COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2009/14 - Boekhoudkundige verwerking van groenestroom- en warmtekrachtcertificaten

Advies van 16 december 2009

Inleiding

Aan de Commissie werd om advies gevraagd omtrent de boekhoudkundige behandeling van groenestroom- en warmtekrachtcertificaten. Vooraleer te kunnen overgaan tot de boekhoudkundige analyse, is een studie van het wettelijk kader en het systeem van groenestroom- en warmtekrachtcertificaten noodzakelijk.

EUROPESE WETGEVING

In het kader van de Kyoto-doelstellingen is de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen1 een van de prioritaire maatregelen. Het Europees Parlement en de Raad heeft via de Richtlijn 2001/77/EG2 betreffende de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen op de interne elektriciteitsmarkt en de Richtlijn 2004/8/EG3 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt, getracht de productie van groene elektriciteit te stimuleren.

Bovendien dienden, in navolging van de Richtlijn 2003/54/EG4, de Europese landen hun elektriciteitsmarkt vrij te maken tegen uiterlijk 1 juli 20075. Alle lidstaten kregen de mogelijkheid een eigen liberaliseringkalender op te stellen.

BELGISCHE WETGEVING

In België zijn de bevoegdheden betreffende de elektriciteitsmarkt verdeeld tussen de federale overheid en de gewesten. De federale overheid is bevoegd voor de tarieven van elektriciteit, het hoogspanningsnet (d.i. het transmissienet) met een spanning van meer dan 70kV (kilovolt), de productie van elektriciteit en kernenergie alsook voor alles wat zich in de Noordzee binnen de Belgische Exclusieve Economische Zone6 afspeelt.

De gewesten zijn bevoegd voor de distributie van elektriciteit via netten met een spanning van 70kV of minder, hernieuwbare energie, warmtekrachtkoppeling en rationeel energiegebruik.

De vrijmaking van de energiemarkt verliep in Vlaanderen, Brussel en Wallonië niet gelijktijdig. De daarmee gepaard gaande wetgeving ter bevordering van het gebruik van hernieuwbare energiebronnen ligt aan de basis van de invoering van het systeem van groenestroom- en warmtekrachtcertificaten.

Om de werking van de elektriciteitsmarkt eerlijk en efficiënt te laten verlopen, werden “reguleringsinstanties” of “regulatoren” opgericht. Er is een regulator voor elk bevoegdheidsdomein: één regulator voor het federale niveau, de CREG7, en drie regulatoren voor de gewesten: de VREG voor het Vlaamse Gewest, CWaPE voor het Waalse Gewest en BRUGEL voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest8. De gewestlijke regulatoren zien onder andere toe op de werking van de elektriciteitsmarkt voor wat de aansluitingen op het distributienet betreft, staan in voor de uitreiking van leveringsvergunningen, de erkenning van nieuwe decentrale productie-installaties9, het beheer van het systeem van groenestroom- en warmtekrachtcertificaten en voor het stimuleren van het rationeel energiegebruik (REG).

Zowel op federaal10 als op gewestelijk vlak is in een systeem van groenstroomcertificaten voorzien.

Het Vlaams Gewest

Vrijmaking van de elektriciteitsmarkt

Vóór de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt hadden elektriciteitsafnemers geen keuze bij het bepalen van de elektriciteitsleverancier. Gezinnen en bedrijven konden enkel aansluiten bij de elektriciteitsintercommunale van hun gemeente. Die intercommunale stond in voor de zogenaamde distributie van elektriciteit: ze zorgde zowel voor de verkoop van elektriciteit als voor de infrastructuur (het aanleggen van leidingen, het onderhouden ervan en het aansluiten op het net van nieuwe afnemers).

In Vlaanderen wordt de toegang tot het distributienet11 geregeld in Hoofdstuk III van het Elektriciteitsdecreet12. Conform art. 2 van het besluit van de Vlaamse regering houdende nadere regeling van de voorwaarden om als afnemer in de zin van art. 12 van het Elektriciteitsdecreet in aanmerking te komen13, kan iedereen sinds 1 juli 200314 vrij zijn energieleverancier15 kiezen. Dit betekent dat vanaf 1 juli 2003 alle afnemers in aanmerking komen om toegang te krijgen tot het distributienet, onderhouden door de netbeheerder16. Afnemers kunnen zowel eindafnemers, leveranciers17 of tussenpersonen18 zijn19. De in aanmerking komende afnemers hebben het recht om contracten af te sluiten voor de levering van elektriciteit met een producent20, leverancier of tussenpersoon van hun keuze.

Het is de taak van de VREG21 om voor elk distributienet een netbeheerder aan te wijzen. Is het distributienet in kwestie geheel of gedeeltelijk eigendom van een gemeente of van een groep van gemeenten, dan gebeurt die aanwijziging op voorstel van deze gemeente of groep van gemeenten. De netbeheerders worden aangewezen voor een periode van 12 jaar. De netbeheerder is de maatschappij die instaat voor de uitbating, het onderhoud, de uitbreiding en de verbetering van het distributienet (d.w.z. het lokale elektriciteitsnet22). In bijna alle gevallen zijn dit de oude intercommunales die vóór de vrijmaking van de energiemarkt de elektriciteit leverden23.

Na de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt werd de distributie van elektriciteit in het Vlaams Gewest opgesplitst in twee activiteiten:

  • De verkoop van elektriciteit: de levering van energie. Dit gebeurt door de energieleveranciers, die met elkaar concurreren. Vooraleer de leveranciers elektriciteit kunnen leveren in Vlaanderen moeten ze een leveringsvergunning krijgen van de VREG. Die vergunning wordt enkel toegekend indien ze kunnen bewijzen dat ze technisch voldoende georganiseerd zijn en financieel voldoende draagkrachtig zijn om elektriciteit te verhandelen24. Deze vergunning kan ook weer worden ingetrokken indien de leverancier zich niet aan de reglementen houdt of de energiewetgeving overtreedt.
  • Het distrubutienetbeheer: het uitbaten, onderhouden en ontwikkelen van het distributienet blijft in de vrijgemaakte elektriciteitsmarkt in handen van de distributienetbeheerders. Dit zijn de elektriciteitsintercommunales. Het beheer van het distributienet blijft een monopolieactiviteit omdat het bestaande net zo efficiënt mogelijk moet worden gebruikt. Op deze manier wordt ook vermeden dat verschillende elektriciteitsnetten naast elkaar zouden worden aangelegd.

Het systeem van groenestroomcertificaten

a)    Toekenning van groenestroomcertificaten

Het beleid ter bevordering van hernieuwbare energie en rationeel energiegebruik hebben de alternatieve energieopwekking aantrekkelijker gemaakt. Een van de belangrijkste beleidsondersteunende maatregelen ter bevordering van de milieuvriendelijke elektriciteitsopwekking werd door de artikelen 21 e.v. van het Elektriciteitsdecreet ingevoerd: het systeem van groenestroomcertificaten.

Met ‘groene stroom’ wordt elektriciteit bedoeld, opgewekt door gebruik te maken van hernieuwbare energiebronnen25. Dit zijn alle andere energiebronnen dan de fossiele brandstoffen of kernsplijting die op een duurzame wijze ingezet kunnen worden, zoals bijvoorbeeld zonne-energie (via zonnepanelen), windenergie (via windturbines), waterkracht, getijdenenergie en golfslagenergie, aardwarmte, biogas, stortgas en rioolwaterzuiveringsgas, biomassa (bv. vergisting van groente-, fruit- en tuinafval, vergisting van mest of slib of verbranding van houtafval). Ook elektriciteit opgewekt met deze hernieuwbare energiebronnen in hybride installaties die ook met conventionele energiebronnen werken, wordt beschouwd als zijnde groene stroom, met inbegrip van hernieuwbare elektriciteit voor accumulatiesystemen en met uitzondering van elektriciteit die afkomstig is van dergelijke systemen26.

Een groenestroomcertificaat is een overdraagbaar immaterieel goed dat aantoont dat een producent in een daarin aangegeven jaar een daarin aangegeven hoeveelheid groene stroom, uitgedrukt in kWh (kilowattuur), heeft opgewekt27.

Voor de groene stroom waarvan de producent (de certificaatgerechtigde) aantoont dat deze in het Vlaamse Gewest is geproduceerd, verleent de VREG, op aanvraag van de producent28, kosteloos een groenestroomcertificaat per schijf van 1.000 kWh29. De VREG registreert de gegevens van de toegekende groenestroomcertificaten in een centrale databank30. De certificaten worden maandelijks toegekend. Het resterende aantal kWh wordt overgedragen naar de volgende maand. Voor installaties die per jaar meer dan  10.000 kWh elektriciteit opwekken uit een hernieuwbare energiebron, meet de netbeheerder van het net waarop de productie-installatie is aangesloten maandelijks de opgewekte elektriciteit. De netbeheerder brengt de VREG maandelijks op de hoogte van deze meetgegevens. De certificaten worden toegekend op basis van de productiemetingen van de betrokken installatie. Voor installaties die per jaar minder dan 10.000 kWh elektriciteit opwekken, meet de certificaatgerechtigde de in de productie-installatie opgewekte elektriciteit zelf31.

