COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

TN 2020/04 – Financieel plan voor besloten vennootschappen, coöperatieve vennootschappen en naamloze vennootschappen

Technische nota van 4 maart 20201

Inleiding

De wet2 verplicht de oprichters van een besloten vennootschap (hierna: BV), een coöperatieve vennootschap (hierna: CV) of een naamloze vennootschap (hierna: NV) om vóór de oprichting van de vennootschap een financieel plan op te stellen. Dit plan wordt vervolgens overhandigd aan de notaris die de oprichtingsakte opstelt.

Het betreft geen nieuwe verplichting. In het Wetboek van vennootschappen (hierna: W. Venn.) was dit reeds voorzien voor besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid (starter)3, voor coöperatieve vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid4, alsook voor naamloze vennootschappen5. De Commissie voor boekhoudkundige normen had overigens al de gelegenheid om een advies op te stellen en uit te brengen betreffende het financieel plan voor bvba Starter (CBN-advies 2010/6).

Nieuw is de bedoeling van de wetgever om deze verplichting te versterken. De minimale inhoud van het financieel plan is voortaan vastgesteld in het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (hierna: WVV) zelf.

Deze technische nota beoogt de oprichters van de hierboven vermelde vennootschappen te helpen bij het opstellen van het financieel plan en dient ter vervanging van CBN-advies 2010/6.

Het financieel plan kan worden gedefinieerd als een schatting van de door de vennootschap in oprichting uit te voeren activiteiten en van de financiële middelen waarover zij daartoe dient te beschikken6.

Los van het nut in de praktijk, houdt het financieel plan er een tweeledige doelstelling op na7

  1. De lichtzinnige oprichting van vennootschappen beletten.

    De oprichters moeten nadenken over de voorgenomen bedrijvigheid en een verantwoord aanvangsvermogen ter beschikking van de vennootschap stellen in het licht van deze voorgenomen bedrijvigheid.
     
  2. De oprichters beschermen.

    Het stelt de rechter in staat hun aansprakelijkheid wegens de oprichting van een vennootschap met een kennelijk ontoereikend aanvangsvermogen8 te beoordelen op grond van de toestand en de informatie die op het tijdstip van de oprichting voorhanden waren.

Uiteraard kunnen de oprichters zich voor de opstelling van een financieel plan laten bijstaan door een externe deskundige. Diens naam moet in dergelijk geval in het financieel plan worden vermeld. Voor startende ondernemers valt deze bijstand zeker aan te raden. Om de kosten van oprichting evenwel niet te verzwaren, opteert de wetgever ervoor dergelijke bijstand niet verplicht te maken.9

Inhoud van het financieel plan

Wettekst10

Vóór de oprichting van de vennootschap overhandigen de oprichters aan de optredende notaris een financieel plan waarin zij het bedrag van het aanvangsvermogen verantwoorden in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid van de vennootschap over een periode van ten minste twee jaar. Dit stuk wordt niet neergelegd met de akte, maar door de notaris bewaard. 

Het financieel plan dient minstens volgende elementen te bevatten:

1° een nauwkeurige beschrijving van de voorgenomen bedrijvigheid;

2° een overzicht van alle financieringsbronnen bij oprichting, in voorkomend geval, met opgave van de in dat verband verstrekte zekerheden;

3° een openingsbalans opgesteld volgens het [micro] schema bedoeld in artikel 3:3 [WVV], evenals geprojecteerde balansen na twaalf en vierentwintig maanden;

4° een geprojecteerde resultatenrekening na twaalf en vierentwintig maanden, opgesteld volgens het [micro] schema bedoeld in artikel 3:3 [WVV];

5° een begroting van de verwachte inkomsten en uitgaven voor een periode van minstens twee jaar na de oprichting;

6° een beschrijving van de aangenomen hypotheses bij de schatting van de verwachte omzet en de verwachte rentabiliteit;

7° in voorkomend geval, de naam van de externe deskundige die bijstand heeft verleend bij de opmaak van het financieel plan.

Bij de opstelling van de geprojecteerde balansen en resultatenrekeningen kan een andere periodiciteit dan deze bedoeld in [punten] 3° en 4°, worden gehanteerd op voorwaarde dat de projecties in totaal betrekking hebben op een periode van minstens twee jaar na de oprichting.

