COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2016/12 - Verjaarde schulden

Advies van 15 juni 20161

Inleiding

Onderhavig advies behandelt de boekhoudkundige verwerking van verjaarde schulden. Verjaring is een middel om, door verloop van een zekere tijd en onder de voorwaarden die de wet bepaalt, iets te verkrijgen of van een verbintenis bevrijd te worden.2

In onderhavig advies worden door de Commissie geen standpunten ingenomen over de wijzen waarop een verjaring van een schuld optreedt noch over de verjaringstermijnen. Het advies strekt er uitsluitend toe te verduidelijken op welke wijze een schuld boekhoudkundig moet worden verwerkt ingeval de verjaringstermijn verstreken3 is.

Burgerrechtelijke bepalingen (naar Belgisch recht)

Ofschoon de bevrijdende verjaring in artikel 1234 BW wordt gerangschikt onder de wijzen van tenietgaan van verbintenissen, wordt in de doctrine meestal aangenomen dat deze rangschikking niet helemaal correct is, omdat de bevrijdende verjaring het bestaan4 van de schuld niet aantast, maar wel de opeisbaarheid ervan.5 De verbintenis waarvan het vorderingsrecht van de schuldeiser is verjaard, blijft bestaan als een natuurlijke verbintenis.6 Ten opzichte van natuurlijke verbintenissen kan geen terugvordering plaatshebben wanneer men ze vrijwillig voldaan heeft, maar wel als men ze niet vrijwillig voldaan heeft.7 De betaling van een verjaarde schuld, zelfs indien deze vrijwillig gebeurt, sluit het recht op terugvordering niet uit wanneer zij, blijkens de omstandigheden, niet kan worden opgevat als de voldoening van een door de betaler erkende schuld.8

Men kan vooraf geen afstand doen van de verjaring; men kan wel afstand doen van een verkregen verjaring.9 Een rechter kan het middel van de verjaring niet ambtshalve toepassen.10 De beslissing over het al dan niet gebruiken van dit middel berust in laatste instantie in het geweten van de betrokkene.11

Boekhoudkundige verwerking

Gelet op de hiervoor uiteengezette principes is de Commissie van mening dat de schuldenaar een verjaarde schuld boekhoudkundig als volgt moet verwerken.

Zoals vermeld in randnummer 3 is een verjaarde schuld niet langer een eisbare schuld. De schuld wordt in dit geval een natuurlijke verbintenis waarvan de voldoening door de schuldenaar facultatief is. De schuldenaar heeft aldus de keuze om zich al dan niet op de verjaring van de schuld te beroepen.

De schuldenaar heeft afstand gedaan van de verjaring

Indien de schuldenaar, nadat de schuld is verjaard, afstand doet of heeft gedaan van de verjaring moet deze schuld blijvend op het passief van de balans worden vermeld. Deze schuld blijft immers een schuld die door de schuldeiser al dan niet onmiddellijk kan worden opgeëist.

De schuldenaar heeft (nog) geen afstand gedaan van de verjaring

Indien de schuldenaar, nadat de schuld is verjaard, geen of nog geen afstand12 heeft gedaan van de verjaring is de schuld niet langer een eisbare schuld. Zoals vermeld in de randnummers 3 en 6 blijft deze schuld wel bestaan, doch niet als een schuld waarvan de voldoening door de schuldeiser kan worden geëist maar als een verbintenis waarvan de voldoening door de schuldenaar facultatief is (natuurlijke verbintenis).

Zonder er zich over uit te spreken of de opname van een schuld in de jaarrekening al dan niet een stuiting van de verjaring van die schuld inhoudt in de zin van artikel 2248 BW wijst de Commissie op de volgende uitspraken van het Hof van Cassatie.

In een Cassatiearrest van 15 februari 2013 spreekt het Hof van Cassatie zich als volgt uit: “Krachtens artikel 2248 Burgerlijk Wetboek stuit de erkenning van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, door de schuldenaar of de bezitter gedaan, de verjaring. De erkenning van het recht van degene tegen wie de verjaring loopt, is een vrijwillige handeling. De naleving van een wettelijke verplichting staat een vrijwillige handeling niet in de weg. Het onderdeel dat ervan uitgaat dat de wettelijke verplichting tot opname van een schuld in de boekhouding van een onderneming verhindert dat deze opname een erkenning in de zin van artikel 2248 Burgerlijk Wetboek is, faalt naar recht.”13

