COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2009/9 - Boekhoudkundige gevolgen van de aanvaardingsplicht inzake afgedankte elektrische en elektronische apparaten

Advies van 11 maart 2009

  1. OVERZICHT RELEVANTE WETGEVING
    1. De Europese richtlijn
    2. De Belgische regionale wetgeving
      1. Het Vlaamse Gewest
      2. Het Waalse Gewest
      3. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
    3. De ‘milieubeleidsovereenkomsten’ in het Vlaamse Gewest en de ‘milieuovereenkomsten’ in het Waalse en Brussels Hoofdstedelijk Gewest
      1. Wetgeving
      2. Doelstellingen
      3. Beheersorganisme(n)
  2. HET VERVULLEN VAN DE AANVAARDINGSPLICHT DOOR INVOERDERS/PRODUCENTEN VAN AFGEDANKTE ELEKTRISCHE EN ELEKTRONISCHE APPARATUUR (AEEA): ANALYSE SYSTEEM
    1. Collectief of individueel
    2. Recupelbijdrage
      1. Bepaling bedrag van de Recupelbijdrage in het Vlaamse Gewest
      2. Bepaling bedrag van de Recupelbijdrage in het Waalse Gewest
      3. Bepaling bedrag van de Recupelbijdrage in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
    3. Vermelding van de Recupelbijdrage bij het op de markt brengen     van huishoudelijke en professionele EEA
      1. Het Vlaamse Gewest
      2. Het Waalse Gewest
      3. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
    4. Onderscheid tussen 2 types Recupelbijdragen
      1. De all-in bijdrage (voor huishoudelijke EEA)
      2. De administratieve bijdrage (voor niet-huishoudelijke EEA)
    5. Aangifte
    6. Facturatie op basis van de aangifte
    7. Mogelijkheid tot navordering
    8. Controle
      1. Het Vlaamse Gewest
      2. Het Waalse Gewest
      3. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
  3. BOEKHOUDKUNDIGE GEVOLGEN VAN DE AANVAARDINGSPLICHT
    1. Inleiding
    2. Relevante wetgeving
      1. K.B. 30 januari 2001 (Uitvoeringsbesluit W.Venn., hierna K.B. W.Venn. genoemd)
      2. Relevante adviezen Commissie voor Boekhoudkundige Normen
      3. IFRS/IAS
      4. Interpretatieve mededeling van de Europese Commissie, 98/C 16/04
      5. Relevante rechtspraak
    3. Boekhoudkundige verwerking bij de producent/invoerder
      1. Boekhoudkundige gevolgen van de aanvaardingsplicht bij de producent/invoerder van huishoudelijke EEA.  
      2. Boekhoudkundige gevolgen van de aanvaardingsplicht bij de producent/invoerder van professionele EEA op de markt gebracht uiterlijk op 13 augustus 2005
      3. Boekhoudkundige gevolgen van de aanvaardingsplicht bij de producent/invoerder van professionele EEA op de markt gebracht na 13 augustus 2005
    4. Boekhoudkundige verwerking bij de sectorbeheersorganismen
      1. Boekhoudkundige gevolgen voor de sectorbeheersorganismen voor huishoudelijke AEEA
      2. Boekhoudkundige gevolgen voor de sectorbeheersorganismen voor professionele AEEA op de markt gebracht uiterlijk op en na 13 augustus 2005
    5. Boekhoudkundige verwerking in hoofde van de distributieondernemingen

 

OVERZICHT RELEVANTE WETGEVING

De Europese richtlijn

De Richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende afgedankte elektrische en elektronische apparaten (AEEA1), zijnde de “WEEE2 Richtlijn”, werd aangenomen op 27 januari 20033, tevens de dag van de inwerkingtreding. De WEEE Richtlijn werd kort nadien gewijzigd door de Richtlijn 2003/108/EG4 voor wat de financiering van AEEA van andere dan particuliere huishoudens5 betreft.

De richtlijn is van toepassing op de elektrische en elektronische apparatuur die onder de in bijlage bij de richtlijn opgenomen categorieën vallen. De categorieën betreffen:
 

  1. Grote huishoudelijke apparaten;
  2. Kleine huishoudelijke apparaten;
  3. IT- en telecommunicatieapparatuur;
  4. Consumentenapparatuur;
  5. Verlichtingsapparatuur;
  6. Elektrisch en elektronisch gereedschap (uitgezonderd grote, niet-verplaatsbare industriële installaties);
  7. Speelgoed, ontspannings- en sportapparatuur;
  8. Medische hulpmiddelen (met uitzondering van alle geïmplanteerde en geïnfecteerde producten);
  9. Meet- en controle-instrumenten; en
  10. Automaten.

De richtlijn moest vóór 13 augustus 2004 in nationaal recht worden omgezet. De lidstaten dienden te zorgen voor een terugnamesysteem dat uiterlijk op 13 augustus 2005 in werking trad. De richtlijn werd in België omgezet in de wetgeving van de drie gewesten in 2004 en 2005 (cf. infra).

De WEEE Richtlijn maakt het onderscheid tussen:

  • AEEA van particuliere huishoudens en AEEA van andere gebruikers dan particuliere huishoudens enerzijds; en
  • historische AEEA uit apparatuur vóór 13 augustus 2005 op de markt gebracht (historical waste) en nieuwe AEEA uit apparatuur na 13 augustus 2005 op de markt gebracht (new waste) anderzijds.

Samenvattend wordt in volgende tabel weergegeven wie de kosten verbonden met de verwerking van AEEA van particuliere huishoudens en AEEA van andere gebruikers dan particuliere huishoudens draagt.

