COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2011/5 - Consolidatiekring: interpretatie van de uitsluitingsgrond van 
artikel 107, 4° KB W.Venn.

Advies van 25 februari 2011

Inleiding

Artikel 107, 4° van het koninklijk besluit ter uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen (hierna KB W.Venn.) bepaalt dat een dochter buiten de consolidatie mag worden gelaten indien haar aandelen uitsluitend met het oog op latere vervreemding worden gehouden. 

Aan de Commissie werd gevraagd de draagwijdte van deze uitsluitingsgrond voor niet beurs-genoteerde Belgische vennootschappen te verduidelijken. 

Consolidatieplicht en bepaling van de consolidatiekring

Artikel 110 van het Wetboek van Vennootschappen schrijft voor dat elke moedervennootschap een geconsolideerde jaarrekening en een jaarverslag over de geconsolideerde jaarrekening moet opstellen indien zij, alleen of gezamenlijk, één of meer dochterondernemingen controleert. 

Als criterium wordt het controlebegrip uit het Wetboek van Vennootschappen gehanteerd.1 Artikel 5 van het Wetboek van Vennootschappen bepaalt dat een vennootschap een andere vennootschap controleert wanneer zij een beslissende invloed kan uitoefenen op de aanstelling van de meerderheid van de bestuurders of zaakvoerders van laatstgenoemde onderneming of op de oriëntatie van haar beleid. Deze controle kan zowel in rechte als in feite bestaan en kan exclusief of samen met een of meerdere niet verbonden ondernemingen worden uitgeoefend. 

Artikel 107, 4° KB W.Venn. laat evenwel toe dat een dochteronderneming buiten de consolidatie wordt gelaten indien haar aandelen uitsluitend met het oog op latere vervreemding worden gehouden. Specifiek met betrekking tot deze uitzondering, bepaalt het Verslag aan de Koning bij het koninklijk besluit van 6 maart 1990 op de geconsolideerde jaarrekening van de ondernemingen2 uitdrukkelijk dat zij slechts strikt kan geïnterpreteerd worden. De uitzonderingsgevallen mogen namelijk niet worden ingeroepen om het beeld van het groepsgeheel te beïnvloeden dat de geconsolideerde jaarrekening oplevert. 

Interpretatie van de uitsluitingsgrond

De Commissie herinnert er vooreerst aan dat uit artikel 95, § 1, VIII.B. KB W.Venn. kan worden besloten dat aandelen in verbonden ondernemingen of in ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat, en die zijn verkregen of waarop is ingeschreven met het oog op de wederafstand ervan, of die krachtens een beslissing van de vennootschap bestemd zijn om binnen twaalf maanden te worden gerealiseerd, wel mogen, maar daarom niet moeten worden opgenomen onder de rubriek geldbeleggingen.3

Als gevolg van de strikte interpretatie van de uitsluitingsgrond, is de Commissie van mening dat slechts onder bepaalde voorwaarden de opname van een dochteronderneming onder de financiële vaste activa gepaard kan gaan met de toepassing van artikel 107, 4° KB W.Venn. 

Aandelen waarop is ingeschreven met het oog op wederafstand ervan

Met betrekking tot de aandelen waarop is ingeschreven met het oog op de wederafstand ervan, is de Commissie van mening dat deze participaties slechts buiten de consolidatie mogen worden gelaten, wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan. 

  1. Vooreerst moet het een participatie betreffen die uitsluitend is verworven en wordt aangehouden met het oog op vervreemding. Dit impliceert dat de beslissing of verplichting tot vervreemding reeds vaststaat bij het verwerven van de participatie, en dat het bevoegde orgaan een operationeel plan heeft opgestart om een koper te vinden.
  2. Bovendien moet de vervreemding van de aandelen plaatsvinden binnen de twaalf maanden na verwerving. Volgens de Commissie houdt deze voorwaarde in dat de verwerving van de aandelen en de daarmee gepaard gaande beslissing tot vervreemding, resulteert in een koop-verkoopovereenkomst met effectieve uitwerking binnen de twaalf maanden. Indien de vervreemding niet is gebeurd binnen de twaalf maanden na verwerving, moet de participatie opgenomen worden in de consolidatie.
  3. Ten slotte wenst de Commissie te benadrukken dat de onderneming het gebruik van artikel 107, 4° KB W.Venn. dient te motiveren in de toelichting.4

Aandelen die krachtens een beslissing van de vennootschap bestemd zijn om binnen het jaar te worden vervreemd

Ingeval het bestuursorgaan van de vennootschap daarentegen beslist om een participatie te verkopen die zij jarenlang duurzaam heeft aangehouden, moet deze participatie geconsolideerd worden tot op de datum van verkoop. In dit geval kan geen beroep gedaan worden op de uitsluitingsgrond van artikel 107, 4° KB W.Venn.

Volgens de Commissie moet voor participaties die niet aan de hierboven opgesomde voorwaarden voldoen, de datum van deconsolidatie immers op dezelfde wijze worden vastgesteld als de datum van hun opname in de consolidatie. Hiervoor moet, volgens de terzake geldende regel, worden uitgegaan van de datum waarop de effecten van de dochteronderneming (en derhalve de controle) zijn verworven of van een nabijzijnde datum. Zolang de controle wordt uitgeoefend, en dus tot de datum van overdracht van de aandelen of een nabijzijnde datum, moet geconsolideerd worden.5
 

  • 1. Zie artikel 5 e.v. W.Venn.
  • 2. BS 27 maart 1990.
  • 3. Doet de vennootschap dit wel, dan zal het bezit van deze aandelen geen vermoeden van controle doen rijzen en zullen de ondernemingen waarin deze deelnemingen tijdelijk worden aangehouden vermoedelijk geen deel uitmaken van de consolidatiekring.
  • 4. Artikel 107, lid 2 KB W.Venn.
  • 5. Voor beursgenoteerde vennootschappen die hun geconsolideerde rekeningen volgens Belgisch recht opstellen wordt door de CBFA hetzelfde standpunt ingenomen: zie Jaarverslag Commissie voor het Bank- en Financiewezen, 1996-1997, 107.