In een Cassatiearrest van 22 juni 2015 spreekt het Hof van Cassatie als volgt uit: “ … biedt artikel 2220 Burgerlijk Wetboek de mogelijkheid afstand te doen van de verkregen verjaring. Luidens artikel 2221 Burgerlijk Wetboek geschiedt de afstand van verjaring uitdrukkelijk of stilzwijgend: de stilzwijgende afstand wordt afgeleid uit een daad die doet veronderstellen dat men van zijn verkregen recht afziet. Artikel 2224 van dat wetboek bepaalt dat men zich op verjaring kan beroepen in elke staat van het geding, zelfs voor het hof van beroep, tenzij de omstandigheden doen vermoeden dat de partij die zich op het middel van verjaring niet heeft beroepen, daarvan afstand heeft gedaan. Het staat aan de feitenrechter feitelijk te beoordelen, met naleving van het voornoemde algemeen rechtsbeginsel, of de omstandigheden aantonen dat de schuldenaar van de verkregen verjaring afstand wil doen. Volgens artikel 2248 Burgerlijk Wetboek wordt de verjaring gestuit door de erkenning door de schuldenaar van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt. In tegenstelling tot wat het middel betoogt, kan uit die laatste bepaling, noch uit de voornoemde bepalingen worden afgeleid dat de loutere erkenning door de schuldenaar van het recht van hem tegen wie de verjaring loopt, aangeeft dat hij wil afzien van de verkregen verjaring.”14

De Commissie brengt in herinnering dat op boekhoudkundig vlak het volledigheidsbeginsel van de boekhouding en het beginsel dat de jaarrekening een getrouw beeld moet geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat gelden. Het komt toe aan het bestuursorgaan om een aan de onderneming gerichte claim op de meest passende wijze in de boekhouding op te nemen.

Wanneer de schuldenaar zich evenwel beroept op de verjaring mag de schuld niet langer op het passief van de balans van de schuldenaar worden vermeld15 en moet het bedrag van deze schuld in resultaat worden genomen.

 

  • 1. Onderhavig advies is tot stand gekomen nadat een ontwerp van het advies op 23 februari 2016 ter consultatie werd gepubliceerd op de website van de CBN.
  • 2. Artikel 2219 BW.
  • 3. Indien tussen schuldenaar en schuldeiser betwisting bestaat of de schuld al dan niet verjaard is, komt het toe aan het bestuursorgaan te oordelen of de aanleg van een voorziening passend is. Deze situatie wordt evenwel niet beoogd in onderhavig advies.
  • 4. Zie ook V. SAGAERT, Les effets de la prescription en droit belge, La prescription extinctive, Etudes de droit comparé, Bruxelles, Schulthess-Bruylant, 2010, 114 en H. DE PAGE, Traité de droit civil Belge, Tome II, Les obligations (P. Van Ommeslaghe),Bruxelles, Editions Bruylant, 2013, 692.
  • 5. A. VAN OEVELEN, Recente ontwikkelingen inzake de bevrijdende verjaring in het burgerlijk recht, Rechtskundig Weekblad 2000-2001, nr. 39, 1433. Zie ook onder meer Cass. 14 mei 1992.
  • 6. “De verjaring wist de schuld niet uit, enkel de opeisbaarheid ervan in rechte. Wordt de verjaring met succes ingeroepen, dan verliest de schuldeiser wel zijn dwangmiddel; was de schuld echter niet betaald, dan blijft ze voortbestaan; en de schuldenaar die nadien spontaan presteert, doet niets meer dan wat hij moest. Men bevindt zich dus voor die eigenaardige toestand: een schuld zonder sanctie. Dat heet een “natuurlijke” verbintenis.”(Dekkers-Dirix, Handboek Burgerlijk Recht, deel II, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2005, 527).
  • 7. Cass. 24 september 1981.
  • 8. Cass. 6 maart 2006.
  • 9. Artikel 2220 BW.
  • 10. Artikel 2223 BW.
  • 11. Dekkers-Dirix, Handboek Burgerlijk Recht, deel II, Antwerpen-Oxford, Intersentia, 2005, 498.
  • 12. De schuldenaar zal er zich evenwel niet altijd bewust van zijn dat de verjaringstermijn van een schuld reeds verstreken is.
  • 13. Cassatiearrest van 15 februari 2013, rolnummer F.11.0020.N. Zie ook de Conclusie van de Advocaat-Generaal Dirk Thijs bij dit arrest.
  • 14. Cassatiearrest van 22 juni 2015, rolnummer S.14.0014.F.
  • 15. Zie ook Hof van Beroep van Luik, 24 februari 2010, Rolnr. 2008/RG/1140.