Financieringsbronnen bij oprichting (2°)

Vermits het financieel plan bedoeld is om het aanvangsvermogen te verantwoorden en dit plan kan worden gebruikt in geval van faillissement binnen de eerste drie jaar na de oprichting van de vennootschap, is het van primordiaal belang na te gaan of de middelen die de oprichters ter beschikking stellen van de vennootschap, voldoende zullen zijn om haar werking te verzekeren gedurende een periode van ten minste twee jaar na de oprichting.

Geprojecteerde balansen (3°)

Overeenkomstig artikelen 5:4, § 2, 3°; 6:5, § 2, 3° en 7:3, § 2, 3° WVV bevat het financieel plan “een openingsbalans opgesteld volgens het schema bedoeld in artikel 3:3, evenals geprojecteerde balansen na twaalf en vierentwintig maanden”.

Bij een inbreng in geld zal de openingsbalans in vele gevallen bestaan uit een bankrekening op het actief en inbreng op het passief. Bij een inbreng in natura zal de openingsbalans bestaan uit de staat van activa en passiva die voortvloeit uit het verslag van de revisor. Deze werd aangesteld om het bestaan te controleren van de ingebrachte goederen en van de vergoeding die werd toegekend als tegenprestatie voor de inbreng.

De geprojecteerde balansen worden na toewijzing opgesteld op basis van een analyse van de financieringsbehoefte, waarin rekening wordt gehouden met de voorgenomen bedrijvigheid en met de bijzonderheden van de onderneming (investeringen, afschrijvingsbeleid, voorraden, handelsvorderingen en andere vorderingen, enz.). 

Het feit dat er drie balansen worden gevraagd, hangt uiteraard samen met het kunnen opmaken van een kasstromenoverzicht na twaalf en vierentwintig maanden.

Er kan worden opgemerkt dat, bij de opstelling van de geprojecteerde balansen, een andere periodiciteit (dan twee periodes van elk twaalf maanden) kan worden gehanteerd, op voorwaarde dat de projecties in totaal betrekking hebben op een periode van minstens twee jaar na de oprichting11.

Zo kunnen de oprichters kiezen om een periode langer dan vierentwintig maanden zodanig uit te splitsen dat de periodes overeenstemmen met de geprojecteerde boekjaren. 

Neem bijvoorbeeld het geval van een BV die op 1 juli 2019 werd opgericht. Het eerste boekjaar wordt dan verlengd tot achttien maanden (1 juli 2019 tot 31 december 2020). In dit geval kunnen er naast de openingsbalans, balansen gemaakt worden na achttien maanden (eerste geprojecteerde balans) en voor de twaalf maanden van het geplande tweede boekjaar (tweede geprojecteerde balans). 

De geprojecteerde balansen dienen opgesteld te worden overeenkomstig deze opgenomen in het microschema van de jaarrekening zoals bepaald in artikel 3:3 WVV. Uiteraard kunnen oprichters het gebruikte schema meer detailleren dan wettelijk voorzien en bijvoorbeeld het verkort of volledig schema hanteren. Zo kunnen ook rubrieken die niet relevant zijn voor de op te richten vennootschap weggelaten worden. 

Geprojecteerde resultatenrekeningen (4°)

Overeenkomstig artikelen 5:4, § 2, 4°; 6:5, § 2, 4° en 7:3, § 2, 4° WVV bevat het financieel plan “een geprojecteerde resultatenrekening na twaalf en vierentwintig maanden, opgesteld volgens het schema bedoeld in artikel 3:3”. 

Ook hier moet de resultatenrekening zoals opgenomen in het microschema van de jaarrekening worden gebruikt (hierin wordt gebruik gemaakt van de term “brutomarge” en niet van “omzet”). Het is evident dat de oprichters een aantal rubrieken meer kunnen detailleren en dat de rubrieken die niet relevant zijn voor de op te richten vennootschap kunnen worden weggelaten. 

Er valt op te merken dat, net zoals bij de geprojecteerde balansen, een andere periodiciteit (dan twee periodes van elk twaalf maanden) kan worden gehanteerd, op voorwaarde dat de projecties in totaal betrekking hebben op een periode van minstens twee jaar na de oprichting12. Het spreekt voor zich dat de periodes moeten overeenkomen met de aangenomen periodes voor de geprojecteerde balansen.

Geprojecteerde begroting van inkomsten en uitgaven (5°)

Ook de begroting van verwachte inkomsten en uitgaven moet worden opgesteld voor een periode van minimaal twee jaar na de oprichting van de vennootschap. 

