de markt en boekt ze tegen aanschaffingswaarde (namelijk 1.015). Zodra deze dekkingsverrichting is uitgevoerd, wordt ervan uitgegaan dat het resultaat van alle voornoemde verrichtingen, economisch gezien, is gerealiseerd, wat de inresultaatneming impliceert van de meerwaarde of de minderwaarde die voortvloeit uit het verschil tussen : 

    • de nettoboekwaarde van de effecten als vastgesteld op de datum waarop de termijnverkoop wordt gesloten, enerzijds; 
    • het bedrag dat is betaald voor de aankoop van de betrokken effecten op de markt in het vooruitzicht van hun teruggave aan de lener, anderzijds. 

    Lener

    /

    Ontlener

    5200 Vastrentende effecten A (aanschaffingswaarde) 1.015  
      aan 55 Kredietinstellingen   1.015
    652 Minderwaarde op de realisatie van vlottende activa 10  
      aan 492 Toe te rekenen kosten   5
      aan 487 Te ontlenen, terug te geven effecten A   5

     

     5. Afwikkeling van de effectenlening 

    De saldi van de nog openstaande rekeningen bij de ontlener worden vereffend. De voor de ontleningsverrichting betaalde vergoeding (in dit geval 1 = 2,4 % x 1 000 op 15 dagen) wordt in resultaat genomen. 

    Lener

    5200 Vastrentende effecten A (aanschafwaarde) 1.000  
      aan 5250 Geleende vastrentende effecten A "effectenverordening" (aanschaffingswaarde)   1.000
    5259 Geleende vastrentende effecten A (geboekte waardeverminderingen) 10  
      aan 5209 Vastrentende effecten A
    (geboekte waardeverminderingen)
      10
    55 Kredietinstellingen 1  
      aan 75 Vergoeding voor geleende effecten   1

    Ontlener

    487 Te ontlenen, terug te geven effecten A 1.015  
      aan 520 Vastrentende effecten A   1.016
    65... Vergoeding voor ontleende effecten 1  
      aan 55 Kredietinstellingen   1

     

    Variante die rekening houdt met de verrekening van de intresten op de geleende/ontleende effecten,  een tussentijdse afsluiting en de inning van een coupon tijdens de looptijd van de lening/ontlening

    Hierbij wordt rekening gehouden met : 

    • verrekening van de interesten op de geleende/ontleende effecten;
    • tussentijdse afsluiting; 
    • inning van een coupon tijdens de looptijd van de lening/ontlening. 

    Voorbeeld : Op 16.13.199n sluit een handelsonderneming na verkoop van staatsobligaties (met een vaste rentevoet van 7 %) vanuit een ongedekte positie voor een bedrag van 1 005, met een andere onderneming een ontleningsovereenkomst met betrekking tot die staatsobligaties voor een periode van 30 dagen (vervaldatum van de coupon : 14 januari). 

    In zijn boekhouding boekt de lener de effecten voor een bedrag van 1 000 onder Geldbeleggingen en een waardevermindering van 10. Op de datum waarop de leningsovereenkomst wordt gesloten, bedragen de op die effecten verkregen interesten 64.

    De vaste termijnverkoop werd afgesloten op 26.12.199n tegen een prijs van 1 071 (de interesten bedragen 66, de koers van de onderliggende obligatie 1 005). 

    De vergoeding voor de lening bedraagt 2 (2,4 % x 1 000 op 30 dagen). 

    De houders van de voornoemde staatsobligaties knippen op 14 januari 199n+1 een coupon van 70 af (die betrekking heeft op de periode van 15.1.199n tot 14.1.199n+1) en verzilveren die. 

    Er wordt geen rekening gehouden met een eventuele inhouding van roerende voorheffing aangezien op datum van publicatie van dit advies, de regering zich hiervoor nog niet heeft uitgesproken en het voorbeeld geen rekening kan houden met de diverse mogelijkheden die voortvloeien uit de toepassing van onderscheiden fiscale regimes. 