  AEEA van particuliere huishoudens AEEA van andere dan particuliere huishoudens
Op de markt gebracht uiterlijk op 13.08.2005 De verantwoordelijkheid voor de financiering van de kosten voor het beheer van AEEA berust bij een of meer systemen waaraan alle producenten die op de markt aanwezig zijn op het tijdstip waarop de betrokken kosten ontstaan, naar evenredigheid bijdragen, bijvoorbeeld naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de betrokken apparatuur (art. 8, WEEE Richtlijn). Indien de AEEA worden vervangen door nieuwe gelijkwaardige producten of door nieuwe producten met dezelfde functie worden de kosten gedragen door de producenten van deze producten (art. 9, WEEE Richtlijn).
Worden de AEEA niet vervangen, dan worden de kosten gedragen door de gebruikers6 (art. 9, 1, WEEE Richtlijn).

Producenten en andere gebruikers dan particuliere huishoudens kunnen onverminderd de bepalingen van deze richtlijn andere financieringsregelingen overeenkomen (art. 9, 2, WEEE Richtlijn).
Op de markt gebracht na 13.08.2005 De producenten voorzien in de financiering van de inzameling, verwerking, nuttige toepassing en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van hun eigen AEEA. Hij kan kiezen tussen collectieve en individuele regelingen (art. 8, WEEE Richtlijn).     De producenten voorzien in de financiering van de inzameling, verwerking, nuttige toepassing en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering van de AEEA (art. 9, 1, WEEE Richtlijn).

Producenten en andere gebruikers dan particuliere huishoudens kunnen onverminderd de bepalingen van deze richtlijn andere financieringsregelingen overeenkomen (art. 9, 2, WEEE Richtlijn).

Aangezien de Belgische aanvaardingsplicht reeds voor de Europese WEEE Richtlijn wettelijk was geregeld (bijvoorbeeld in het Vlaamse Gewest door het Afvalstoffendecreet, cf. infra), diende de regionale wetgeving door de komst van de Europese richtlijn te worden aangepast.

De Belgische regionale wetgeving

Het Vlaamse Gewest

In het Vlaamse Gewest is de aanvaardingsplicht o.a. gebaseerd op het Decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen7. Volgens art. 10 van het Afvalstoffendecreet, wijst de Vlaamse Regering de afvalstoffen8 (inclusief verpakkingen) aan, waarvoor, met het oog op hun nuttige toepassing of met het oog op hun doelmatige verwijdering, een aanvaardingsplicht geldt voor de eindverkoper, de tussenhandelaar en de producent9 of invoerder.

In artikel 3 van het afvalstoffendecreet worden de termen huishoudelijke afvalstoffen en bedrijfsafvalstoffen gedefinieerd die van toepassing zijn op de volledige keten van afvalpreventie, afvalinzameling tot en met de verwerking ervan. Huishoudelijke afvalstoffen betreffen afvalstoffen ontstaan door de normale werking van een particuliere huishouding en afvalstoffen die daarmee gelijkgesteld worden bij besluit van de Vlaamse Regering. Bedrijfsafvalstoffen betreffen afvalstoffen die ontstaan ten gevolge van een industriële, ambachtelijke of wetenschappelijke activiteit, evenals de afvalstoffen die daarmee gelijkgesteld worden bij besluit van de Vlaamse Regering.

Het uitvoeringsbesluit bij dit decreet, “Vlarea10", maakt de invoerders/producenten, de tussenhandelaars en de eindverkopers gezamenlijk verantwoordelijk voor de aanvaarding, de ontmanteling en de verwerking van o.a. AEEA (Vlarea I, Besluit Vlaamse Regering 17 december 199711). Dit uitvoeringsbesluit werd intussen opgeheven en vervangen door Vlarea II (Besluit van de Vlaamse Regering 5 december 200312), dat van kracht werd op 1 juni 200413.

In Vlarea II wordt de aanvaardingsplicht met betrekking tot AEEA specifiek behandeld in Hoofdstuk III, Afdeling V van het besluit. Er worden net zoals in de Europese richtlijn verschillende categorieën van EEA14 onderscheiden15:

1° Huishoudelijke en vergelijkbare apparaten:

  1. Grote huishoudelijke apparaten;
  2. Kleine huishoudelijke apparaten;
  3. IT- en telecommunicatieapparatuur;
  4. Consumentenapparatuur;
  5. Elektrisch en elektronisch tuingereedschap (uitgezonderd grote, niet-verplaatsbare industriële installaties);

2° Huishoudelijke en vergelijkbare apparaten (tenzij anders is gespecifieerd):

  1. Verlichtingsapparatuur en lampen;
  2. Ander elektrisch en elektronisch gereedschap (uitgezonderd grote, nietverplaatsbare industriële installaties);
  3. Speelgoed, apparatuur voor sport en ontspanning;
  4. Meet- en controle-instrumenten;

3° Andere apparatuur:

  1. Categorieën van apparaten, hierboven vermeld, die niet van huishoudelijke of vergelijkbare aard zijn;
  2. Medische hulpmiddelen (met uitzondering van alle geïmplanteerde en geïnfecteerde producten);
  3. Automaten.

De EEA bedoeld onder 3° worden beschouwd als zijnde professionele EEA, deze opgenomen onder 1° en 2° betreffen huishoudelijke EEA. Het is bij afdanking m.a.w. van belang te kijken naar de aard van het afgedankte product en niet wie het product afdankt. Zo zal een afgedankte deskcomputer steeds huishoudelijke EEA vormen, ongeacht of een particulier of een onderneming deze afdankt. Deze deskcomputer is dus steeds huishoudelijke AEEA, maar behoort tot de huishoudelijke afvalstoffen indien hij door een particulier wordt afgedankt of tot de bedrijfsafvalstoffen behoort indien hij door een onderneming wordt afgedankt. Dit betekent dat alle wettelijke verplichtingen met betrekking tot de inzameling, opslag en verwerking overeenkomstig hun respectievelijke catalogering als huishoudelijke dan wel als bedrijfsafvalstoffen dienen gevolgd te worden.

