COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 114/6 - Uitdrukking van verrichtingen tussen ondernemingen uit eenzelfde groep

Met toepassing van de vierde EEG-richtlijn schrijft het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 voor dat de belangrijkste verrichtingen van een onderneming met de ondernemingen waarmee zij is verbonden of waarmee een deelnemingsverhouding bestaat, in de jaarrekening moeten worden uitgedrukt1

De Commissie heeft in dit verband een aantal zaken verduidelijkt. 

Het feit dat een verbonden onderneming - vooraleer hiermee verrichtingen worden uitgevoerd - in een werkelijke concurrentiepositie wordt geplaatst met ondernemingen die niet tot de groep behoren, doet geen afbreuk aan de verplichting om de belangrijkste interne groepsverrichtingen openbaar te maken, zoals voorgeschreven door het besluit van 8 oktober 1976. 

Krachtens dit besluit moeten niet enkel de interne groepsverrichtingen worden uitgedrukt die niet tegen normale voorwaarden zijn gebeurd. Dergelijke verrichtingen tegen abnormale voorwaarden roepen trouwens fundamentele bezwaren op, zowel op vennootschapsrechtelijk vlak als anderszins. Het besluit wil dat alle interne groepsverrichtingen als dusdanig worden uitgedrukt. 

Dit vereiste leunt aan bij dezelfde basisgedachte als artikel 60 van de Vennootschapswet, dat een specifieke verslaggeving voorschrijft over verrichtingen waarbij het belang van een bestuurder strijdig is met dat van de vennootschap. Hier evenmin staat het feit dat de verrichting tegen normale voorwaarden zou zijn gebeurd, de toepassing van het betrokken artikel in de weg. 

Trouwens, het feit dat het besluit ook de uitdrukking voorschrijft van vorderingen tussen ondernemingen van eenzelfde groep die bij de geldbeleggingen zijn gerangschikt, impliceert dat deze vermelding niet beperkt is tot de vorderingen die tot de vaste activa behoren of tot de vorderingen op lange termijn.

 

  • 1. Staat XVIII van de toelichting bij het volledige schema en staat IX van de toelichting bij het verkorte schema.