    De betrokken verrichtingen worden als volgt in de jaarrekening verwerkt : 

    1. Boekingen door de lener en de ontlener vóór het afsluiten van de lenings-/ontleningsovereenkomst 

    Lener

    5200 Vastrentende effecten A 1.000  
      aan 5209 Vastrentende effecten A (geboekte waarderingsverminderingen)   10
        4... Diverse passiva   990
    491 Verkregen intresten op de effecten A 64  
      aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa   64

    Ontlener

    06... Debiteuren wegens op termijn verkochte effecten 1.071  
      aan 06... Op termijn verkochte te leveren effecten   1.071

     

    2. Afsluiting van de lenings-/ontleningsverrichting met betrekking tot effecten A waarbij5 

    - bij de lener het geleende effect uit de balans wordt afgeboekt en een «effectenvordering» tegen nettoboekwaarde wordt geboekt in dezelfde post als in de oorspronkelijke rekening van het geleende effect;    
    - bij de ontlener ten gevolge van de eigendomsoverdracht (die wordt geacht te hebben plaatsgevonden), 

    • de ontleende effecten in de passende actiefpost worden geboekt; 
    • de «effectenschuld» ten aanzien van de lener wordt geboekt.  

    Aangezien ontlener vanuit een ongedekte positie heeft verkocht, wordt de effectenschuld geboekt rekening houdend met de marktwaarde op de dag waarop de lening wordt aangegaan (in dit voorbeeld 1 010) en met de te lopen interesten op datzelfde effect tot op de datum waarop de leningsovereenkomst wordt afgewikkeld (in dit voorbeeld 70) :

    Lener

    5250 Geleende vastrentende effecten A "effectenvordering" (aanschaffingswaarde) 1.000  
      aan 5200 Vastrentende effecten A (aanschaffingswaarde)   1.000
    5209 Vastrentende effecten A (geboekte waardevermindering) 10  
      aan 5259 Geleende vastrentende effecten A
    (geboekte waardeverminderingen)
      10

    Ontlener

    5200 Vastrentende effecten A (aanschaffingswaarde) 1.100  
    5201 Vastrentende effecten (gelopen intrest) 70  
      aan 487 Ontleende, terug te geven effecten A   1.080

     

    3. Levering aan cliënt van de effecten A die van de ontlener werden gekocht 

    De afwikkeling van de tegenpartijverrichting (die het afsluiten van de leningsovereenkomst voorafgaat) impliceert voor de ontlener de vaststelling van eventuele koersverschillen tussen het bedrag van de onderliggende verrichting en de «aanschaffingsprijs» van de ontleende effecten (met inbegrip van gelopen interesten op de te leveren effecten).

    Lener

    /

    Ontlener

    400 Handelsdebiteuren (koper van de effecten A) 1.005  
    492 Toe te rekenen kosten6 5  
      aan 5200 Vastrentende effecten A (aanschaffingswaarde)   1.010
    55 Kredietinstellingen 1.005  
      aan 400 Handelsdebiteuren (koper van de effecten A)   1.005
    06... Op termijn verkochte, te leveren effecten 1.005  
      aan 06... Debiteuren wegens op termijn verkochte effecten   1.005

     

    4. Tussentijdse balans (op 31/12/199n) 

    Op balansdatrum moet de geprorateerde vergoeding voor de lening van de effecten A (namelijk 2,4 % x 1 000 op 30 dagen /2 = 1) worden geboekt. 

    Hypothese A : de koers bedraagt 975 op balansdatum 

    De lener moet, gezien het potentiële verliesrisico, een waardevermindering boeken om de boekwaarde van de effecten die hem worden teruggegeven, te verminderen tot hun marktwaarde (als bepaald op balansdatum). 