Het inzamelsysteem georganiseerd in opdracht van het beheersorganisme (cf. infra) houdt rekening met deze juridische bepalingen. Zo kan een huishouden gebruik maken van de voor de huishoudelijke AEEA voorbehouden inzamelkanalen: eindverkopers, containerparken voor huishoudelijke afvalstoffen en kringloopcentra. Een bedrijf kan voor de inzameling van huishoudelijke AEEA o.a. gebruik maken van eindverkopers, KMO-containerparken of indien het een grotere hoeveelheid huishoudelijke AEEA betreft een eenmalige ophaling laten uitvoeren door het beheersorganisme.

Voor professionele AEEA (bijvoorbeeld afdanking van een server door een onderneming) worden specifieke inzamelkanalen voorzien: o.a. eindverkopers en operatoren die een overeenkomst hebben gesloten met het beheersorganisme (cf. infra).

Artikel 10, § 2 van het afvalstoffendecreet stelt dat de aanvaardingsplicht voor de eindverkoper inhoudt dat hij, wanneer een consument een product aanschaft, verplicht is het overeenstemmend product waarvan de consument zich ontdoet, in ontvangst te nemen.

De tussenhandelaars zijn op hun beurt verplicht deze door de eindverkopers in ontvangst genomen afvalstoffen te aanvaarden, en dit in verhouding tot de door hen aan de eindverkopers gedane leveringen van producten.

De producenten of invoerders zijn verplicht de door de tussenhandelaars in ontvangst genomen afvalstoffen te aanvaarden en in te staan voor de nuttige toepassing of de verwijdering ervan, en dit in verhouding tot de door hen aan de eindverkopers of tussenhandelaars gedane leveringen van producten.

De Vlaamse regering wijst in het uitvoeringsbesluit bij dit Afvalstoffendecreet de afvalstoffen aan die de eindverkoper16, tussenhandelaar17 en producent18 gratis in ontvangst moeten nemen, zelfs wanneer deze consumenten geen vervangende producten aanschaffen (waaronder ook AEEA opgenomen in art. 3.5.1 van het uitvoeringsbesluit)19.

Voor huishoudelijke afvalstoffen geldt dat van de plicht tot gratis aanvaarding kan worden afgeweken in de milieubeleidsovereenkomst of in het individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan (cf. infra), indien de producenten de gratis inontvangstneming, ook als de consument geen vervangende producten aanschaft, organiseren op de containerparken of andere inzamelpunten met vergelijkbare geografische spreiding en dekking.

Voor bedrijfsafvalstoffen geldt dat van de plicht tot gratis aanvaarding kan worden afgeweken in de milieubeleidsovereenkomst of in het individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan (cf. infra) als de producenten de gratis inontvangstneming, ook als de consument geen vervangende producten aanschaft, organiseren op een wijze die rekening houdt met specificiteit van de producten en voldoende garanties biedt voor een milieuverantwoorde behandeling20.

De eindverkopers, tussenhandelaars, producenten en invoerders kunnen voor de nakoming van de aanvaardingsplicht op hun kosten een beroep doen op derden, onder de voorwaarden bepaald door de Vlaamse regering21. In die zin kunnen zij bijvoorbeeld gebruik maken van een of meerdere containerparken, kringloopcentra of van andere inzamelplaatsen op voorwaarde dat ze de kosten ten laste nemen voor de inzameling en scheiding in deze inrichtingen van de afvalstoffen onderworpen aan de aanvaardingsplicht22.

De eindverkoper moet in ieder geval op een duidelijk zichtbare plaats in elk van zijn verkooppunten een bericht aanbrengen waarop onder de titel “AANVAARDINGSPLICHT” is aangegeven op welke wijze de koper zicht kan ontdoen van zijn afgedankt product23. Ook bij verkoop buiten een verkoopsruimte moet de consument hierover geïnformeerd worden.

De wijze waarop aan de aanvaardingsplicht wordt voldaan wordt overeenkomstig art. 10, § 6, van het Afvalstoffendecreet vastgelegd in het uitvoeringsbesluit Vlarea II. Elke producent is verantwoordelijk voor de financiering van zijn aanvaardingsplicht. Hij kan voor de organisatie van die financiering kiezen tussen collectieve en individuele regelingen24:

  • ofwel een milieubeleidsovereenkomst (cf. infra), afgesloten overeenkomstig het decreet van 15 juni 1994 betreffende milieubeleidsovereenkomsten. Deze milieubeleidsovereenkomst wordt afgesloten door de overkoepelende representatieve organisaties van ondernemingen waarvan de producent, de eindverkoper en de tussenhandelaar lid is. In het kader van een milieubeleidsovereenkomst wordt een beheersorganisme opgericht dat de taken uitoefent van de representatieve organisaties. In België is dit Recupel VZW. In België treden de producenten in dergelijk geval toe tot het collectieve systeem (cf. infra);
  • ofwel een individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan dat door een producent/invoerder ter goedkeuring aan de OVAM wordt voorgelegd.

Hierna wordt weergegeven wie de financieringskost draagt van de aanvaardingsplicht voor huishoudelijke AEEA en professionele AEEA.

Voor wat de huishoudelijke EEA betreft die vanaf 1 juli 200125 werden op de markt gebracht is elke producent verantwoordelijk voor de financiering van zijn aanvaardingsplicht. De producent kan voor de organisatie van die financiering kiezen tussen de eerder beschreven collectieve regeling en een individuele regeling. De producenten, wanneer zij een product op de markt brengen, stellen een waarborg waaruit blijkt dat het beheer van de AEEA zal worden gefinancierd. De waarborg heeft betrekking op de financiering van de inzameling en verwerking voor dit product. Het kan de vorm hebben van een recyclingverzekering, geblokkeerde bankrekening of deelneming van de producent aan passende financiële regelingen voor de financiering van het beheer van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur (art. 3.5.1bis,  § 1, 1°, a) en c), Vlarea II).
De verantwoordelijkheid voor de financiering van de kosten voor het beheer26 van huishoudelijke AEEA afkomstig van apparatuur vóór 1 juli 2001 op de markt gebracht, berust bij een of meer systemen waaraan alle producenten die op de markt aanwezig zijn op het tijdstip waarop de betrokken kosten ontstaan, naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de betrokken apparatuur bijdragen (art. 3.5.1bis, § 1, 1°, b), Vlarea II)27.