Deze begroting kan de vorm aannemen van een kasstromentabel. De kasstromen kunnen volgens de directe of de indirecte methode worden weergegeven. Volgens de directe methode worden de kasinkomsten en -uitgaven op de subrubrieken van de actiefrekeningen “Liquide middelen en Geldbeleggingen” weergegeven. Bij de indirecte methode vertrekt men van de resultatenrekening en wordt het nettoresultaat aangepast voor de niet-kaskosten - die per definitie niet worden uitgegeven in de periode - en voor bepaalde kasopbrengsten, kaskosten en belastingen die in vroegere of latere perioden (en dus niet in de periode zelf) zijn ontvangen of betaald.

Hoewel het wetboek geen bepaalde periodiciteit vermeldt voor het opmaken van de begroting, moet deze, net als de balans en de geprojecteerde resultatenrekening, betrekking hebben op een periode van minimaal twee jaar. Het ontbreken van een wettelijke bepaling hierrond moet de oprichters toelaten om deze periode onder te verdelen in kortere periodes, rekening houdend met de aard en regelmaat van de inkomsten en uitgaven en met de eventuele verschillen in kasmiddelen die startende ondernemingen ernstige problemen kunnen opleveren.13

Een kasstromentabel is immers in de eerste plaats bedoeld om informatie te geven in verband met de kasontvangsten en de kasuitgaven van de onderneming gedurende een bepaalde periode. Dit moet onder meer toelaten de mogelijkheden van de onderneming om kasmiddelen voort te brengen in te schatten en de onderneming te waarderen.14

Deze tabel moet toelaten gefundeerd te becijferen dat het aanvangsvermogen bij de oprichting toereikend is voor de normale uitoefening van de bedrijvigheid over ten minste twee jaar. Het koppelen van de bedrijvigheid aan de ene of andere deelperiode is hier niet essentieel.

Beschrijving van de aangenomen hypotheses bij de schatting van de verwachte omzet en de verwachte rentabiliteit (6°)

Op basis van een marktonderzoek en een gepaste prospectie kan een schatting van de omzet worden gemaakt. Bedoeling van de wetgever is dat de oprichters een realistische becijfering brengen van de omzet. Zo kunnen de verkopen en dienstprestaties per maand worden geraamd voor een periode van ten minste twee jaar. Het geraamde omzetcijfer moet een vertaling zijn van een te realiseren haalbaar activiteitsvolume tegen een realistische prijszetting. 

Het omzetcijfer moet op een zorgvuldige wijze worden berekend op basis van zowel de individuele prijs als de gekozen aantallen. Voor de prijs kan veelal de gangbare marktprijs als basis worden gebruikt en voor het aantal de becijferde afname in functie van de ligging, het al dan niet aanwezig zijn van grote concurrenten, enz. Bedoeling is dus dat de oprichters de redenering die de basis vormt voor de opgenomen omzet meegeven in het financieel plan.

Deze omzet is vervat in het bedrag van de “brutomarge” vermeld in de geprojecteerde resultatenrekening.

In de praktijk brengt het opstellen van een financieel plan een uitgebreide analyse met zich mee van de (vaste en variabele) kosten om een bepaalde rentabiliteit te bepalen. Hiervoor wordt rekening gehouden met de bijzonderheden van de onderneming, de organisatie ervan en eventuele prijsontwikkelingen tussen het ene boekjaar en het andere. Uit de analyse kan vervolgens een nettoverkoopmarge worden afgeleid (die dan kan vergeleken worden met die van bestaande ondernemingen).

De formule om de nettoverkoopmarge vóór belastingen te berekenen wordt als volgt gevormd: in de teller wordt het netto recurrent bedrijfsresultaat (na niet-kaskosten, dit wil zeggen na afschrijvingen, waardeverminderingen en voorzieningen) opgenomen en de noemer bestaat uit de verkopen15.

Fusie, splitsing en gelijkgestelde verrichtingen

Artikelen 12:36, § 1 en 12:74, § 1 WVV vermelden in geval van een fusie door oprichting van een nieuwe vennootschap en bij splitsing door oprichting van een nieuwe vennootschap: “[...] voor de oprichting van de nieuwe vennootschap alle voorwaarden [gelden] die dit wetboek voor de gekozen vennootschapsvorm voorschrijft. De artikelen 5:4, 6:5 en 7:3 [WVV] zijn niet van toepassing.” De bepalingen betreffende het financieel plan zijn dus niet van toepassing.

