COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 110/2 - Stukken die tegelijk met de jaarrekening dienen neergelegd te worden (artikel 80 W. Venn.)

 

Het nieuw artikel 80 van de gecoördineerde wetten op de handelsvennootschappen, ingelast door de wet van 24 maart 1978, bepaalt in het sexto van het tweede lid dat tegelijk met de jaarrekening een stuk wordt neergelegd met de volgende gegevens tenzij, die reeds afzonderlijk in de jaarrekening worden vermeld:

  1.  ... 
  2.  Het bedrag, op dezelfde datum, (bij jaarafsluiting) van de opeisbare schulden, ongeacht of uitstel van betaling is verkregen, jegens fiscale besturen en jegens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid; 

In verband met deze bepaling is de vraag gerezen of zij een andere, ruimere draagwijdte heeft dan punt 15 van de toelichting bij de balans en de resultatenrekening waarin het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 voorziet. 

Dit koninklijk besluit verplicht de ondernemingen die eraan onderworpen zijn in de toelichting te vermelden, het bedrag van de schulden waarvan de datum van opeisbaarheid vervallen is - dus niet alle opeisbare schulden, maar slechts de achterstallige - ongeacht of uitstel van betaling werd bekomen, tegenover fiscale besturen en tegenover de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. 

Uit een tweetal passages uit de voorbereidende werken van de wet van 24 maart 1978 moet de duidelijke wil van de wetgever afgeleid worden om aan littera b) van het sexto van artikel 80 dezelfde draagwijdte en betekenis toe te kennen als aan voornoemde bepaling van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976.

Na eraan herinnerd te hebben dat het stuk bedoeld in het tweede lid, sexto slechts neergelegd moet worden indien de drie rubrieken die erin voorkomen nog niet afzonderlijk in de rekeningen werden opgenomen, voegt het verslag van de Senaatscommissie voor Justitie1 daaraan toe dat de ondernemingen onderworpen aan het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen reeds verplicht zijn de in artikel 80, lid 2, 6° bedoelde gegevens te vermelden, zodat deze bepaling wat die ondernemingen betreft overbodig is en dus betrekking heeft op ondernemingen die buiten het toepassingsveld van hogergenoemd koninklijk besluit vallen.

Daarenboven preciseert hetzelfde document (p. 26) dat littera b) slaat op het bedrag van de opeisbare schulden «waarvan de vervaldag verstreken is», ongeacht of uitstel van betaling is bekomen, jegens fiscale besturen en jegens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid. 

Uit wat voorafgaat, moet onder meer afgeleid worden dat voor ondernemingen waarvan de afsluiting van het boekjaar samenvalt met het einde van het kwartaal, de voor dat kwartaal verschuldigde RSZ- bijdragen niet moeten worden vermeld, daar deze uiterlijk op de laatste dag van de maand volgend op het kwartaal moeten worden betaald. 

In dit geval kunnen deze schulden niet als achterstallig beschouwd worden daar hun datum van opeisbaarheid bij het afsluiten van het boekjaar niet verstreken is. 

Eenzelfde redenering dient gevolgd te worden voor wat betreft de betaling van de bedrijfsvoorheffing die de ondernemingen afhouden ten laste van hun werknemers. Men moet nagaan, gelet op de termijn bedoeld in artikel 303, lid 2 van het wetboek der inkomstenbelastingen, of de fiscale schuld als achterstallig moet worden beschouwd. Zoniet bestaat er geen aanleiding om ze als dusdanig te vermelden. Het spreekt nochtans vanzelf dat deze schulden op het passief moeten voorkomen onder de geschikte rubriek. 

 

Het gewijzigde artikel 198 bepaalt dat de artikelen betreffende de openbaarmaking van de akten en van de jaarrekening alsook artikel 81 toepasselijk zijn op de vreemde vennootschappen die een filialen of welk ander kantoor in België stichten. 

Artikel 198 betreft de openbaarmaking van de jaarrekening van de vreemde vennootschap als dusdanig en niet de jaarrekening die haar eventuele succursalen en bedrijfszetels in België, krachtens artikel 1, 2de lid en artikel 7 van de wet van 17 juli 1975, moeten opstellen2

Sinds de inwerkingtreding van de wet van 24 maart 1978 heeft artikel 198 voor gevolg dat het nieuw artikel 80 op de jaarrekening van de vreemde vennootschap toepasselijk wordt. 

Wat de tweede alinea van dit artikel betreft, is de vraag gerezen of de wetgever de vreemde vennootschap ook de neerlegging van de inlichtingen bedoeld in het sexto heeft willen opleggen? 
Deze inlichtingen slaan op :

  1.  het bedrag bij de jaarafsluiting van de schulden gewaarborgd door de Belgische overheid;
  2. het bedrag bij de jaarafsluiting van de opeisbare schulden3 jegens fiscale besturen en jegens de Rijksdienst voor Sociale Zekerheid;
  3. het bedrag over het afgesloten boekjaar van de kapitaal- of interestsubsidies uitbetaald of toegekend door openbare besturen of instellingen.

Naar het oordeel van de Commissie wijst niets erop dat toen het Parlement, op eigen initiatief, bij artikel 80 het voornoemde sexto inlaste, het de bedoeling had de vermeldingen die deze bepaling voorschrijft enkel op te leggen aan vennootschappen naar Belgisch recht. 

Alles pleit er integendeel voor, zowel in rechte als in feite, dat de vreemde vennootschappen met een bedrijfszetel in België en die uit dien hoofde van de waarborg der overheid kunnen genieten (littera a), schulden kunnen hebben zoals bedoeld in littera b) en kapitaal- of interestsubsidies kunnen bekomen zoals bedoeld in littera c), deze inlichtingen zouden publiceren op dezelfde wijze als de vennootschappen naar Belgisch recht. Vanuit het oogpunt van de buitenlandse balans is de toepassing van deze bepaling niet van aard om moeilijkheden te veroorzaken, rekening houdend met het feit dat hoewel het document tegelijk met de jaarrekening dient verspreid te worden, het niettemin een apart stuk vormt.

 

  • 1. Cfr. P.B. Senaat B.Z. 1977, 131, nr. 2, Verslag Cooreman, p. 25.
  • 2. Zie advies Commissie voor Boekhoudkundige Normen in Bull. CNC nr. 1, p. 7.
  • 3. Supra I.