Voor wat de professionele AEEA betreft kan hetzelfde onderscheid worden gemaakt zoals in de WEEE Richtlijn (historical waste versus new waste).

  Professionele AEEA
Op de markt gebracht uiterlijk op 13.08.2005 Voor de historische voorraad die wordt vervangen door nieuwe, gelijkaardige producten met dezelfde functie worden de kosten gedragen door de producenten van die nieuwe professionele EEA op het moment dat ze worden geleverd. Voor andere historische voorraad worden de kosten gedragen door de andere gebruikers dan particuliere huishoudens28 (art. 3.5.1bis, § 1, 2°, b), Vlarea II).
Op de markt gebracht na 13.08.2005 Elke producent is verantwoordelijk voor de financiering van de inzameling en de verwerking van de professionele AEEA (art. 3.5.1bis,  § 1, 2°, a), Vlarea II).

Het Waalse Gewest

In het Waalse Gewest is de aanvaardingsplicht voor AEEA gebaseerd op het Decreet van de Waalse Regering van 27 juni 1996 betreffende de afvalstoffen, laatst gewijzigd door het Decreet van 22 maart 200729.

Luidens art. 8bis, § 1 tot en met § 6 van het Decreet van 27 juni 1996, kan de regering de producenten een terugnameplicht opleggen voor goederen of afvalstoffen uit commercialisering of uit het gebruik voor eigen behoefte van goederen, grondstoffen of producten met het oog op de preventie, het hergebruik, de recycling, de nuttige toepassing en/of een aangepast beheer van die goederen of afvalstoffen en op de internalisering van het geheel of van een deel van de beheerskosten.

Onder terugnameplicht wordt verstaan de verplichting afvalpreventiemaatregelen te nemen en de onder de terugnameplicht vallende goederen of afvalstoffen terug te nemen, in te zamelen, te hergebruiken, te valoriseren, weg te werken of al deze handelingen te laten uitvoeren. Ze houdt de dekking van de desbetreffende kosten in, met inbegrip van de financiering van de kost van de audits en van de financiële controles opgelegd door de regering.
De regering bepaalt welke goederen of afvalstoffen onder de terugnameplicht vallen.

Het uitvoeringsbesluit van de Waalse Regering voert een aanvaardingsplicht in voor verschillende afvalsoorten met het oog op hun valorisatie of een beter beheer (25 april 200230, laatst gewijzigd door het Besluit van het Waalse Gewest van 10 maart 200531).

Artikel 4 van het uitvoeringsbesluit zegt dat, om de terugnameplicht na te komen, de producenten of invoerders:

  • ofwel zelf een beheersplan opmaken32;
  • ofwel een beroep doen op een erkende instelling om aan de terugname plicht te voldoen33;
  • ofwel met het Waalse Gewest een milieuovereenkomst sluiten waarin bijzondere modaliteiten voor de uitvoering en ten uitvoer leggen van hun verplichtingen vastliggen34. Door het afsluiten van een milieuovereenkomst drukken de producenten/invoerders de wens uit om hun terugnameplicht na te komen volgens de modaliteiten die ze het meest geschikt achten gezien de specificiteit van de afvalstoffen, zoals het geval is bij AEEA.

Art. 65 van het uitvoeringsbesluit stelt in § 1 dat de detailhandelaar al het door de consument ingeleverde afval van huishoudelijke AEEA gratis moet terugnemen indien de consument een gelijkaardig toestel (d.i. een toestel met dezelfde functies) aankoopt.  
De verdeler moet alle in ontvangst genomen huishoudelijke AEEA op eigen kosten, en op regelmatige basis terugnemen bij de detailhandelaars en inleveren bij de producent of invoerder.
De producent of invoerder (of de derde die in hun naam handelt) moet al het aangenomen huishoudelijke AEEA op eigen kosten en regelmatig inzamelen bij de verdelers of detailhandelaars en laten verwerken35 in een daartoe vergunde inrichting.

De omzetting van de Europese richtlijn inzake de financiering van AEEA is terug te vinden in art. 65bis, § 1 en 2, Besluit van de Waalse Regering 25 april 2002.

Samenvattend wordt in volgende tabel weergegeven wie de kosten verbonden met de verwerking van huishoudelijke en professionele AEEA draagt (tabel opgesteld op basis van het Decreet 27 juni 1996 en het Uitvoeringsbesluit 25 april 2002).
 

  Afval36 van huishoudelijke EEA Professionele AEEA
Op de markt gebracht uiterlijk op 13.08.2005 Indien de producent kan worden geïdentificeerd draagt hij de kosten van verwerking van de AEEA (art. 65, § 1).

Indien de producent van het AEEA niet kan worden geïdentificeerd, dragen de producenten gezamenlijk de kosten naar rata van de hoeveelheden die ze op de markt brengen37 (art. 65, § 2).    
De producenten voorzien in de financiering van de inzameling, verwerking, valorisatie en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering (art 65bis, § 1).
Op de markt gebracht na 13.08.2005 De producenten voorzien in de financiering van de inzameling, verwerking, valorisatie en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering (art 65bis, § 1).

De kosten voor het beheer38 van de afval van EEA worden gedragen door:
 
  • de producent/invoerder of een derde als zij wordt vervangen door een gelijkaardig product of door een product met dezelfde functies;
  • de gebruiker in de andere gevallen.
De producenten voorzien in de financiering van de inzameling, verwerking, valorisatie en milieuhygiënisch verantwoorde verwijdering (art. 65bis, § 1).

De kosten voor het beheer39 van de afval van EEA worden gedragen door:
 
  • de producent/invoerder of een derde als zij wordt vervangen door een gelijkaardig product of door een product met dezelfde functies;
  • de gebruiker in de andere gevallen.