Het is de aanvrager van de aansluiting van productie-installaties van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die de noodzakelijke kosten draagt voor de aansluiting op het distributienet32. De netbeheerder draagt alle overige kosten voor de uitbouw van het distributienet voor de opname en het transport van de geleverde energie.

b)    Het gebruik van de groenestroomcertificaten in het kader van de certificatenverplichting33

Elektriciteitsleveranciers zijn verplicht om een minimumaandeel van hun, aan de eindverbruikers aangesloten op het distributienet, geleverde elektriciteit te halen uit hernieuwbare energiebronnen. Beschikken zij enkel over grijze stroom (elektriciteit die niet werd opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen), dan zullen zij bijgevolg een minimumaandeel van de door hen geleverde elektriciteit groen kleuren door een daarmee overeenstemmende hoeveelheid groenestroomcertificaten aan te kopen34. Iedere leverancier (de certificaatplichtige) die elektriciteit levert aan eindafnemers in het Vlaamse Gewest aangesloten op het distributienet legt, om aan deze quotumplicht te voldoen, jaarlijks, vóór 31 maart van het daaropvolgende jaar, een overeenstemmend aantal groenestroomcertificaten voor aan de VREG35. In die zin is het aantal in te leveren groenestroomcertificaten afhankelijk van het marktaandeel van de leverancier tijdens het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de leverancier de certificaten moet overmaken aan de regulator.

Leveranciers die niet zelf elektriciteit produceren moeten aan groenestroomcertificaten zien te geraken door ze aan te kopen op de markt waar de certificaten worden verhandeld. Dit kan door hetzij rechtstreeks contact te leggen met verkopers van groenestroomcertificaten dan wel door deze certificaten aan te kopen via het Belpex Green Certificate Exchange, een beursplatform36 opgezet door Belpex (de Belgische elektriciteitsbeurs), in samenwerking met de VREG.

Het aantal groenestroomcertificaten dat in een bepaald jaar moet worden voorgelegd, wordt vastgesteld met een welbepaalde formule, uiteengezet in art. 23 §2 van het Elektriciteitsdecreet. De groenstroomcertificaten kunnen daartoe worden gebruikt in het jaar waarin ze werden toegekend en in de vijf daaropvolgende boekjaren37. Eens een groenestroomcertificaat werd ingeleverd, is het certificaat niet meer verhandelbaar en kan het niet meer worden gebruikt38.

c)    Het gebruik van groenestroomcertificaten als garantie van oorsprong39

Het systeem van de labels van garantie van oorsprong werd geïmplementeerd op Europees niveau door de Richtlijn 2001/77/EG en maakt de naspeurbaarheid van elektriciteit afkomstig uit hernieuwbare energiebronnen mogelijk. Een garantie van oorsprong kan worden beschouwd als een soort etiket dat aan een bepaalde hoeveelheid elektriciteit, afkomstig uit een hernieuwbare energiebron, is verbonden.

Eens de opgewekte elektriciteit beschikbaar is op het distributienet, kan immers geen onderscheid meer worden gemaakt tussen elektriciteit afkomstig uit hernieuwbare energiebronnen (groene elektriciteit) en deze die werd opgewekt uit niet-hernieuwbare energiebronnen (grijze elektriciteit). Door aan elk groenestroomcertificaat een garantie van oorsprong te koppelen, kan men zien waar deze groene stroom precies werd opgewekt. Dit garandeert met andere woorden de authenticiteit van de groene stroom. In die zin kan bijvoorbeeld uit een bepaald windmolenpark opgewekte groene stroom slechts één keer als zijnde groene stroom afkomstig uit dat windmolenpark worden verkocht.

Elektriciteit mag bijgevolg in Vlaanderen niet worden verkocht als zijnde elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen zonder dat er een passend etiket 'garantie van oorsprong' aan werd verbonden. Opdat het systeem betrouwbaar zou werken, is het cruciaal dat iedere garantie van oorsprong slechts één keer wordt gebruikt als bewijsstuk van de levering van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen.

d)    Minimumsteun van de netbeheerder

Om de afzet van een minimaal volume groene stroom tegen een minimale prijs op de markt te verzekeren, wordt in een systeem van minimumaankoopprijzen voorzien. In het kader van zijn taak als openbare dienstverlener is de netbeheerder verplicht, van de groenestroomproducent die daarom verzoekt, de groenestroomcertificaten aan te kopen die hem krachtens de wetgeving zijn afgeleverd, tegen een minimumprijs bepaald in functie van de gebruikte productietechnologie40.

Op deze manier kennen de netbeheerders een minimumsteun toe voor de productie van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen die is opgewekt in installaties aangesloten op hun net, indien de producent daarom verzoekt. Als bewijs van zijn productie van elektriciteit draagt de producent het overeenstemmende aantal groenestroomcertificaten over aan de betrokken netbeheerder41. Elk groenestroomcertificaat kan uiteraard slechts één keer worden overgedragen aan de netbeheerder. De minimumsteun wordt vastgelegd afhankelijk van de gebruikte hernieuwbare energiebron en de gebruikte productietechnologie. Voor zonne-energie bedraagt dit vooralsnog bijvoorbeeld 450 euro per overgedragen certificaat42.

De netbeheerders brengen op regelmatige tijdstippen de aan hen overgedragen certificaten op de markt om de kosten verbonden aan de toekenning van de minimumsteun te recupereren. De VREG staat in voor de transparantie en de regulariteit van de verkoop van deze certificaten door de netbeheerder. De groenestroomcertificaten hebben dus een marktwaarde. De certificaten kunnen maximaal voor 5 jaar aangehouden worden, nadien hebben ze geen waarde meer. Lijsten van de overgedragen certificaten en van de certificaten die door de netbeheerders op de markt werden gebracht, worden maandelijks door de netbeheerders aan de VREG meegedeeld43.

e)    De handel in groenestroomcertificaten

Groenestroomcertificaten zijn vrij verhandelbaar44. De producent heeft de keuze om zijn groenestroomcertificaten te koop aan te bieden op de markt – al dan niet via het veilingplatform van Belpex Green Certificate Exchange - of om een beroep te doen op het hiervoor geschetste systeem van de wettelijke aankoopverplichting door de netbeheerders aan een wettelijk vastgestelde minimumprijs.

Binnen de vijf werkdagen na verkoop deelt de verkoper aan de VREG de gegevens mee met betrekking tot de verhandelde groenestroomcertificaten: de nieuwe eigenaar, de verkoopprijs en de datum van verkoop. De VREG publiceert maandelijks de gemiddelde prijs van de groenestroomcertificaten en biedt op een algemeen toegankelijke manier de mogelijkheid om het aanbod en de vraag van de groenestroomcertificaten bekend te maken45.

Het systeem van warmtekrachtcertificaten

Een producent kan ook elektriciteit opwekken uit warmtekoppelingsinstallaties. Daarbij wordt niet alleen elektriciteit geproduceerd, maar wordt ook de vrijgekomen warmte gebruikt.

In het Vlaams Gewest bestaat een afzonderlijk certificatensysteem46 ter ondersteuning van kwalitatieve warmtekrachtkoppeling47. Een warmtekrachtcertificaat is een overdraagbaar immaterieel goed dat aantoont dat een daarin genoemde warmtekrachtinstallatie, in een daarin aangegeven jaar, een warmtekrachtbesparing48 van 1.000 kWh heeft gerealiseerd49. De toekenning, het gebruik van de warmtekrachtcertificaten in het kader van de certificatenverplichting, het eraan gekoppeld gebruik als garantie van oorsprong, de minimumsteun van de netbeheerders evenals de handel in de warmtekrachtcertificaten verloopt op gelijkaardige wijze als bij de eerder omschreven groenestroomcertificaten.  

Het Waals Gewest

Vrijmaking van de energiemarkt

Het decreet van 12 april 200150 betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt regelt de aanwijziging van de netbeheerders51, hun rechten en verplichtingen alsook de toegang52 tot de netten53. Het decreet voorziet mede daartoe in de oprichting van een reguleringscommissie, de Commission wallonne de Régulation pour l’Energie, hierna CWaPE genoemd, een autonoom orgaan met een adviesopdracht aan de overheid enerzijds en een algemene opdracht van toezicht en controle op de werking van de gewestelijke elektriciteitsmarkt anderzijds54.