    De ontlener verkrijgt op zijn beurt een potentiële meerwaarde (berekend in verhouding tot de hoofdsom van de onderliggende obligatie). In het voorbeeld bedraagt die meerwaarde 30 (namelijk het verschil tussen 1 005 (prijs vastgesteld in de overeenkomst over de termijnverkoop) en 975 (koers van de hoofdsom op 31.12.199n)). De meerwaarde is evenwel niet gerealiseerd in boekhoudrechtelijke zin. Zij wordt bijgevolg uitgesteld en geboekt : 

    • gedeeltelijk in de overlopende rekeningen (ten belope van het verschil tussen de prijs van de termijnverrichting en de marktprijs van het effect op de dag waarop de lening wordt afgesloten); 
    • gedeeltelijk als «Koersverschillen op de effecten A» (ten belope van het verschil tussen de beurskoers van de obligatie op balansdatum en de beurskoers bij het afsluiten van de ontleningsverrichting). 

    Lener

    651 Waardevermindering op vlottende activa (toevoegingen) 15  
      aan 5259 Geleende vastrentende effecten A (geboekte waardevermindering)   15
    491 Verkregen opbrengsten 1  
      aan 75... Vergoeding voor geleende effecten   1
    491 Verkregen intresten op effecten A 37  
      aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa   3

    Ontlener

    487 Ontleende terug te geven effecten A 35  
      aan 492 Toe te rekenen kosten   5
        497 Koersverschillen op effecten A   30
    65... Vergoeding voor ontleende effecten 1  
      aan 492 Toe te rekenen kosten   1

     

    Hypothese B : de koers bedraagt 1 022 op balansdatum

    De lener moet de eerder geboekte waardevermindering terugnemen, want niet langer verantwoord. 

    De ontlener loopt effectief het risico de effecten die hij vanuit een ongedekte positie heeft verkocht en waarvoor hij, om die effecten te kunnen leveren, de tegen 1 010 (bedrag in hoofdsom) geboekte ontleningsverrichting heeft uitgevoerd, tegen 1 022 te moeten terugkopen. De te leveren effecten zullen tegen die hogere marktwaarde worden gewaardeerd, waarbij het verschil ten laste wordt genomen : 

    • door vereffening van het debetsaldo in de overlopende rekeningen; 
    • door verhoging van de schuld van de ontleende, terug te geven effecten (ten belope van het verschil tussen de beurskoers van de obligatie op de datum waarop de ontlening wordt aangegaan en de beurskoers op 31.12.199n). 

    Lener

    5259 Geleende vastrentende effecten A (geboekte waardeverminderingen) 10  
      aan 651 Waardeverminderingen op vlottende activa (terugnemingen)   10
    491 Verkregen intresten op effecten A 3  
      aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa   3
    491 Verkregen opbrengsten (intresten op effecten A) 1  
      aan 75... Vergoeding voor geleende effecten   1

    Ontlener

    657 Koersverschillen op effecten A 17  
      aan 492 Toe te rekenen kosten   5
        487 Ontleende terug te geven effecten A   12
    65... Vergoeding voor ontleende effecten 1  
      aan 492 Toe te rekenen kosten   1

     
    5. Aankoop op de markt van de effecten die de ontlener aan de lener moet teruggeven 

    Om zijn verplichtingen tot teruggave van de effecten te kunnen nakomen, koopt de ontlener op 13.1.199n +1 vastrentende effecten A op de markt en boekt ze tegen aanschaffingswaarde (namelijk, in dit voorbeeld, 1 083, te weten 1 013 in hoofdsom en 70 in interest). Zodra deze dekkingsverrichting is uitgevoerd, wordt ervan uitgegaan dat het resultaat van alle voornoemde verrichtingen, economisch gezien, is gerealiseerd wat de inresultaatneming impliceert van de meerwaarde of de minderwaarde die voortvloeit uit het verschil tussen :

    • de netto boekwaarde van de effecten vastgesteld op de datum waarop de termijnverkoop wordt afgesloten, enerzijds; 
    • het bedrag dat is betaald door de aankoop van de betrokken effecten op de markt in het vooruitzicht van hun teruggave aan de lener, anderzijds. 

    Bovendien moet worden onderstreept dat enkel de in punt 4 bedoelde hypothese A (een zelfde koers van de onderliggende obligatie op 31.12.199n : 975) zal worden gehanteerd in punten 5 en 6 van het schema voor de boekhoudkundige verwerking.