Producenten, invoerders of derden die in hun naam handelen en andere gebruikers dan particuliere huishoudens kunnen andere financieringsregelingen overeenkomen.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

In het Brussels Hoofdstedelijke Gewest berust de juridische basis op de Ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad van 7 maart 1991 betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen (B.S. 23 april 1991) en uitgewerkt in het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 18 juli 2002 tot invoering van een terugnameplicht voor sommige afvalstoffen met het oog op hun nuttige toepassing of hun verwijdering (B.S. 27 september 2002), zoals laatst gewijzigd door het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 23 oktober 2008 (B.S. 28 november 2008).

Artikel 3 van eerder vermeld uitvoeringsbesluit stelt dat met het oog op de terugnameplicht:
 

  • de kleinhandelaar van de consument elk AEEA40 kosteloos moet terugnemen, op voorwaarde dat deze consument zich een vervangproduct aanschaft of zich aangeschaft had binnen maximum dertig kalenderdagen daarvoor bij die kleinhandelaar)41;
  • de verdeler op eigen kosten, regelmatig en ter plaatse, bij de kleinhandelaars alle in ontvangst genomen afvalstoffen moet terugnemen en ze bij de producent/invoerder moet inleveren;
  • de producent/invoerder42 regelmatig en op eigen kosten bij de verdelers of bij ontstentenis, bij de kleinhandelaars, alle aanvaarde afvalstoffen moet inzamelen en ze in een hiertoe vergunde inrichting moet laten verwerken.


Teneinde hun terugnameplicht na te komen, kunnen de producenten of de invoerders:
 

  • ofwel de terugnameplicht persoonlijk uitvoeren43;
  • of een beroep doen op een erkende organisatie om aan de terugnameplicht te voldoen44;
  • ofwel met het Gewest een milieuovereenkomst45 sluiten met de bedoeling vorm te geven aan de toepassingswijze van hun terugnameplicht m.b.t. de afvalstoffen afkomstig van het (de) product(en) dat (die) ze op de markt brengen46 (art. 4, Besluit Brusselse Hoofdstedelijke Regering 18 juli 2002).

De omzetting van de Europese richtlijn inzake de financiering van AEEA is terug te vinden in art. 35, § 1, Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering 18 juli 2002.

Samenvattend wordt in volgende tabel weergegeven wie de kosten verbonden met de verwerking van huishoudelijke en professionele AEEA draagt (tabel opgesteld op basis van het Ordonnantie van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad van 7 maart 1991 en het Uitvoeringsbesluit 18 juli 2002).
 

  Huishoudelijke EEA Professionele AEEA
Op de markt gebracht uiterlijk op 13.08.2005 Het beheer berust bij één of meer systemen waaraan alle producenten die op de markt aanwezig zijn op het tijdstip waarop de betrokken kosten ontstaat, naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de betrokken apparatuur bijdragen (art. 35, Besluit 18 juli 2002). De beheerskosten worden verzekerd:
 
  • door de producent/invoerder of derde wanneer de AEEA door een gelijkwaardig product of een product met dezelfde functies vervangen wordt47;
  • door de gebruiker in de andere gevallen (art. 35ter, Besluit 18 juli 2002).
Op de markt gebracht na 13.08.2005 De producent is verantwoordelijk voor de financiering van de inzameling vanaf de containerparken, de verdelers of de kleinhandelaars en voor de financiering van de verwerking van het afval van zijn eigen producten. Hij  kan voor de organisatie van de financiering kiezen tussen collectieve en individuele regelingen (art. 35, Besluit 18 juli 2002). De producent is verantwoordelijk voor de beheerskosten (art. 35ter, Besluit 18 juli 2002).

Producenten, invoerders of derden die in hun naam handelen en andere gebruikers dan particuliere huishoudens kunnen andere financieringsregelingen overeenkomen.

De ‘milieubeleidsovereenkomsten’ in het Vlaamse Gewest en de ‘milieuovereenkomsten’ in het Waalse en Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Wetgeving

Het Afvalstoffendecreet van de Vlaamse Regering van 2 juli 1981 voorziet in art. 9 dat de Vlaamse Regering om de doelstellingen inzake de voorkoming en het beheer van afvalstoffen te realiseren milieubeleidsovereenkomsten (de zogenaamde MBO’s of CE in het Frans voor Conventions Environnementales) kan afsluiten.

De definitie alsook de wijze waarop dergelijke overeenkomsten worden opgemaakt en bekendgemaakt worden geregeld in het Vlaams Decreet van 15 juni 1994.

Het Afvalstoffendecreet van het Waalse Gewest van 27 juni 1996 vermeldt in art. 8bis, § 3 dat om de terugnameplicht na te komen een milieuovereenkomsten kan worden uitgevoerd. De definitie en de wijze waarop deze overeenkomsten worden opgemaakt en bekendgemaakt worden behandeld in art. D82 e.v. van Boek I van het Milieuwetboek48..

Wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft voorziet art. 10,  § 3 van de Ordonnantie van 7 maart 1991 betreffende de preventie en het beheer van afvalstoffen (B.S. 23 april 1991) in het gebruik van milieuovereenkomsten. De bepalingen inzake de milieuovereenkomsten zelf worden geregeld door de Ordonnantie van 29 april 2004.

Doelstellingen

Een milieubeleidsovereenkomst (MBO) is een overeenkomst tussen een regionale overheid en een of meer overkoepelende, representatieve organisaties van ondernemingen, met als doel milieuverontreiniging te voorkomen, de gevolgen ervan te beperken of een doelmatig milieubeheer te bevorderen.

De milieuovereenkomst is een rechtsinstrument om de algemene basisregels alsook de beoogde doelstellingen inzake de aanvaardingsplicht vast te stellen in meer specifieke, aanvullende regels. Het betreft met andere woorden een beleidsinstrument waarmee de overheid in samenwerking met de beroepsorganisaties en hun leden bepaalde milieudoelstellingen trachten te bereiken.