De Waalse regering stelt, na advies van de CWaPE, één beheerder aan voor het plaatselijke transmissienet55 en één of meerdere beheerder(s) aan voor het beheer van het distributienet56. De distributienetbeheerder is een publiekrechtelijke rechtspersoon die de vorm mag aannemen van een intercommunale57. De distributienetbeheerder wordt aangewezen voor een hernieuwbare maximumtermijn van 20 jaar58. De netbeheerder staat in voor de exploitatie, het onderhoud en de ontwikkeling van het net waarvoor hij is aangewezen, teneinde de veiligheid en de continuïteit van de voorziening te waarborgen59.

In het Waalse Gewest kunnen vanaf 1 januari 2007 alle afnemers60 vrij een elektriciteitsleveringsovereenkomst afsluiten met een leverancier61 naar hun keuze62.

Het systeem van groene certificaten

a)    Label van garantie van oorsprong63

Om de identificatie van de elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen64 en/of hoogrenderende warmtekrachtkoppeling65 te vergemakkelijken, wordt door de Waalse regering een systeem van labels van garantie van oorsprong66 opgezet.

Om labels van garantie van oorsprong (en ook groene certificaten, cfr. infra) te verkrijgen, heeft de producent van elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en/of hoogrenderende warmtekrachtkoppeling voor zijn productiesite67 een certificaat van garantie van oorsprong nodig, dat door een erkend controleorgaan wordt afgegeven68. Dergelijk certificaat bewijst dat de hoeveelheden elektriciteit geproduceerd op basis van hernieuwbare energiebronnen of van hoogrenderende warmtekrachtkoppeling door die site duidelijk kunnen worden geïdentificeerd en gemeten, en dat die elektriciteit, desgevallend, gekwalificeerd en verkocht mag worden onder het label électricité garantie d'origine renouvelable et/ou de cogénération à haut rendement69.

Het is de Waalse regulator, CWaPE, die de labels van garantie van oorsprong toekent. Er wordt een label van garantie van oorsprong toegekend per welbepaalde geproduceerde energiehoeveelheid. Deze labels zijn overdraagbaar70 en hebben een geldigheidsduur die ingaat op de einddatum van bedoelde productieperiode en afloopt aan het einde van het eerstvolgende kalenderjaar.

Bij afsluiting van een leveringscontract met een afnemer is de leverancier verplicht in het contract te vermelden hoeveel van de door hem verkochte of te koop gestelde elektriciteit werd opgewekt uit primaire energiebronnen71. Het percentage dat voortkomt uit hernieuwbare energiebronnen of uit een hoog renderende warmtekrachtkoppeling moet worden gevalideerd d.m.v. labels van garantie van oorsprong72.

De leveranciers leggen de labels van garantie van oorsprong voor telkens ze elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen en/of warmtekrachtkoppeling leveren73 aan eindafnemers. Ze bezorgen de netbeheerder maandelijks de lijst van hun eindafnemers die op hun net aangesloten zijn, waarbij per eindafnemer de hoeveelheid van de elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen en/of warmtekrachtkoppeling wordt vermeld in verhouding tot de totale hoeveelheid elektriciteit die ze hem leveren. De netbeheerders geven op hun beurt de CWaPE en de betrokken leverancier maandelijks kennis van de verbruiksgegevens van de eindafnemers. Ook hier wordt het aandeel elektriciteit uit hernieuwbare energieën en/of warmtekrachtkoppeling in de totale elektriciteitslevering aan die eindafnemers berekend. Op basis van deze gegevens controleert de CWaPE maandelijks of de leveranciers een voldoende aantal labels van garantie van oorsprong teruggeven. Enkel op die manier hebben hun eindafnemers de garantie dat de aan hen geleverde elektriciteit hernieuwbaar is en/of uit warmtekrachtkoppeling is opgewekt.

b)    Toekenning groene certificaten

Om de ontwikkeling van de elektriciteitsproductie uit hernieuwbare energiebronnen en/of warmtekrachtkoppeling te bevorderen, zet de Waalse regering een systeem van groene certificaten74 op, bestemd voor producenten van groene elektriciteit. Het betreft elektriciteit voortgebracht door hernieuwbare energiebronnen of door kwaliteitswarmtekrachtkoppeling waarvan de productiebron minstens 10% minder koolstofdioxide genereert ten opzichte van de uitstoting van koolstofdioxide, die jaarlijks bepaald en bekend gemaakt worden door de CWaPE, door een conventionele productie in moderne referentie-installaties75.

Driemaandelijks geeft de producent daartoe de energiemeterstanden door aan CWaPE. Er wordt door de CWaPE een groen certificaat toegekend voor een aantal geproduceerde kWh overeenstemmend met 1 Mwu gedeeld door het percentage koolstofdioxidebesparing76. De groene certificaten hebben een geldigheidsduur van vijf jaar77. De geldigheidsdatum begint te lopen vanaf het einde van de maand waarin de certificaten zijn toegekend.

c)    Gebruik van de groene certificaten

Elk kwartaal worden de elektriciteitsleveringen in Wallonië die door de leveranciers worden aangegeven en door de netbeheerders worden gemeten, aan de CWaPE overgemaakt. Op basis van deze informatie moeten de leveranciers en de netbeheerders aan de CWaPE een quotum78 aan groene certifcaten inleveren. De leveranciers en de netbeheerders bezorgen vervolgens aan de CWaPE om de drie maanden het aantal groene certificaten dat overeenstemt met het quotum dat hen werd opgelegd79. Worden de quota niet in acht genomen, dan moet de leverancier of de netbeheerder een administratieve boete betalen80.

d)    Markt van labels van garantie van oorsprong en van de groene certificaten

De authenticiteit van de labels van garantie van oorsprong en van de groene certificaten wordt gewaarborgd door de registratie ervan in een gecentraliseerde gegevensbank die door de CWaPE wordt beheerd. De gegevensbank bevat de gegevens van de producenten, leveranciers, tussenpersonen en netbeheerders die tussenkomen op de markt van de labels van garantie van oorsprong en op de markt van de groene certificaten die worden afgeleverd, uitgewisseld en teruggegeven aan de CWaPE81.
Van zodra de producent in het bezit is van labels van garantie van oorsprong en/of groene certificaten, kan hij deze verhandelen, los van de verkoop van de door hem effectief geproduceerde elektriciteit.

De groene certificaten zijn niet langer overdraagbaar van zodra ze werden gebruikt door de leverancier of de netbeheerder om te voldoen aan de quotaverplichting. Ook de labels van garantie van oorsprong zijn niet langer overdraagbaar eens ze werden gebruikt om te voldoen aan de eerder vermelde verplichtingen (cfr. supra).

e)    Minimumsteun

De netbeheerder is verplicht de overtollige productie van de op zijn net aangesloten producenten van groene elektriciteit tegen marktprijzen te kopen. Is de overtollige productie groter dan de verbruikscapaciteit van de netbeheerder, dan licht de netbeheerder de leveranciers daarvan in. De leveranciers kopen de overtollige productie op naar rato van de elektriciteitshoeveelheden die ze leveren op het grondgebied van de netbeheerder waar de installaties van de betrokken producenten van groene elektriciteit gevestigd zijn82.

De producent van groene elektriciteit kan een deel of het geheel van de groene certificaten die hem zijn toegekend rechtstreeks aan de netbeheerder overmaken83. De duur van deze verplichting tot aankoop van groene certificaten wordt door CWaPE bepaald84.

Het systeem van warmtekrachtcertificaten

In het Waalse Gewest komen kwalitatieve wermtekrachtkoppelingsinstallaties in aanmerking voor de toekenning van eerder besproken groene certificaten.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Vrijmaking van de energiemarkt

De ordonnantie van 19 juli 200185 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest regelt het beheer van het gewestelijk transmissienet86, van het distributienet87 alsook de toegang tot beide netten88.

De regering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wijst de intercommunale, die over het eigendoms- of gebruiksrecht van de zich op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevindende distributienetten beschikt, aan als de distributienetbeheerder89. Deze aanwijziging gebeurt voor een termijn van twintig jaar. De  distributienetbeheerder is verantwoordelijk voor de uitbating, het onderhoud en de ontwikkeling van het distributienet, met de bedoeling de regelmaat en de kwaliteit van de energievoorziening te verzekeren. Hiertoe wordt de distributienetbeheerder belast met onder andere de volgende taken: verbetering, vernieuwing en uitbreiding van het net, installatie en het ter beschikking stellen van de aansluitingen, onderhoud en bestuur van het net. Gelijkaardige bepalingen zijn van toepassing voor de transmissienetbeheerder90.

De distributienetbeheerder verleent, onder bepaalde voorwaarden vastgesteld in het technisch reglement91, toegang tot het net92 aan:

  • de leveranciers93 die beschikken over een leveringsvergunning voor de distributie van de elektriciteit bestemd voor hun afnemers die zijn aangesloten op het distributienet. De leveranciers kopen met andere woorden de energie bij de producent aan en verkopen deze aan afnemers;
  • de producenten94 die één of meerderen productieinstallaties hebben, gelegen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; en
  • de gebruikers die gemachtigd zijn om een aanvraag tot toegang in te dienen en die zijn aangesloten op ditzelfde net95.