Van oprichtersaansprakelijkheid kan in dit geval geen sprake zijn nu de oprichters de vennootschappen zijn die worden ontbonden in het kader van de fusieverrichting16.

Veranderen van rechtsvorm

Het WVV vermeldt niets over het verplicht toepassen van bepalingen inzake het financieel plan bij een wijziging van de rechtsvorm.

Volgens de Commissie houdt de wijziging naar een andere rechtsvorm voor een vennootschap die werd opgericht volgens één van de rechtsvormen opgenomen in artikel 1:5, § 2 WVV, niet in dat zij verplicht een nieuw financieel plan moet opmaken. 

Europese (coöperatieve) vennootschappen

De Europese vennootschap wordt beheerst door verordening (EG) nr. 2157/2001. Voor de aangelegenheden die niet bij deze verordening zijn geregeld, zijn de bepalingen van boek 7 die gelden voor een NV (artikel 7:3 WVV inbegrepen) van toepassing17.

De Europese coöperatieve vennootschap wordt van haar kant beheerst door verordening (EG) nr. 1435/2003. Voor de aangelegenheden die niet bij deze verordening zijn geregeld, zijn de bepalingen van boek 6 die gelden voor een CV (artikel 6:5 WVV inbegrepen) van toepassing18.

De Commissie besluit hieruit dat de oprichters van een Europese (coöperatieve) vennootschap, vóór de oprichting van de vennootschap, aan de optredende notaris een financieel plan moeten overhandigen waarin zij het bedrag van het aanvangsvermogen van de op te richten vennootschap verantwoorden in het licht van de voorgenomen bedrijvigheid over een periode van ten minste twee jaar.

Oprichtersaansprakelijkheid

Niettegenstaande andersluidende bepalingen, zijn de oprichters jegens de belanghebbenden hoofdelijk aansprakelijk voor de verbintenissen van de vennootschap, naar een verhouding die de rechter vaststelt, in geval van faillissement uitgesproken binnen drie jaar na de verkrijging van de rechtspersoonlijkheid, indien het aanvangsvermogen bij de oprichting kennelijk ontoereikend was voor de normale uitoefening van de voorgenomen bedrijvigheid over ten minste twee jaar. In dit geval maakt de notaris, op verzoek van de rechter-commissaris of van de procureur des Konings, het in artikel 5:4, 6:5 en 7:3 WVV voorgeschreven financieel plan aan de rechtbank over19,20.

Model van het financieel plan

Twee vrienden richten op 1 augustus 2019 de vennootschap Green Garden op, gespecialiseerd in tuinaanleg- en onderhoud.

Samen brengen ze de som van 75.000,00 EUR in. Deze inbreng wordt betaald en volledig volstort bij de oprichting van de vennootschap.

Voor de oprichtingsformaliteiten werd een totale uitgave van 6.000,00 EUR voorzien, die zal worden geactiveerd als oprichtingskost en afgeschreven over een looptijd van 5 jaar.

De materiële vaste activa omvatten21:

  • de aankoop van een loods ter waarde van 100.000,00 EUR (waarde van het terrein: 52.000,00 EUR);
  • een investering van 24.000,00 EUR in Installaties, machines en uitrusting;
  • een investering van 15.000,00 EUR in Meubilair en rollend materieel.

De loods (48.000,00 EUR) zal lineair worden afgeschreven over een periode van 20 jaar.

De andere investeringen zullen lineair worden afgeschreven over een periode van 5 jaar.

Om de ontwikkeling van het bedrijf te financieren, sluiten de twee oprichters een investeringskrediet af van 65.000,00 EUR over 10 jaar (jaarlijkse terugbetaling van 6.500,00 euro vanaf het eerste oprichtingsjaar van de vennootschap). De rentelast bedraagt 825,00 EUR voor 2019, 1.585,00 EUR voor 2020 en 1.540,00 EUR voor 2021.

Beschrijving van de op te richten vennootschap
  1. Maatschappelijke benaming
    Green Garden
     
  2. Rechtsvorm
    Naamloze vennootschap
     
  3. Identiteit van de oprichter(s)
    Oprichter 1
    Naam:
    Voornaam:

    Oprichter 2
    Naam:
    Voornaam:
     
  4. Exploitatiezetel(s) van de op te starten vennootschap
    Kruidtuinlaan 1, 1000 Brussel
     
  5. Maatschappelijke zetel
    Kruidtuinlaan 1, 1000 Brussel
     
  6. Voorwerp
    Green Garden biedt diensten aan die verband houden met de tuinbouwsector en met de aanleg van buitenruimtes: vormgeven en onderhouden van groene zones; leggen van opritten en terrassen; plaatsen van afsluitingen, hekken en poorten; leveren van planten; grond- en afwateringswerken; leveren en plaatsen van grasmatten; totaalrealisatie gazon; leveren van compost.
     