Vooral inzake afvalstoffen werden reeds heel wat milieuovereenkomsten afgesloten. Begin 2001 hebben de drie regionale overheden en de federaties, vertegenwoordigers van invoerders en producenten, milieuovereenkomsten afgesloten voor de implementatie van éénzelfde terugnamesysteem voor AEEA van huishoudelijke oorsprong:
 

  • het Vlaamse Gewest (MBO, 26 januari 2001),
  • het Waalse Gewest (CE, 19 februari 2001), en
  • het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (CE, 19 februari 2001).

Deze overeenkomsten hebben een geldigheidstermijn van 5 jaar.

De eerste Vlaamse MBO trad in werking op 10 juni 2001 en eindigde op 10 juni 2006. Pas twee jaar later, op 4 juli 2008 werd voor AEEA het ontwerp van een nieuwe milieubeleidsovereenkomst principieel goedgekeurd door de Vlaamse regering, doch deze nieuwe overeenkomst werd nog niet gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad. De onderhandelingen daartoe verliepen moeizaam waardoor er op 8 juni 2006 een overgangsperiode door OVAM (cf. infra) werd goedgekeurd, om de rechtsonzekerheid in de overgangsperiode tussen de oude MBO en de nieuwe maximaal te beperken. De nieuwe MBO bouwt voort op de afspraken uit het verleden, maar bevat evenwel aangepaste afspraken voor de inzameling en verwerking alsook de financiering van huishoudelijke AEEA enerzijds en professionele AEEA anderzijds.

De Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM) werd opgericht bij Decreet van 2 juli 1981 (inzonderheid hoofdstuk IV). Bij decreet van 7 mei 2004 werd de OVAM omgevormd tot een intern verzelfstandigd agentschap met rechtspersoonlijkheid (IVA49): de Openbare Vlaamse Afvalstoffenmaatschappij (OVAM). Dit decreet is in werking getreden op 1 april 2006. Het Vlaamse afvalbeleid wordt gedragen door de Vlaamse minister van Leefmilieu. De OVAM staat in voor de voorbereiding en de uitvoering van dit beleid.
De Waalse tegenhanger van de OVAM is het OWD (l’Office Wallon des Déchets). Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is dit het BIM (Brussels Instituut voor Milieubeheer).

Beheersorganisme(n)

De MBO laat toe dat de terugnameplicht collectief als sector wordt georganiseerd. Er wordt hiervoor minstens één beheersorganisme opgericht dat instaat voor de uitvoering van de verplichtingen die worden opgelegd aan de individuele bedrijven in het kader van de aanvaardingsplicht en de milieubeleidsovereenkomsten.

Voor het Vlaamse Gewest vermeldt art. 7, § 1 e.v. van de Milieubeleidsovereenkomst in die zin: de organisaties die de fabrikanten en invoerders vertegenwoordigen, nemen het initiatief om één of meerdere beheersorganismen op te richten onder de vorm van een VZW. Het (de) beheersorganisme(n) zal (zullen) onder meer voorzien in:
 

  • de organisatie van de ophaling van afgedankte elektrische en elektronische apparatuur overeenkomstig de bepalingen van de milieubeleidsovereenkomst;
  • de organisatie van de verwerking van de ingezamelde afgedankte elektrische en elektronische apparatuur;
  • de informatievoorziening naar alle actoren betrokken bij de uitvoering van deze overeenkomst.

Het (de) beheersorganisme(n) streeft (streven) naar een zo groot mogelijke uniformiteit inzake administratie en logistiek. Over modaliteiten van de werking van de beheersorganismen wordt overleg gepleegd met alle betrokken partijen. Het beheersorganisme mag de toetreding van geen enkele onderneming of federatie weigeren waarop de in deze overeenkomst bedoelde aanvaardingsplicht van toepassing zou kunnen zijn, tenzij om ernstige redenen die naar behoren bij de OVAM worden verantwoord. De Raad van Beheer bestaat uit minstens 1 afgevaardigde van de distributie.
Het beheersorganisme verbindt er zich toe zijn doelstellingen in transparantie te bereiken. Hiertoe worden alle notulen van het (de) beheersorganisme(n) verstuurd naar de OVAM.

Voor de praktische uitvoering van het collectieve systeem voor aanvaarding van AEEA werden in België zeven sectorbeheersorganismen opgericht50. Deze VZW’s werden in het kielzog van de MBO’s opgericht om namens hun medecontracten in te staan voor de praktische uitvoering van die aanvaardingsplicht voor AEEA (de producenten treden in dat geval toe tot een collectief systeem). De producent sluit hiertoe een toetredingsovereenkomst af bij het beheersorganisme, naargelang het type van apparaten dat wordt verhandeld. De producenten/invoerders die geen Recupel toetredingsovereenkomst hebben ondertekend, moeten zelf een individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan opstellen en indienen bij de overheden van de drie regio’s51.

De zeven52 sectorbeheersorganismen, afhankelijk van de aard van EEA, zijn:
 

  • VZW BW-Rec (grote huishoudtoestellen): voor grote huishoudelijke apparaten, professioneel groot en klein witgoed en automaten;
  • VZW Recupel AV (audiovisuele toestellen): voor huishoudelijke en professionele audio-video apparaten;
  • VZW Recupel SDA (Small Domestic Appliances – kleine huishoudtoestellen): voor kleine huishoudelijke toestellen;
  • VZW Recupel ICT (informatie- en communicatiematerieel): voor Informatica-, telecommunicatie- en kantoorapparaten, professionele ICT-apparaten en automaten;
  • VZW Recupel ET&Garden (elektrisch tuingereedschap en ander elektrisch gereedschap: voor huishoudelijke en professionele elektrische en elektronische (tuin)gereedschappen;
  • VZW LightRec (verlichtingsapparatuur en gasontladingslampen opgericht door Havells Sylvania Belgium samen met de andere fabrikanten en importeurs van lichtbronnen en verlichtingsarmaturen): voor   Verlichtingsapparatuur en gasontladingslampen;
  • VZW MeLaRec (elektrische en elektronische medische hulpmiddelen en labapparatuur): voor huishoudelijke en professionele medische hulpmiddelen, laboratoriumapparatuur, sporttoestellen, thermostaten, test en meetapparatuur, bloedglucosemeters en rookmelders.