De in aanmerking komende afnemers en de toegang tot het distributienet worden voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vastgesteld in art. 13 van Hoofdstuk III van de Elektriciteitsordonnantie. Met ‘in aanmerking komen’ wordt bedoeld dat deze afnemers zelf hun leverancier mogen kiezen en zich daartoe aansluiten op het distributienet96. Huishoudelijke afnemers97 aangesloten op het distributienet kwamen uiterlijk op 1 juli 2007 in aanmerking, huishoudelijke afnemers die kozen voor de levering van groene elektriciteit98 reeds vanaf 1 januari 200799.

De leveranciers komen in aanmerking voor de hoeveelheid elektriciteit verbruikt door hun eindafnemers. De leveranciers beschikken over en leveringsvergunning om aan deze afnemers elektriciteit te leveren voor een verbruikslocatie in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

Het systeem van groenestroomcertificaten

De liberalisering laat afnemers toe een leverancier te kiezen die een aanzienlijk deel groene energie aanbiedt. De ontwikkeling van een mechanisme van groenestroomcertificaten was een belangrijke stap in deze richting. Meteen werden hierdoor de producenten aangespoord om over te stappen naar de opwekking van groene elektriciteit en warmtekrachtkoppeling100.

Een groenestroomcertificaat wordt in de bepalingen van toepassing op het Brussels Hoofdstedelijk Gewest omschreven101 als zijnde een overdraagbare en verhandelbare titel toegekend voor opgewekte groene elektriciteit of elektriciteit geproduceerd op basis van warmtekrachtkoppeling, volgens de voorwaarden bepaald krachtens art. 28 van de Elektriciteitsordonnantie. Om groenestroomcertificaten te kunnen verkrijgen, moet een installatie voor de productie van groene elektriciteit of van warmtekracht, gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het voorwerp uitmaken van een voorafgaandelijke certifiëring102. Deze certificering verklaart dat de betrokken installatie daadwerkelijk een installatie voor de productie van groene elektriciteit of van warmtekracht is. Deze certificering gebeurt door BRUGEL103, de reguleringscommissie voor gas en elektriciteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

a)    Toekenning groenestroomcertificaten

Aan de hand van de gegevens die door de meetinstrumenten van de gecertificeerde installaties worden opgenomen, kent BRUGEL trimesterieel groenestroomcertificaten toe aan welbepaalde installaties. De installatie moet hiervoor voldoen aan een aantal voorwaarden104. Een van de voorwaarden is dat de installatie een relatieve CO2-besparing heeft van minimaal 5%.
De toekenning van groenestroomcertificaten geschiedt geïnformatiseerd en bijgevolg onder immateriële vorm, door inschrijving van een titel voor groenestroomcertificaten op het krediet van de rekening die overeenkomt met de installatie in een gegevensbank die door BRUGEL wordt beheerd. Elk groenestroomcertificaat heeft een geldigheidsduur van vijf jaar vanaf de dag waarop het werd toegekend105.

b)    Het gebruik van de groenestroomcertificaten in het kader van de certificatenverplichting106

Iedere leverancier levert aan BRUGEL een aantal groenestroomcertificaten af, dat afhankelijk is van het geheel van leveringen in de loop van het jaar aan in aanmerking komende afnemers gevestigd op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest107. Elke leverancier deelt hiertoe ten laatste op 31 januari van elk jaar aan BRUGEL de cijfers mee betreffende de leveringen die hij tijdens het voorgaande jaar heeft verricht. De leveranciers duiden daarbij aan welke eindafnemers werden bevoorraad met groene electriciteit (aan de hand van de labels van garantie van oorsprong (cfr. infra) die in dit kader door de leverancier moeten worden voorgelegd). Op basis van deze gegevens berekent en deelt BRUGEL aan iedere leverancier ten laatste op 28 februari mee hoeveel certificaten deze moet afgeven. De leverancier duidt vervolgens aan welke van de groenestroomcertificaten die op zijn rekening staan in rekening moeten worden gebracht tot naleving van deze verplichting. Elk in rekening gebracht certificaat wordt vervolgens in de gegevensbank geannuleerd. In geval van niet naleving van deze verplichting, legt BRUGEL aan de leverancier een administratieve boete108 op. Leveranciers die zelf geen producent zijn van groene elektriciteit, zullen de groenestroomcertificaten moeten aankopen.

c)    De handel in groenestroomcertificaten

De groenestroomcertificaten zijn vrij overdraagbaar en verhandelbaar109. BRUGEL maakt elk jaar de gemiddelde prijs bekend van de groenestroomcertificaten die tijdens het voorafgaande jaar werden verhandeld. De markt van groenestroomcertificaten bestaat sinds mei 2004110.

d)    Label van garantie van oorsprong

De Europese landen voerden een mechanisme in waarmee groene stroom op Europese schaal kan worden opgespoord. Een label van garantie van oorsprong wordt door BRUGEL toegekend aan de titularis van een gecertificeerde installatie111 voor de opwekking van een bepaalde hoeveelheid elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen112 of aan de titularis van een hoogrenderende warmtekrachtinstallatie.

Het label wordt afgeleverd per productielocatie en vermeldt de energiebron die aan de basis ligt van de productie, de geproduceerde hoeveelheid en de datum en de plaats van productie. Het bewijst dat de door deze productielocatie geproduceerde hoeveelheden groene elektriciteit duidelijk kunnen worden geïdentificeerd en gemeten, dat deze elektriciteit kan worden bestempeld als en verkocht onder de benaming groene elektriciteit met garantie van oorsprong. In voorkomend geval, indien de installaties voor de productie van groene stroom het kwaliteitscriterium halen, zullen zij tevens recht geven op de toekenning van groenestroomcertificaten113.

De driemaandelijkse toekenning van de labels van garantie van oorsprong geschiedt onder immateriële vorm in een gegevensbank die door BRUGEL wordt beheerd. Deze labels hebben een geldigheidsduur die aanvangt op de datum van het einde van de betrokken productieperiode en eindigt op het einde van het eerste kalenderjaar dat er op volgt. Wordt een label van garantie van oorsprong nog niet gebruikt op het einde van dat jaar, dan wordt het vernietigd.

De leveranciers moeten deze labels van garantie van oorsprong voorleggen114 telkens ze elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen leveren. Daartoe moeten ze zelf bij de producenten van deze energie garanties van oorsprong verwerven of zelf stroom uit hernieuwbare energiebronnen opwekken. Leveranciers zijn verplicht een lijst te bezorgen van de klanten aan wie zij deze groene stroom leveren. Samen met de gegevens omtrent het verbruik van deze afnemers kan worden berekend hoeveel garanties van oorsprong de leverancier moet voorleggen. Dit systeem biedt de authoriteiten de zekerheid dat er evenveel groene stroom wordt opgewekt als er wordt verkocht. Bovendien kan op die manier dezelfde eenheid elektriciteit uit hernieuwbare energiebronnen nooit door verschillende leveranciers tegelijkertijd als ‘groen' worden bestempeld. Doelstelling is om door middel van dit systeem de aangroei van de productie van groene stroom te garanderen wanneer ook de vraag van de leveranciers groot is.

Elk label van garantie van oorsprong is vrij overdraagbaar en verhandelbaar, op dezelfde wijze als de groenestroomcertificaten115 (cfr. infra). Elke natuurlijke of rechtspersoon die labels van garantie van oorsprong wenst te kopen of verkopen, moet zich evenwel vooraf een rekening hebben laten toekennen in de gegevensbank waarvan eerder sprake.
BRUGEL maakt, op basis van de voorgelegde labels van garantie van oorsprong, op haar website het percentage groene elektriciteit bekend dat door elke leveranciers in de loop van het betrokken jaar wordt geleverd aan klanten gesitueerd in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

e)    Minimumsteun aan de producenten

Slaagt een producent116 uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest er niet volledig in zijn geproduceerde energie te verkopen, dan zijn de leveranciers die instaan voor de levering aan de afnemers verplicht tot aankoop van deze elektriciteitsoverschotten, en dit tegen de marktprijs en binnen de grenzen van de behoeften van hun afnemers. Bovenop die behoeften wordt de verplichting overgedragen op de andere leveranciers117.

Het systeem van warmtekrachtcertificaten

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest komen kwalitatieve warmtekrachtkoppelingsinstallaties in aanmerking voor de toekenning van groenestroomcertificaten.
De distributienetbeheerder is op zijn beurt verplicht tot overname van de door kwalitatief warmtekrachtkoppeling geproduceerde elektriciteit die noch zelf verbruikt, noch aan derden geleverd wordt, en dit binnen de grenzen van zijn behoeften118.