  7. Geplaatst en volstort kapitaal
    75.000,00 EUR in geld
     
  8. Eerste boekjaar
    Van 1 augustus 2019 tot 31 december 2020
     
  9. Volgende boekjaren
    Telkens van 1 januari tot 31 december.
     
  10. Aandeelhouders
    De heer X: bezit 50 aandelen of 50%
    De heer Y: bezit 50 aandelen of 50%
     
  11. Bestuurders
    De heren X en Y
     
  12. In voorkomend geval de naam van de externe deskundige die bijstand heeft verleend bij de opmaak van het financieel plan
    Benaming rechtspersoon (indien van toepassing):
    Naam:
    Voornaam:

 

Beschrijving van de voorgenomen bedrijvigheid

Green Garden biedt diensten aan die verband houden met de tuinbouwsector en met de aanleg van buitenruimtes: vormgeven en onderhouden van groene zones; leggen van opritten en terrassen; plaatsen van afsluitingen, hekken en poorten; leveren van planten; grond- en afwateringswerken; leveren en plaatsen van grasmatten; totaalrealisatie gazon; leveren van compost. De vennootschap zal dus zowel de planten en andere benodigdheden leveren als de bijhorende diensten verlenen om deze te verwerken en te onderhouden.

 

Financieringsbronnen van de vennootschap (en vermelding van de verstrekte zekerheden)

Naast het volstort kapitaal in contanten van 75.000,00 EUR, sluiten de twee oprichters om de ontwikkeling van het bedrijf te financieren bij oprichting een investeringskrediet af van 65.000,00 EUR over 10 jaar (jaarlijkse terugbetaling van 6.500,00 euro vanaf het eerste oprichtingsjaar van de vennootschap).

De rentelast bedraagt 825,00 EUR voor 2019, 1.585,00 EUR voor 2020 en 1.540,00 EUR voor 2021.

Voor deze financieringsbronnen zal de betrokken financiële instelling een pand op het handelsfonds nemen van 25.000,00 EUR.

 

Openingsbalans en geprojecteerde balansen

Behalve de openingsbalans op oprichtingsdatum worden de geprojecteerde balansen opgesteld op op 31 december 2020 en op 31 december 2021.

In dit voorbeeld heeft het eerste boekjaar bijgevolg een uitzonderlijke duur van 17 maanden.

Actief 31 dec 2021 in EUR 31 dec 2020 in EUR Oprichting in EUR
I. Oprichtingskosten 3.100,00 4.300,00  
       

Vaste activa

114.350,00

124.550,00

 

II.    Immateriële vaste activa

     

III.     Materiële vaste activa

114.350,00

124.550,00

 

         A.     Terreinen en gebouwen

94.200,00

96.600,00

 

         B.     Installaties, machines en uitrusting

12.400,00

17.200,00

 

         C.     Meubilair en rollend materieel

7.750,00

10.750,00

 

         D.     Leasing en soortgelijke rechten

     

         E.     Overige materiële vaste activa

     

         F.     Activa in aanbouw en vooruitbetalingen

     
IV.    Financiële vaste activa      
       

Vlottende activa

55.250,00

27.902,00

75.000,00

V.     Vorderingen op meer dan een jaar

     

        A.     Handelsvorderingen

     

        B.     Overige vorderingen

     

VI.   Voorraden en bestellingen in uitvoering

3.500,00

2.000,00

 

        A.     Voorraden

3.500,00

2.000,00

 

        B.     Bestellingen in uitvoering

     

VII.  Vorderingen op ten hoogste één jaar

8.500,00

4.000,00

 

        A.     Handelsvorderingen

8.500,00

4.000,00

 

        B.     Overige vorderingen

     

VIII. Geldbeleggingen

     

IX.   Liquide middelen

43.250,00

21.902,00

75.000,00

X.    Overlopende rekeningen      
       
Totaal der activa 172.700,00 156.752,00 75.000,00

 

Passief 31 dec 2021 in EUR 31 dec 2020 in EUR Oprichting in EUR

Eigen vermogen

103.875,00

82.080,00

 