Deze 7 VZW’s samen met de overkoepelende representatieve organisaties van ondernemingen actief in de sector van EEA, zijn de grondleggers van de uitvoerende VZW Recupel. Producenten van EEA zijn lid van één of meerdere van deze sectorbeheersorganismen, naargelang de sectoren waarin ze actief zijn53.

De sectorbeheersorganismen bouwden de voorbije jaren grote reserves op uit de inkomsten van de milieubijdragen als provisie voor toekomstige inzamel- en verwerkingskosten voor de apparaten die vandaag op de markt komen. De nieuwe Vlaamse MBO tracht te zorgen voor meer transparantie bij de berekening van de milieubijdragen. Deze milieubijdragen dienen immers voor de inzameling en milieuverantwoorde verwerking van AEEA en niet voor de creatie van opbrengsten in de sector.

HET VERVULLEN VAN DE AANVAARDINGSPLICHT DOOR INVOERDERS/PRODUCENTEN VAN AFGEDANKTE ELEKTRISCHE EN ELEKTRONISCHE APPARATUUR (AEEA): ANALYSE SYSTEEM

Collectief of individueel

Producenten die in België elektrische en elektronische apparaten op de markt brengen zijn in het kader van de Europese54 c.q. regionale55 aanvaardingsplicht (cf. supra) verantwoordelijk voor de inzameling en verwerking van AEEA.

Voor de producenten/invoerders van EEA betekent dit dat ze verantwoordelijk zijn voor de terugname van AEEA en dat ze moeten toezien op de verwerking ervan.
Zij moeten de terugname en de milieuvriendelijke verwerking van deze apparaten organiseren en financieren. Dit kan zoals eerder vermeld individueel (in dat geval stelt de producent zelf een afvalpreventie- en afvalbeheerplan op) of door toe te treden tot een collectief systeem56.

Recupelbijdrage

Bepaling bedrag van de Recupelbijdrage in het Vlaamse Gewest

Luidens art. 8, § 1 van de Milieubeleidsovereenkomst 26 januari 200157 betaalt de producent/invoerder ter financiering van de activiteiten van het beheersorganisme, aan het beheersorganisme een milieubijdrage per apparaat bij het op de markt brengen van dit apparaat. Deze milieubijdrage kan verschillen per soort en per type van apparaat en per productcategorie. Het bedrag van deze milieubijdrage wordt bepaald door het beheersorganisme, rekening houdend met de vermoedelijke kosten voor ophaling en verwerking en met een reserve tegen het verkeerd inschatten van deze vermoedelijke kosten in de opstartfase. Het bedrag van de milieubijdrage kan worden aangepast op grond van de recycleerbaarheid van het product of de groep apparaten die op de markt worden gebracht.

De hoogte van de milieubijdrage moet voor advies aan OVAM worden voorgelegd.

Het beheersorganisme stelt een financieel plan op waaruit blijkt dat de voorgestelde milieubijdragen gerechtvaardigd zijn. Dit plan wordt voorgelegd aan OVAM die één maand de tijd heeft om advies uit te brengen58. Het bedrag van de milieubijdrage is jaarlijks herzienbaar. De herziene milieubijdragen worden uiterlijk zes maanden na het door OVAM uitgebrachte advies toegepast59.

De Recupelbijdragen kunnen worden geraadpleegd in de door Recupel VZW ter beschikking gestelde productenlijsten. In de huidige beschikbare lijsten werd ervoor geopteerd de bestaande indeling van de productenlijst per sector te vervangen door een indeling op basis van de categorieën vermeld in de WEEE Richtlijn.

De nieuwe milieubeleidsovereenkomst (voor zowel huishoudelijke als professionele AEEA)

De nieuwe milieubeleidsovereenkomst biedt meer informatie ten einde meer transparantie te verkrijgen in de berekening en de aanwending van de Recupelbijdragen.
 

  • Financiering huishoudelijke AEEA

Artikel 15 van de nieuwe milieubeleidsovereenkomst behandelt de milieubijdragen voor huishoudelijke AEEA. De producenten betalen ter financiering van de activiteiten van de beheersorganismen, aan de beheersorganismen een milieubijdrage per apparaat bij het op de markt brengen van dit apparaat. Deze milieubijdrage kan verschillen per soort en per type van apparaat en per productcategorie. Op deze wijze kiezen de producenten voor een collectieve regeling voor de organisatie van de financiering overeenkomstig de bepalingen van artikel 3.1.1.4, § 1, Vlarea II60.

Het bedrag van de milieubijdrage voor een bepaald referentiejaar zal bepaald worden door de beheersorganismen, rekening houdend met de kosten voor het beheer van de AEEA die ingezameld worden tijdens datzelfde referentiejaar, of een andere referentieperiode omschreven in een financieel plan. Het bedrag van de milieubijdrage en de constitutieve elementen ervan worden dan voor advies aan de OVAM voorgelegd.
Het jaarlijks financieel plan is een onderdeel van het beheersplan en omvat conform art. 15, § 2 (van de nieuwe milieubeleidsovereenkomst) volgende informatie:

  • een begroting voor de resterende duur van de milieubeleidsovereenkomst;
  • de berekening van de milieubijdrage voor een bepaald referentiejaar, die de reële kosten dekt van de verplichtingen van de beheersorganismen, verbonden aan het beheer van de AEEA die ingezameld worden tijdens hetzelfde referentiejaar, of een andere referentieperiode alhier omschreven, per type van apparaat;
  • de wijze waarop de inning gebeurt;
  • de gemotiveerde schatting van de uitgaven per onderdeel van het beheer van AEEA;
  • de financiering van de eventuele verliezen;
  • een bewijs van financiële zekerheid die overeenkomt met de geschatte kosten voor het overnemen door het Vlaamse Gewest van de aanvaardingsplicht gedurende zes maanden;
  • nastreven van dezelfde principes inzake financierings- en vergoedingsmodaliteiten in de drie gewesten behoudens afwijkende wettelijke bepalingen.