Offshore windenergie

Aangezien de Noordzee onder de federale bevoegdheid valt (cfr. supra), werd voor de opwekking van elektriciteit uit het windmolenpark in de Noordzee een apart systeem uitgewerkt. Hiervoor zal de bevoegde federale overheid groenestroomcertificaten toekennen119. Vermits de gewestelijke regulatoren in principe enkel eigen groenestroomcertificaten aanvaarden voor de inleveringsverplichting door de leveranciers, kunnen hiervoor geen federale groenestroomcertificaten worden ingediend. Daarom heeft de federale wetgever beslist dat ELIA120, belast met het beheer van het transmissienet, de groenestroomcertificaten toegekend door de federale overheid moet aankopen tegen een vastgestelde prijs. Aangezien er echter geen markt is waarop ELIA op haar beurt deze certificaten kan verkopen, zal ELIA de kostprijs van deze aankopen doorrekenen in de tarieven aan de gebruikers van het transmissienet.

3. BOEKHOUDKUNDIGE VERWERKING

Alhoewel er grote gelijkenissen zijn met advies 179/1 Boekhoudkundige verwerking van broeikasgasemissierechten121, wijst de Commissie evenwel op een aantal belangrijke verschillen tussen de groenestroom- en warmtekrachtcertificaten en de broeikasgasemissierechten. Het belangrijkste verschil is dat de partijen die certificaatgerechtigd zijn (de producenten), niet (altijd) dezelfde zijn als degenen die de certificaten moet indienen om aan de quotumverplichting te voldoen (de certificaatplichtingen, zijnde de leveranciers). Dit is wel het geval voor broeikasgasemissierechten, waar de rollen van certificaatgerechtigde en quotumplichtige partij altijd samenvallen. Toch hebben beide systemen gemeenschappelijk dat de certificaten en broeikasgasemissierechten kunnen verhandeld worden als onderdeel van het proces gericht op het inleveren van een voldoende aantal certificaten/broeikasgasemissierechten.

Boekhoudkundige verwerking bij de producent

De toekenning van de groenestroomcertificaten122 betreft een soort van tegemoetkoming van de overheid voor de aanzienlijke investering verricht door de producent ter productie van energie uit hernieuwbare energiebronnen123.

De certificaten vormen, zoals tevens in het eerder verschenen advies 179/1124 werd gesteld, een soort van betaalmiddel en kunnen worden beschouwd als onlichamelijk roerende zakelijke rechten125 of roerende rechten van immateriële aard126. Gezien de omschrijving die art. 95 K.B. W.Venn. geeft aan  de inhoud van de post Immateriële vaste activa, lijkt het de Commissie aangewezen de aan de producent toegekende certificaten onder de Immateriële vaste activa op te nemen. Hiertoe kan de in advies 179/1 voorgestelde rekening ‘2140127’ eventueel verder worden onderverdeeld.

Op moment van toekenning van de certificaten (maandelijks) door de gewestelijke regulator aan de producent, worden deze certificaten in de boekhouding van de producent opgenomen aan aanschaffingswaarde128. Het voorzichtigheidsprincipe129 in acht nemende, kan de minimumsteun die de netbeheerder zou betalen in het kader van zijn verplichte overname worden beschouwd als de aanschaffingswaarde, aangezien dit de waarde betreft waartegen de producent de certificaten steeds kan realiseren. Op hetzelfde moment wordt dit bedrag opgenomen onder de Overige Opbrengsten. Op deze manier worden de opbrengsten in resultaat genomen in de periode waarin ook de productiekosten worden gedragen (overeenstemmingsprincipe).

Groenestroomcertificaten hebben een gebruiksduur van 5 jaar. Gezien de netbeheerder verplicht is om, tijdens deze periode, op verzoek van de producent de certificaten aan te kopen tegen een wettelijk vastgelegde minimumprijs, en bijgevolg de waarde van de certificaten tijdens hun gebruiksduur nagenoeg ongewijzigd blijft, worden geen afschrijvingen geboekt130. Desnoods zal, in het geval dat de wettelijk vastgelegde minimumprijs zou dalen, deze waarde dienen te worden aangepast aan deze lagere waarde.

Boeking bij toekenning van de groenestroomcertificaten

2140 Groenestroomcertificaten ...  
  aan 743 - 749 Diverse bedrijfsopbrengsten   ...

De opbrengsten voortvloeiende uit de toegekende certificaten voor de laatste maand van het boekjaar worden op balansdatum nog aan de boekingsperiode toegerekend.

Boeking toerekening groenestroomcertificaten op balansdatum

404 Te innen opbrengsten ...  
  aan 743 - 749 Diverse bedrijfsopbrengsten   ...

In het geval dat de producent de door hem opgewekte energie niet verkoopt, maar zelf verbruikt, is de certificatieplicht niet van toepassing en en kan de producent de hem toegekende certificaten naar keuze te koop aanbieden op de markt of een beroep  doen op het eerder geschetste systeem van de wettelijke aankoopverplichting door de netbeheerders. De overdracht van de certificaten aan de netbeheerder zal plaatsvinden aan de wettelijk vastgestelde minimumprijs. Deze prijs stemt overeen met de prijs gehanteerd ter vaststelling van de bij toekenning geboekte aanschaffingsprijs.

Boeking op moment van overdracht van de certificaten aan de netbeheerder

55..0 Kredietinstellingen: rekening-courant  ...  
  aan 2140 Groenestroomcertificaten   ...
    451 Te betalen btw   ...

De verkoopprijs van de certificaten op de markt kan eventueel hoger zijn dan deze vastgestelde minimumprijs: de meerwaarde wordt in opbrengst genomen.

55..0 Kredietinstellingen: rekening-courant  ...  
  aan 2140 Groenestroomcertificaten   ...
    741 Meerwaarden op de courante realisatie van vaste activa   ...
    451 Te betalen btw   ...

Boekhoudkundige verwerking bij de leverancier

Energieleveranciers zijn verplicht om  jaarlijks een aantal certificaten voor te leggen aan de gewestelijke regulator. Het aantal in te leveren certificaten is afhankelijk van het marktaandeel van de leverancier tijdens het jaar voorafgaand aan het jaar waarop de leverancier de certificaten moet overmaken aan de regulator.
De leverancier zal, in het kader van deze certificatenplicht, een voldoende aantal certificaten moeten aankopen. De Commissie is van oordeel dat de nettomethode, zoals ook uiteengezet in CBN-advies 179/1, voor de leverancier meer aangewezen is. Volgens deze methode wordt de aankoop van de certificaten als aankoopkost in de resultatenrekening geboekt.
Boeking bij aankoop van de certificaten door de leverancier aan aanschaffingswaarde, in dit geval de aanschaffingsprijs.

643 - 648 Diverse bedrijfskosten ...  
411 Terug te vorderen btw ...  
  aan 55...0 Kredietinstellingen: rekening-courant   ...

Op inventarisdatum zal, voor het verschil tussen het aantal certificaten in het bezit van de leverancier en het aantal benodigde certificaten dat het komende jaar zal moeten worden ingeleverd, een voorziening worden aangelegd131. Deze voorziening wordt gewaardeerd tegen de reële waarde van de certificaten op balansdatum. In de toelichting bij de jaarrekening wordt in dit verband een passende vermelding opgenomen.

Boeking aanleggen voorziening op balansdatum

6370 Voorzieningen voor andere risico’s en kosten: toevoeging ...  
  aan 163 - 165 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten   ...

Deze voorziening wordt besteed bij aankoop van de ontbrekende certificaten door de leverancier.

163 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten ...  
  aan 6371 Voorzieningen voor andere risico’s en kosten: besteding en terugneming   ...

Heeft de leverancier op invenstarisdatum meer certificaten in zijn bezit dan het aantal in te leveren certificaten in het kader van zijn certificatenplicht, dan worden de Diverse bedrijfskosten gecrediteerd voor dit saldo. Gebruik makend van de overlopende rekeningen, worden de aankoopkosten van deze certificaten overgedragen naar de volgende periode.

490 Over te dragen kosten ...  
  aan 643 - 648 Diverse bedrijfskosten   ...

De eventuele administratieve boete wegens het niet inleveren van een voldoende aantal certificaten zal pas worden opgenomen onder de kosten op het ogenblik waarop de inleveringstermijn verstrijkt waarin de certificaten moeten worden ingeleverd.

Het inleveren van de certificaten bij de gewestelijke regulator heeft geen boeking tot gevolg.
 