I.      Inbreng

75.000,00

75.000,00

75.000,00

        A.    Kapitaal

75.000,00

75.000,00

75.000,00

                1.     Geplaatst kapitaal

75.000,00

75.000,00

75.000,00

                2.    Niet-opgevraagd kapitaal

     

        B.    Buiten kapitaal

     

                1.     Uitgiftepremies

     

                2.    Overige

     

II.    Herwaarderingsmeerwaarden

     

III.    Reserves

6.150,00

3.000,00

 

        A.    Onbeschikbare reserves

     

                1.     Wettelijke reserve

6.150,00

3.000,00

 
                2.    Onbeschikbare reserves      

                3.    Inkoop eigen aandelen

     

                4.    Financiële ondersteuning

     

        B.    Belastingvrije reserves

     

        C.    Beschikbare reserves of overgedragen verlies

     

IV.   Overgedragen winst of overgedragen verlies

24.650,00

4.552,00

 

V.    Kapitaalsubsidies

     

VI.   Voorschot aan de vennoten op de verdeling van het netto-actief (-)

     
       

Voorzieningen en uitgestelde belastingen

0,00 0,00  

VII. A.    Voorzieningen voor risico's en kosten

     

              1.     Pensioenen en soortgelijke verplichtingen

     

              2.    Fiscale lasten

     

              3.    Grote herstellings- en onderhoudswerken

     

              4.    Milieuverplichtingen

     

              5.    Overige risico's en kosten

     

       B.   Uitgestelde belastingen

     
       

Schulden

66.900,00

74.200,00

 

VIII. Schulden op meer dan één jaar

52.000,00

58.500,00

 

        A.    Financiële schulden

52.000,00

58.500,00

 

                1.   Kredietinstellingen, leasingschulden en soortgelijke schulden

52.000,00

58.500,00

 

                2.  Overige leningen

     

        B.    Handelsschulden

     

        C.    Vooruitbetalingen op bestellingen

     

        D.    Overige schulden

     

IX.   Schulden op ten hoogste één jaar

14.900,00

15.700,00

 

        A.   Schulden op meer dan een jaar die binnen het jaar  vervallen

6.500,00

6.500,00

 

        B.    Financiële schulden

     

                1.    Kredietinstellingen

     

                2.   Overige leningen

     

        C.    Handelsschulden

4.600,00

3.000,00

 

                1.    Leveranciers

4.600,00

3.000,00

 

                2.   Te betalen wissels

     
        D.   Ontvangen vooruitbetalingen op bestellingen      

        E.   Schulden met betrekking tot belastingen, bezoldigingen en sociale lasten

3.800,00

6.200,00

 

              1.     Belastingen

1.350,00

3.800,00

 

              2.    Bezoldigingen en sociale lasten

2.450,00

2.400,00

 

        F.   Overige schulden

     
X.     Overlopende rekeningen      
       
Totaal der passiva 172.700,00 156.752,00 75.000,00

 

Geprojecteerde resultatenrekeningen

De geprojecteerde resultatenrekeningen betreffen de resultatenrekening op 31 december 2020 en 31 december 2021.

Het schema dat moet worden gehanteerd is dat van artikel 3:3 WVV, namelijk de resultatenrekening zoals opgenomen in het microschema van de jaarrekening. In dit schema wordt verwezen naar het begrip “Brutomarge” en niet naar “Omzet”, zoals vermeld in punt 6 van de inhoud van het financieel plan. Het bedrag van de brutomarge werd geraamd met inachtneming van de informatie opgenomen onder de beschrijving van de aangenomen hypotheses bij de schatting van de omzet en de rentabiliteit.

  31 dec 2021 in EUR 31 dec 2020 in EUR

I. A.B.   Brutomarge

42.000,00

28.000,00

Waarvan niet-recurrente bedrijfsopbrengsten

   

        C.   Bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen

   

        D.   Afschrijvingen en waardeverminderingen op oprichtingskosten, op immateriële en materiële vaste activa

11.400,00

16.150,00

        E.   Waardeverminderingen op voorraden, op bestellingen in uitvoering en op handelsvorderingen: toevoegingen (terugnemingen)

   

        F.   Voorzieningen voor risico's en kosten: toevoegingen (bestedingen en terugnemingen)

   

        G.  Andere bedrijfskosten

   

        H.  Als herstructureringskosten geactiveerde bedrijfskosten (–)

   