    Lener

    /

    Ontlener

    5200 Vastrentende effecten A (aanschaffingswaarde)   1.013
    5201 Vastrentende effecten A (gelopen intrest) 70  
      aan 55 Kredietinstellingen   1.083
    652 Minderwaarde op de realisatie van vlottende activa 8  
    497 Koersverschillen op effecten A 30  
      aan 487 Te ontlenen, terug te geven effecten A   38

     

     

    6. Inning van de coupon (ten belope van 70) op 14 januari 199n +1 

    Lener

    491 Verkregen intresten op effecten A 3  
      aan 751 Opbrengsten uit vlottende activa   3

    Ontlener

    55 Kredietinstellingen 70  
      aan 75 Financiële opbrengsten   70
    65 Financiële kosten 70  
      aan 5201 Vastrentende effecten A (gelopen intresten)   70

     

     7. Afwikkeling van de effectenlening 

    De saldi van de nog geopende rekeningen bij de ontlener worden vereffend. De kosten van de voor de ontleningsverrichting betaalde vergoeding (in dit geval : 2 = 2,4 % x 1 000 op 30 dagen) worden op hun beurt in resultaat genomen voor de periode tussen 1.1.199n+1 en 15.1.199n+1.

    Lener

    5200 Vastrentende effecten A (aanschaffingswaarde) 1.000  
      aan 5250 Geleende vastrentende effecten A, "effectenvordering" (aanschaffingswaarde)   1.000
    5259 Geleende vastrentende effecten A (geboekte waardeverminderingen) 25  
      aan 5209 Vastrentende effecten A (geboekte waardeverminderingen)   25
    55 Kredietinstellingen 70  
      aan 491 Verkregen opbrengsten   70
    55 Kredietinstellingen 2  
      aan 75... Vergoeding voor geleende effecten   1
        491 Verkregen opbrengsten   1

    Ontlener

    487 Te ontlenen, terug te geven effecten A 1.083  
      aan 5200 Vastrentende effecten A (aanschaffingswaarde)   1.013
        55 Kredietinstellingen   70
    65... Vergoeding voor ontleende effecten 1  
    492 Toe te rekenen kosten 1  
      aan 55 Kredietinstellingen   2
    • 1. De Belgische Regering heeft gebruik gemaakt van de optie in artikel 36 van de richtlijn 86/635/E.E.G. van de Raad van 8 december 1986 (betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen) die de Lid-Staten de mogeljkheid biedt om de toepassing van de «markt¬to-market» toe te staan of voor te schrijven voor verhandelbare effecten die geen financiële vaste activa zijn.
    • 2. Hetzelfde zou gelden voor de andere categorieën van ondernemingen waarop de regel van de waardering tegen marktkoers van toepassing zou worden verklaard.
    • 3. De vraag rijst of de verrichting in dit laatste geval als effectenlening kan worden bestempeld. De commissie spreekt zich ter zake niet uit.
    • 4. Het voorbeeld is progressief opgebouwd. Het uitgangspunt is een vereenvoudigde toestand (het eerste voorbeeld), met daarna in het tweede voorbeeld (een variante van het eerste) de boekhoudkundige verwerking van de verrekening van de interesten op de geleende/ontleende effecten, van een tussentijdse balans en van de inning van een coupon.
    • 5. Voor de voorstelling van het voorbeeld (tussentijdse balans, ...) wordt verondersteld dat de lengsovereenkomst lange tijd vóór de afwikkelingsdatum van de vaste verkoop op termijn is afgesloten en dus niet enkele dagen daarvoor; die overeenkomst wordt overigens lange tijd na de afwikkelingsdatum van de vaste termijnverrichting (die voor de ontlener een «speculatieve» positie deed ontstaan) afgewikkeld.
    • 6. Zijnde het verschil tussen 1.005 en 1.010.
    • 7. 1.000 x 7% x 15/360 = 3. Er moet trouwens worden aan herinnerd dat de verkregen intresten (voor de periode van 1.12.199n tot 14.12.199n) reeds werden geboekt door de lener (zie ter zake punt 1 van het voorbeeld).