  • 1. Art. 2, a), Richtlijn 2001/77/EG: hernieuwbare, niet-fossiele energiebronnen (wind, zonne-energie, aardwarmte, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas).
  • 2. Richtlijn 2001/77/EG van 27 september 2001, P.B. L. 283/33, 27 oktober 2001.
  • 3. Richtlijn 2004/8/EG van 11 februari 2004, P.B. L. 52, 21 februari 2004.
  • 4. Richtlijn 2003/54/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2003 betreffende gemeenschappelijke regels voor de interne markt voor elektriciteit en houdende intrekking van Richtlijn 96/92/EG, Richtlijn 2003/55/EG en Richtlijn 96/30/EG (P.B. L. 176/37, 15 juli 2003).
  • 5. Art. 21, Richtlijn 2003/54/EG.
  • 6. Wet van 22 april 1999 betreffende de Exclusieve Economische Zone (EEZ) van België in de Noordzee.
  • 7. Commissie voor de Regulering van de Elektriciteit en het Gas, opgericht bij wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (B.S. 11 mei 1999).
  • 8. VREG (Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt), CWaPE (Commission Wallonne pour l’Energie, en BRUGEL (Brussel Gas Elektriciteit).
  • 9. De ‘grote’ productie-installaties blijven onder de bevoegdheid van de federale overheid (art. 6, §1, VII, bijzondere wet tot hervorming der instellingen, 8 augustus 1980).
  • 10. Art. 7, wet van 29 april 1999 betreffende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (B.S. 11 mei 1999) en het koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen (B.S. 23 augustus 2002).
  • 11. Binnen een geografisch afgebakend gebied het geheel van verbindingen met een nominale spanning gelijk aan of lager dan 70 kV en de daarmee verbonden transformator-, schakel-, verdeel- en onderstations en andere hulpmiddelen die noodzakelijk zijn voor de distributie van elektriciteit op regionaal of lokaal niveau (Art. 2, 2°, decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt, B.S. 22 september 2000).
  • 12. Decreet van 17 juli 2000 houdende de organisatie van de elektriciteitsmarkt (B.S. 22 september 2000), in de tekst verder aangeduid als het “Elektriciteitsdecreet”.
  • 13. Besluit van de Vlaamse regering van 13 juli 2001 (B.S. 17 augustus 2001).
  • 14. Grotere bedrijven waren al langer vrij in de keuze van hun energieleverancier (Art. 2, besluit van 13 juli 2001 van de Vlaamse regering houdende nadere regeling van de voorwaarden om als afnemer in de zin van art. 12 van het Elektriciteitsdecreet in aanmerking te komen).
  • 15. Elke natuurlijke of rechtspersoon die elektriciteit verkoopt aan de eindafnemers (art. 2, 10°, Elektriciteitsdecreet). De eindafnemers zijn de natuurlijke of rechtspersonen die elektriciteit kopen voor eigen gebruik (art. 2, 6°, Elektriciteitsdecreet).
  • 16. De beheerder van een distributienet aangewezen door de reguleringsinstantie, zijnde de VREG (art. 2, 11° en art. 5, Elektriciteitsdecreet).
  • 17. Elke natuurlijke of rechtspersoon die elektriciteit verkoopt aan eindafnemers (art. 2, 10°, Elektriciteitsdecreet).
  • 18. Elke natuurlijke of rechtspersoon die elektriciteit koopt met het oog op de doorverkoop aan een andere tussenpersoon of aan een leverancier (art. 2, 9°, Elektriciteitsdecreet).
  • 19. Art. 2, 5°, Elektriciteitsdecreet.
  • 20. Elke natuurlijke of rechtspersoon die elektriciteit opwekt (art. 2, 12°, Elektriciteitsdecreet).
  • 21. Vlaamse openbare instelling met rechtspersoonlijkheid. Opgericht overeenkomstig art. 4, §1 van het decreet van 30 april 2004 tot oprichting van het publiekrechtelijk vormgegeven extern verzelfstandigd agentschap Vlaamse Reguleringsinstantie voor de Elektriciteits- en Gasmarkt (B.S. 27 mei 2004).
  • 22. Art. 2, 11°, Elektriciteitsdecreet.
  • 23. Er bestaan 2 soorten intercommunales: zuivere en gemengde. In zuivere intercommunales hebben enkel de gemeenten (en soms ook een provincie) het beheer in handen. In gemengde intercommunales is er naast de gemeenten (of provincies) ook een privémaatschappij.
  • 24. Er vindt ook een juridische toest plaats, onder andere met betrekking tot de professionele betrouwbaarheid.
  • 25. Art. 2, 16°, Elektriciteitsdecreet.
  • 26. Art. 5, besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen.
  • 27. Art. 2, 17°, Elektriciteitsdecreet.
  • 28. De eigenaar van de elektriciteit kan, op het moment van productie in de betrokken productie-installatie, de toekenning van groenestroomcertificaten aanvragen door een aanvraagdossier op te sturen naar de VREG. De VREG beslist dan, binnen de maand na ontvangst van het dossier, of de elektriciteit voldoet aan de voorwaarden voor het toekennen van groenestroomcertificaten evenals de wijze waarop de hoeveelheid toe te kennen certificaten zal worden berekend. De producent wordt in dat geval de certificaatgerechtigde.
  • 29. Art. 22, Elektriciteitsdecreet.
  • 30. Art. 13, besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen.
  • 31. Art. 8, §1 en 2, besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen. Voor productie-installaties die elektriciteit opwekken uit afvalstoffen bepaalt de OVAM de hoeveelheid ernergie die in aanmerking komt voor het verkrijgen van groenestroomcertificaten. OVAM is de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij.
  • 32. Art. 19, §1, besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen. Het eventuele verschil tussen de te betalen aansluitingskost en de werkelijke aansluitingskost wordt gedragen door de netbeheerder op wiens net de aansluiting gerealiseerd wordt.
  • 33. Art. 23 en 23bis, Elektriciteitsdecreet. Omdat de criteria voor het toekennen van groenestroomcertificaten verschillend zijn voor de drie gewesten, kunnen leveranciers in principe enkel die groenestroomcertificaten indienen die door de regulator van dat gewest zijn toegekend. Leveranciers die elektriciteit leveren in de drie gewesten zullen dus verplicht zijn om per gewest aparte groenestroomcertificaten in te leveren. Om het probleem op te lossen van het beperkt aantal toegekende groenestroomcertificaten voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (cfr. infra), wordt evenwel een mechanisme ingevoerd om ook de in Wallonië uitgereikte groenestroomcertificaten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te erkennen en bijgevolg te aanvaarden. Ook de wetgeving van het Vlaamse en Waalse Gewest voorziet in die zin bepalingen.
  • 34. Zie hiervoor het gebruik van groenstroomcertificaten als garantie van oorsprong.
  • 35. Leveranciers die deze verplichting niet nakomen, lopen een administratieve boete op van 125 euro per ontbrekend groenestroomcertificaat (art. 37, §2, Elektriciteitsdecreet). Deze boete wordt opgelegd door de VREG. Betaling ervan komt in de plaats van de inlevering van een groenestroomcertificaat en werkt bijgevolg bevrijdend.
  • 36. De ‘Belpex GCE’ is bedoeld als opportuniteit aan ondernemingen actief in de productie van groene energie en/of op basis van warmtekrachtkoppeling, en aan energieleveranciers met een quotumverplichting inzake groenestroom- en/of warmtekrachtcertificaten.
  • 37. Art. 23, Elektriciteitsdecreet.
  • 38. Art. 14, besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen.
  • 39. Bewijsstuk om aan te tonen dat een aan eindafnemers geleverde hoeveelheid elektriciteit afkomstig is uit een bepaalde hernieuwbare energiebron, art. 1, §1, 14°, besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen.
  • 40. Art. 14, koninklijk besluit van 16 juli 2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen.
  • 41. Deze verplichting tot toekenning van een minimumsteun door de netbeheerder begint bij de inwerkingtreding van een nieuwe productie-installatie en loopt over een periode van 10 jaar, in geval van zonne-energie loopt de verplichting over een periode van 20 jaar. In het geval dat de steun door een beslissing van de Vlaamse overheid niet langer wordt toegekend, vergoedt de Vlaamse regering voor bestaande installaties de geleden schade (art. 24 §3, Elektriciteitsdecreet).
  • 42. Art. 24, Elektriciteitsdecreet.
  • 43. Art. 24, Elektriciteitsdecreet.
  • 44. Art. 16, besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen.
  • 45. Art. 17, besluit van de Vlaamse regering van 5 maart 2004 inzake de bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen.
  • 46. Omschreven in het besluit van 7 juli 2006 van de Vlaamse regering ter bevordering van de elektriciteitsopwekking in kwalitatieve warmtekrachtinstallaties (B.S. 1 december 2006).
  • 47. Elektriciteit en warmte geproduceerd in een kwalitatieve warmtekrachtinstallatie.
  • 48. De primaire energiebesparing die gerealiseerd wordt door gebruik te maken van een warmtekrachtinstallatie (art. 2, 26°, Elektriciteitsdecreet).