        I.    Niet-recurrente bedrijfskosten

   

II.     Bedrijfswinst (Bedrijfsverlies)

30.600,00

11.850,00

III.    Financiële opbrengsten

   

        A.    Kapitaal- en interestsubsidies

   

        B.    Andere financiële opbrengsten

   

IV.   Financiële kosten

1.540,00

2.410,00

V.    Winst (Verlies) van het boekjaar voor belasting

29.060,00

9.440,00

VI.   A.    Onttrekking aan de uitgestelde belastingen

   

       B.    Overboeking naar de uitgestelde belastingen

   

VII.  Belastingen op het resultaat

5.812,00

1.888,00

VIII. Winst (Verlies) van het boekjaar

23.248,00

7.552,00

IX.   A.    Onttrekking aan de belastingvrije reserves

   

       B.    Overboeking naar de belastingvrije reserves

   
X.    Te bestemmen winst (verlies) van het boekjaar 23.248,00 7.552,00
     

Resultaatverwerking

   

        A.    Te bestemmen winst (verlies)

27.800,00

 

                1.    Te bestemmen winst (verlies) van het boekjaar

23.248,00

 

                2.    Overgedragen winst (verlies) van het vorige boekjaar

4.552,00

 

        B.    Onttrekking aan het eigen vermogen

   

        C.    Toevoeging aan het eigen vermogen

3.150,00

3.000,00

                1.     Aan de inbreng    

                2.    Aan de wettelijke reserve

3.150,00

3.000,00

                3.    Aan de overige reserves

   

        D.    Over te dragen resultaat

24.650,00

4.552,00

                1.    Over te dragen winst

24.650,00

4.552,00

                2.   Over te dragen verlies

   

        E.    Tussenkomst van de vennoten in het verlies

   

        F.    Uit te keren winst

   
                1.     Vergoeding van de inbreng    

                2.    Bestuurders of zaakvoerders

   

                3.    Werknemers

   
                4.    Andere rechthebbenden    

 

Begroting van de verwachte inkomsten en uitgaven

De oprichters geven hierna een kasstromentabel voor dezelfde periodiciteit als deze gebruikt voor de balans en resultatenrekening. Zij stellen vast dat de vennootschap binnen de beschouwde periode geen tekort aan kasmiddelen zal hebben om aan haar verplichtingen te kunnen voldoen.

Kasstromentabel 31 dec 2021 in EUR 31 dec 2020 in EUR
  Uitgaven Inkomsten Uitgaven Inkomsten
Cash flow        
Winst (Verlies) van het boekjaar   23.248,00   7.552,00
Niet-kaskosten – Niet-kasopbrengsten   11.400,00   16.150,00
Uit te keren winst 0,00   0,00  
Cash flow van het eigen vermogen na belastingen en na winstuitkering   34.648,00   23.702,00
         
Activa        

I.      Oprichtingskosten

   

6.000,00

 

II.     Immateriële vaste activa

       

III.    Materiële vaste activa

   

139.000,00

 

IV.    Financiële vaste activa

       

V.     Vorderingen op meer dan een jaar

       
(Uitgebreide) Vaste activa     145.000,00  

VI.   Voorraden en bestellingen in uitvoering

1.500,00

 

2.000,00

 

VII.  Vorderingen op ten hoogste één jaar

4.500,00

 

4.000,00

 

X.     Overlopende rekeningen

       
(Beperkte) Vlottende activa 6.000,00   6.000,00  
         
Passiva      

75.000,00

I.     Inbreng        

II.    Herwaarderingsmeerwaarden

       
III.   Reserves        

IV.   Overgedragen winst (verlies)

       
V.    Kapitaalsubsidies        

VI.   Voorschot aan de vennoten op de verdeling van het netto-actief (-)

       
Eigen vermogen       75.000,00

VII.  Voorzieningen en uitgestelde belastingen

       

VIII. Schulden op meer dan één jaar

6.500,00

   

58.500,00

Vreemd vermogen op lange termijn 6.500,00     58.500,00

IX.   Schulden op ten hoogste één jaar

800,00

   

15.700,00

X.     Overlopende rekeningen

       
Vreemd vermogen op korte termijn 800,00     15.700,00
         
Totaal exclusief Liquide middelen en Geldbeleggingen 13.300,00 34.648,00 151.000,00 172.902,00
Saldo Liquide middelen en Geldbeleggingen 21.348,00   21.902,00  
         
Totaal 34.648,00 34.648,00 172.902,00 172.902,00

 

Beschrijving van de aangenomen hypotheses bij de schatting van de omzet en de rentabiliteit

De twee oprichters werken allebei en het aantal werkuren wordt gelijk onder hen verdeeld. De tuinaanleg (verkoop van planten, meststoffen, enz.) is goed voor 30 % van de activiteiten en het onderhoud voor 70 % van de bedrijfsactiviteit.