  • 49. Art. 2, 27°, Elektriciteitsdecreet.
  • 50. B.S. 1 mei 2001.
  • 51. De distributienetbeheerder en/of de plaatselijke transmissienetbeheerder, aangewezen overeenkomstig de bepalingen van het decreet (cfr. infra, art. 2, 25°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 52. Het recht om een elektriciteitsnet te mogen gebruiken, en aan de leverancier de mogelijkheid biedt om elektriciteit te leveren, en aan de afnemer van het net om elektriciteit af te nemen of om elektriciteit te injecteren op dat net (art. 2, 28°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 53. Geheel van lijnen voor de transmissie van elektriciteit, die gekoppeld zijn aan een groot aantal gebruikers, inclusief de transformatie-, sectioneer- en distributieposten (art. 2, 15°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 54. Art. 43, §2, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt.
  • 55. Stukken van een net met een spanning van 1 tot 70 kV dat hoofdzakelijk dient voor de transmissie van elektriciteit naar de distributienetten of gebruikt wordt voor uitwisselingsdoeleinden met naburige netten die bepaald worden door de Waalse regering overeenkomstig artikel 4, lid 1 (art. 2, 16°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 56. De netten met een spanning lager dan of gelijk aan 70 kilovolt (kV), gebruikt voor de transmissie van elektriciteit naar eindafnemers op het gewestelijke of lokale niveau, met uitzondering van het plaatselijk transmissienet (art. 2, 17°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 57. Art. 6, §1, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt.
  • 58. Art. 10, §2, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt.
  • 59. Art. 11, §2, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt.
  • 60. Elke eindafnemer, leverancier of tussenpersoon (art. 2, 37°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 61. Elke natuurlijke of rechtspersoon die elektriciteit verkoopt aan eindafnemers. De leverancier produceert of koopt de elektriciteit die hij verkoopt aan de eindafnemers (art. 2, 33°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 62. Art. 8 besluit van 11 mei 2006 van de Waalse regering betreffende de afnemers die op 1 januari 2007 in aanmerking komen op de elektriciteits- en gasmarkt (B.S. 22 mei 2006).
  • 63. Het gebruik van de labels van oorsprong van garantie wordt uiteengezet in art. 27 van het besluit van 30 november 2006 van de Waalse regering tot bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen of warmtekrachtkoppeling (B.S. 29 december 2006).
  • 64. Elke energiebron, andere dan de brandstoffen en de splijtstoffen, waarvan het toekomstige gebruik niet wordt beperkt door het verbruik daarvan, met name hydraulische energie, windenergie, zonne-energie, geothermische energie en biomassa (art. 2, 9°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 65. Gecombineerde productie in één proces van warmte en elektriciteit die voldoet aan de criteria bepaald in bijlage III van Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en van de Raad, betreffende de bevordering van de warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt (art. 2, 6° en 8°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 66. Label ter bevestiging van de hoeveelheid elektriciteit geproduceerd uit hernieuwbare energiebronnen of uit hoogrenderende warmtekrachtkoppeling (art. 2, 13°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 67. Vestigingsplaats van een installatie, bestaande uit één of meerdere eenheden voor elektriciteitsproductie vanaf dezelfde energiebron en via dezelfde elektriciteitsproductiemethode (art. 2, 3°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 68. Art. 36, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt.
  • 69. Art. 2, 12°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt.
  • 70. Art. 36ter, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt.
  • 71. De primaire energiebronnen worden ingedeeld in de volgende categorieën: hernieuwbare energiebronnen, niet hernieuwbare warmtekrachtkopppeling, aardgas, andere fossiele brandstoffen, kernenergie en bronnen van onbekende herkomst. Het aandeel van de bronnen van onbekende herkomst mag niet hoger zijn dan 5% behoudens uitdrukkelijke goedkeuring door de CWaPE (art. 2, § 5, ministerieel besluit van 13 december 2006 tot vastlegging van de methode voor de bepaling van de primaire energiebronnen die gebruikt worden om elektriciteit te produceren, B.S. 22 december 2006). Leveranciers bezorgen de CWaPE jaarlijks vóór 31 maart een verslag over de primaire energiebronnen die gebruikt worden voor de productie van de elektriciteit geleverd in de loop van het afgelopen kalenderjaar.
  • 72. Art. 4, §1, g), besluit van 30 maart 2006 van de Waalse regering betreffende de openbare dienstverplichtingen op de elektriciteitsmarkt (B.S. 24 april 2006).
  • 73. De labels worden maandelijks en uiterlijk 31 maart van elk jaar aan de CWaPE teruggegeven.
  • 74. Het betreft een overdraagbaar document toegekend aan producenten van groene elektriciteit en, via verplichtingen opgelegd aan de leveranciers en de netbeheerders, bestemd om de ontwikkeling van productie-installaties van milieuvriendelijke elektriciteit te bevorderen (art. 2, 14°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt).
  • 75. Art. 2, 11°, decreet betreffende de organisatie van de gewestelijke elektriciteitsmarkt. Daarmee zijn de criteria voor de toekenning van de groenestroomcertificaten gelijkaardig voor het Waalse Gewest als deze van toepassing in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (cfr. infra). CWaPE berekent het aantal toe te kennen groenestroomcertificaten aan de producenten op basis van de besparing op het vlak van de uitstoot van CO2 door de gebruikte installatie in vergelijking met wat een conventionele centrale zou uitstoten om dezelfde hoeveelheid elektriciteit te produceren.
  • 76. Het percentage koolstofdioxidebesparing wordt bepaald door de koolstofdioxidewinst, gemaakt via de geplande kanalen, te delen door de emissies van koolstofdioxide van de klassieke elektrische kanalen waarvan de emissies jaarlijks bepaald en bekendgemaakt worden door de CWaPE.
  • 77. Art. 16, besluit van 30 november 2006 van de Waalse regering tot bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen of warmtekrachtkoppeling (B.S. 29 december 2006).
  • 78. De quota worden in art. 25, §3 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 van de Waalse regering tot bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen of warmtekrachtkoppeling vastgesteld.
  • 79. Door inlevering keren de groene certificaten terug naar de CWaPE. Ze worden vervolgens onbruikbaar gemaakt in de database.
  • 80. Per ontbrekend certificaat wordt een boete opgelegd van 100 euro (art. 30, besluit van 30 november 2006 van de Waalse regering tot bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen of warmtekrachtkoppeling).
  • 81. Art. 21, §2, besluit van 30 november 2006 van de Waalse regering tot bevordering van elektriciteitsopwekking uit hernieuwbare energiebronnen of warmtekrachtkoppeling.
  • 82. Art. 24, besluit van 30 maart 2006 van de Waalse regering betreffende de openbare dienstverplichtingen op de elektriciteitsmarkt.
  • 83. Art. 24ter, besluit van 30 maart 2006 van de Waalse regering betreffende de openbare dienstverplichtingen op de elektriciteitsmarkt.
  • 84. De prijs van het groene certificaat waarvoor de netbeheerder een aankoopverplichting opgelegd krijgt, wordt op 65 euro vastgelegd (art. 24quinquies, besluit van 30 maart 2006 van de Waalse regering betreffende de openbare dienstverplichtingen op de elektriciteitsmarkt).
  • 85. Ook wel de “Elektriciteitsordonnantie” genoemd, B.S. 17 november 2001.
  • 86. Het net met nominale spanning van 36 kV liggend op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (art. 2, 11°, Elektriciteitsordonnantie).
  • 87. De netten met een spanning lager dan 36 kV, liggend op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (art. 2, 12°, Elektriciteitsordonnantie).
  • 88. Het geheel van kabels en lijnen, alsook de aansluitingen, injectie-, transformator- en verdeelcabines, dispatching en installaties voor controle op afstand, alsmede alle daarbij horende installaties, die dienen voor het vervoer, het gewestelijk vervoer of de distributie van elektriciteit (art. 2, 9°, Elektriciteitsordonnantie).
  • 89. Art. 6, §1, Elektriciteitsordonnantie.
  • 90. Artikelen 3 tot en met 5, Elektriciteitsordonnantie.