Op basis van geschatte verkopen enerzijds en het geraamde aantal factureerbare werkuren anderzijds, kan de omzet van het eerste boekjaar (van 17 maanden) geraamd worden op 46.200 EUR en van het tweede boekjaar op 69.300 EUR. Rekening houdende met de aankoopkosten, de voorraadmutatie en de kosten van diverse goederen en diensten wordt de brutomarge respectievelijk geschat op 28.000 EUR aan het einde van het eerste boekjaar en op 42.000 EUR aan het einde van het tweede boekjaar.

 

Handtekeningen

 

 

  • 1. Deze nota is tot stand gekomen nadat een ontwerpadvies op 15 januari 2020 ter publieke consultatie werd gepubliceerd op de website van de CBN.
  • 2. Het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen, artikel 5:4, § 2 (voor besloten vennootschappen), artikel 6:5, § 2 (voor coöperatieve vennootschappen) en artikel 7:3, § 2 (voor naamloze vennootschappen).
  • 3. Oud artikel 215 W. Venn.
  • 4. Oud artikel 391 W. Venn.
  • 5. Oud artikel 440 W. Venn. en bij uitbreiding de commanditaire vennootschap op aandelen.
  • 6. C. Brocal & A. Ernt, Le plan financier dans le cadre de la SPRL-S, Cah. Jur., 4/2010, 95.
  • 7. Voorbereidende werken, Kamer, 5e zitting van de 54e zittingsperiode, 2017-2018, Doc 54 3119/001, 128-129 en 197-198.
  • 8. Artikelen 5:16, 2°; 6:17, 2° en 7:18, 2° WVV.
  • 9. Voorbereidende werken, Kamer, 5e zitting van de 54e zittingsperiode, 2017-2018, Doc 54 3119/001, p.128-129 et 197-198.
  • 10. Artikelen 5:4, § 2; 6:5, § 2 en 7:3, § 2 WVV.
  • 11. Artikel 5:4, § 3 (BV; artikel 6:5, § 3 (CV); artikel 7:3, § 3 (NV) WVV.
  • 12. Artikel 5:4, § 3 (BV); artikel 6:5, § 3 (CV); artikel 7:3, § 3 (NV) WVV.
  • 13. In bepaalde gevallen kan er echter worden verwacht dat de periodiciteit van de begroting van inkomsten en uitgaven overeenstemt met die van de balansen en resultatenrekeningen, aangezien de begroting op de balansen en resultatenrekeningen is gebaseerd.
  • 14. OOGHE, H., VANDER BAUWHEDE, H., VAN WYMEERSCH, C., Financiële analyse van de onderneming, Deel 1, Intersentia, 2017, p. 86.
  • 15. OOGHE, H., VANDER BAUWHEDE, H., VAN WYMEERSCH, C., Financiële analyse van de onderneming, Deel 1, Intersentia, 2017, op. cit. P. 146-147.
  • 16. Voorbereidende werken, Kamer, 5e zitting van de 54e zittingsperiode, 2017-2018, Doc 54 3119/001, p. 305.
  • 17. Artikel 15:2 WVV.
  • 18. Artikel 16:2 WVV.
  • 19. Artikel 5:16, 2°; 7:18 WVV.
  • 20. Krachtens artikelen 7:13 (NV), 6:12 (CV) en 5:11 (BV) kan (kunnen) de ondertekenaar(s) van de oprichtingsakte die (samen) 1/3 van het kapitaal geplaatst heeft (hebben), juridisch erkend worden als enige oprichter(s) van de vennootschap. Bijgevolg is (zijn) deze als enige aansprakelijk voor het financieel plan.
  • 21. Eenvoudigheidshalve wordt in het voorbeeld geen rekening gehouden met de btw. In die gevallen waarbij de btw in de praktijk echter een belangrijk element vormt dat mogelijks een grote invloed kan hebben op de vermogensstromen van een startende onderneming, lijkt het de Commissie raadzaam om met de btw rekening te houden.