  • 91. Reglement voor het beheer van het elektriciteitsdistributienet in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van de toegang ertoe, opgemaakt bij toepassing van art. 11 van de Elektriciteitsordonnantie, B.S. 13 juli 2006. Dit reglement bepaalt o.a. de minimale technische vereisten voor de aansluiting op het net, de voorwaarden voor toegang tot het net en de respectievelijke verantwoordelijkheden van de netbeheerders en van de gebruikers die aangesloten zijn op deze netten (art. 2, 22° en art. 9ter, Elektriciteitsordonnantie).
  • 92. Wie toegang krijgt tot het net kan zelf zijn leverancier kiezen.
  • 93. Elke natuurlijke of rechtspersoon die elektriciteit verkoopt (art. 2, 14°, Elektriciteitsordonnantie).
  • 94. Het betreft natuurlijke of rechtspersonen die elektriciteit produceren (art. 2, 4°, Elektriciteitsordonnantie).
  • 95. Art. 9bis, Elektriciteitsordonnantie.
  • 96. Art. 2, 17°, Elektriciteitsordonnantie.
  • 97. De op het net aangesloten afnemer die elektriciteit aankoopt voor hoofdzakelijk huishoudelijk gebruik en waarvan de factuur wordt opgemaakt op zijn eigen naam (art. 2, 29°, Elektriciteitsordonnantie).
  • 98. Elektriciteit voortgebracht door de volgende energiebronnen: hydraulische energie via installaties van minder dan 10MW, windenergie, zonne-energie, geothermische energie, biogas (en biomassa) (art. 2, 7°, Elektriciteitsordonnantie). Art. 33bis van de Elektriciteitsordonnantie voegt daaraan toe dat het elektriciteit betreft, opgewekt in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat een label van garantie van oorsprong krijgt (cfr. infra).
  • 99. Eindgebruikers die meer dan 10 GWh (gigawattuur) per jaar en per verbruikslocatie verbruiken, kwamen reeds in aanmerking vanaf 1 januari 2003. Iedere professionele afnemer kwam in aanmerking vanaf 1 juli 2004.
  • 100. Gecombineerde productie van warmte en elektriciteit (art. 2, 6°, Elektriciteitsordonnantie).
  • 101. Art. 2, 8°, Elektriciteitsordonnantie.
  • 102. Art. 2, besluit van 6 mei 2004 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering betreffende de promotie van groene elektriciteit en van kwaliteitswarmtekrachtkoppeling, B.S. 28 juni 2004.
  • 103. Opgericht door art. 30bis, §1, Elektriciteitsordonnantie.
  • 104. De voorwaarden zijn opgenomen in art. 14, §1, besluit van 6 mei 2004 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering betreffende de promotie van groene elektriciteit en van kwaliteitswarmtekrachtkoppeling, B.S. 28 juni 2004).
  • 105. Art. 20, besluit van 6 mei 2004 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering betreffende de promotie van groene elektriciteit en van kwaliteitswarmtekrachtkoppeling, B.S. 28 juni 2004).
  • 106. Aangezien de beperkte toekenning van groenestroomcertificaten aan producenten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest waren, in 2007, het merendeel van de aan BRUGEL ingeleverde groenestroomcertificaten Waalse groenestroomcertificaten.
  • 107. In het Brussels hoofdstedelijk Gewest werd het concept van “groene leverancier” uitgewerkt, zijnde een leverancier die een minimumhoeveelheid aan groene stroom levert aan de eindafnemers. Het aantal groenestroomcertificaten wordt berekend op basis van quota. Deze worden elk jaar bij besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering vastgesteld (art. 28, §2, Elektriciteitsordonnantie).
  • 108. Het bedrag van de boete voor het niet inleveren van de quotum groenestroomcertificaten werd voor 2007 en de volgende jaren vastgesteld op 100 euro per ontbrekend certificaat.
  • 109. Elke natuurlijke of rechtspersoon die groenestroomcertificaten wenst te kopen of te verkopen moet zich vooraf een rekening hebben laten toekennen in de gegevensbank.
  • 110. Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke regering van 6 mei 2004 betreffende de promotie van groene elektriciteit en kwaliteitswarmtekrachtkoppeling, B.S. 28 juni 2004.
  • 111. De regering bepaalt de criteria en de procedure voor de toekenning, de erkenning, de herziening en de intrekking van het certificaat van garantie van oorsprong.
  • 112. Met oog op de toewijziging van de ‘labels van garantie van oorsprong’, wordt onder hernieuwbare energiebronnen begrepen, de niet-fossiele energiebronnen zoals wind, zonne-energie, aardwarmte, golfenergie, getijdenenergie, waterkracht, biomassa, stortgas, rioolwaterzuiveringsgas en biogas (art. 11, besluit van 6 mei 2004 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering betreffende de promotie van groene elektriciteit en van kwaliteitswarmtekrachtkoppeling, B.S. 28 juni 2004).
  • 113. Art. 27, §1, Elektriciteitsordonnantie.
  • 114. BRUGEL berekent op basis van de door de leveranciers geleverde groene elektriciteit hoeveel labels van garantie van oorsprong haar jaarlijks moeten worden voorgelegd.
  • 115. Art. 12, §4, besluit van 6 mei 2004 van de Brusselse Hoofdstedelijke regering betreffende de promotie van groene elektriciteit en van kwaliteitswarmtekrachtkoppeling, B.S. 28 juni 2004.
  • 116. Wiens productie voldoet aan de voorwaarden tot toekenning van een label van garantie van oorsprong en, in voorkomend geval, tot toekenning van groenstroomcertificaten.
  • 117. Art. 27, §3, Elektriciteitsordornantie.
  • 118. Art. 24bis, 1°, Elektriciteitsordornantie.
  • 119. KB van 16.07.2002 betreffende de instelling van mechanismen voor de bevordering van elektriciteit opgewekt uit hernieuwbare energiebronnen (B.S. 23.08.2002).
  • 120. Federaal transmissienetbeheerder sinds 17 september 2002.
  • 121. C.B.N.-advies 179/1 (Augustus 2005)
  • 122. Enkel de boekhoudkundige verwerking van de groenestroomcertificaten wordt hier geïllustreerd. De boekhoudkundige behandeling van de warmtekrachtcertificaten alsook van de labels van garantie van oorsprong gebeurt op een gelijkaardige manier.
  • 123. De voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om certificaatgerechtigd te zijn, verschillen, zoals eerder uiteengezet in dit advies, tussen de drie gewesten onderling.
  • 124. C.B.N.-advies 179/1 Boekhoudkundige verwerking van broeikasgasemissierechten, 26 november 2008 (update).
  • 125. W. Geldhof & D. Hommez, Handel in schone en vuile lucht: groenestroomcertificaten en verhandelbare emissierechten vanuit kikvorsperspectief, TBH, 2004/8, oktober 2004, p. 831.
  • 126. P. Delaisse, V. Sepulchre & R. Winzsor, Kyoto, Climat et commerce de CO2 : fondements juridiques, économiques et stratégiques, Bruxelles, Kluwer, 2004, p. 153. In die zin kan ook worden verwezen naar de Beslissing nr. E.T.113.522 van 26 februari 2008 waarbij de btw-administratie heeft beslist om de verhandeling van groenestroom- en warmtekrachtcertificatenrechten vergelijkbaar te stellen met de verhandeling van licentierechten, waarop het normale belastingtarief van 21% van toepassing is. In het verleden was dat niet het geval omdat de certificaten werden beschouwd als verhandelbare waardepapieren (Beslissing nr. E.T. 110.775 van 28 februari 2006 voor de groenestroomcertificaten en Beslissing nr. E.T. 110.775/2 van 24 april 2006 voor de warmtekrachtcertificaten) dewelke voor de btw de vrijstelling genoten van art. 44, §3, 10° W.BTW. Vanaf 1 april 2008 wordt de verhandeling van groenestroom- en warmtekrachtcertificaten dus beschouwd als een dienst zoals bedoeld in art. 18, §1, tweede lid, 7° W.BTW.
  • 127. Deze rekening betreft een afzonderlijk gecreëerde rekening onder de Immateriële vaste activa en wordt in advies 179/1 m.b.t. de boekhoudkundige verwerking van broeikasgasemissierechten voorgesteld voor de opname van de toegewezen emissierechten.
  • 128. Onverminderd de toepassing van de artikelen 29, 57, 67, 69, 71, 73 en 77, wordt elk actiefbestanddeel gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen. Onder aanschaffingswaarde wordt verstaan: of de aanschaffingsprijs zoals bepaald in artikel 36, of de vervaardigingsprijs zoals bepaald in artikel 37, of de inbrengwaarde zoals bepaald in artikel 39 (art. 35 K.B. W.Venn. (art. 35 K.B. W.Venn.).
  • 129. De waarderingen moeten voldoen aan de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw (art. 32, K.B. W.Venn.).
  • 130. Volgens art. 45, K.B. W.Venn., wordt onder ‘afschrijvingen’ verstaan: de bedragen ten laste van de resultatenrekening genomen, met betrekking tot oprichtingskosten en tot immateriële en materiële vaste activa waarvan de gebruiksduur beperkt is, teneinde hetzij het bedrag van deze oprichtingskosten en van de eventueel geherwaardeerde aanschaffingskosten van deze vaste activa te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur, hetzij deze kosten ten laste te nemen op het ogenblik waarop zij worden aangegaan.
  • 131. Berekend op basis van de waarde van deze certificaten op inventarisdatum.