De beheersorganismen zorgen ervoor dat de milieubijdragen voor apparaten bestemd voor huishoudelijk gebruik enerzijds en apparaten bestemd voor professioneel gebruik anderzijds, alleen gebruikt wordt voor het beheer van de respectievelijke categorieën van apparaten.

Het bedrag van de milieubijdrage is, zoals ook werd bepaald in de MBO 26 januari 2001, jaarlijks herzienbaar. Voor huishoudelijke EEA worden de herziene bijdragen bij voorkeur op 1 juli en bij uitzondering op 3 januari van kracht. De herziene bijdragen worden zes maanden vóór inwerkingtreding bekendgemaakt aan de distributie. Rekening houdend met de motivaties opgesteld naar aanleiding van tariefwijzigingen, wordt in elk geval elke twee jaar een, door een bedrijfsrevisor goedgekeurde motivatie opgesteld over de financieringsbehoeften van de beheersorganismen. De bedrijfsrevisor moet eveneens controleren dat de aangelegde provisies voor de huishoudelijke apparaten niet oneigenlijk gebruikt worden voor professionele apparaten (art. 15, § 3).
Jaarlijks communiceren de beheersorganismen aan de overheid over de effectieve aanwending van de geïnde bedragen.

De Recupelbijdrage is bijgevolg geen taks of een andere bijzondere belasting, maar een bijdrage in de dienstverlening door het beheersorganisme in het kader van de aanvaardingsplicht voor AEEA. Het bedrag van de Recupelbijdrage is, zoals eerder vermeld, per apparaat terug te vinden in de productenlijst zoals ter beschikking gesteld door Recupel VZW.

De invoerders/producenten rekenen deze Recupelbijdrage meestal door aan hun klanten, de distributieondernemingen, waardoor de producenten/invoerders uiteindelijk niet zelf de last van de Recupelbijdrage dragen. Distributieondernemingen rekenen op hun beurt deze bijdrage door aan de eindconsument. Het is op die manier dus de eindgebruiker die de last draagt.
 

  • Financiering professionele AEEA

Artikel 16 van de nieuwe MBO behandelt de financiering van de professionele AEEA. De leden en de aangeslotenen betalen aan de beheersorganismen, ter financiering van de activiteiten van deze laatste, een milieubijdrage per apparaat bij het op de markt brengen van dit apparaat. Deze milieubijdrage kan verschillen per soort en per type van apparaat en per productcategorie. De constitutieve elementen van de vaststelling en de herziening van de bedoelde milieubijdrage worden aan de OVAM ter goedkeuring voorgelegd.

Bepaling bedrag van de Recupelbijdrage in het Waalse Gewest

De artikelen opgenomen in de Milieuovereenkomst van het Waalse Gewest 19 februari 2001 komen overeen met deze uit de Milieubeleidsovereenkomst van het Vlaamse Gewest.

De hoogte van de milieubijdrage moet voor het Waals Gewest worden voorgelegd aan het OWD (l’Office Wallon des Déchets). Het financieel plan moet in Wallonië worden voorgelegd aan het DGRNE (Direction générale des Ressources naturelles et de l'Environnement) die, net zoals OVAM in Vlaanderen, één maand de tijd heeft om advies uit te brengen.

Bepaling bedrag van de Recupelbijdrage in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

De artikelen opgenomen in de Milieuovereenkomst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 19 februari 2001 komen overeen met deze uit de Milieubeleidsovereenkomst van het Vlaamse Gewest.

De hoogte van de milieubijdrage alsook het financieel plan moet voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden voorgelegd aan het BIM.

Vermelding van de Recupelbijdrage bij het op de markt brengen     van huishoudelijke en professionele EEA61

Het Vlaamse Gewest

Art. 3.1.1.362, Vlarea II duidt aan dat het gedeelte van de kostprijs van een product dat wordt doorgerekend om de kosten te dekken die verbonden zijn aan de uitvoering van de aanvaardingsplicht, zichtbaar moet worden vermeld op de factuur, tenzij anders is bepaald in de milieubeleidsovereenkomst of het individueel afvalpreventie- en afvalbeheerplan.  In de milieubeleidsovereenkomst wordt vermeld dat de milieubijdrage bij verkoop van huishoudelijke EEA tussen handelaars in EEA steeds per apparaat of per groep van apparaten op de factuur wordt vermeld63.

In afwijking van hoger vermeld art. 3.1.1.3 wordt luidens art. 3.5.1bis, § 2 van het Vlarea II worden m.b.t. de huishoudelijke EEA bij verkoop van nieuwe producten de kosten van inzameling, milieuhygiënisch verantwoorde verwerking ten aanzien van de consumenten niet afzonderlijk aangetoond64. Producenten mogen gedurende een overgangsperiode  tot 13 februari 2013 voor grote huishoudelijke EEA en tot 13 februari 2011 voor alle andere EEA65 bij de verkoop van nieuwe producten de kosten van inzameling en milieuvriendelijke verwerking ten aanzien van de consument aantonen. De aangegeven kosten mogen in geen geval hoger zijn dan de reële kosten.

Voor professionele EEA mogen de producenten tijdens de overgangsperiode bij verkoop van nieuwe producten, op vrijwillige basis, ten aanzien van de consumenten de kosten van inzameling, verwerking en milieuvriendelijke verwijdering van de historische voorraad aantonen. Ook in dit geval mogen de aangegeven kosten niet hoger liggen dan de reële kosten.

In de praktijk komt het erop neer dat de invoerders/producenten de Recupelbijdrage bij verkoop aan de distributeur via een aparte lijn op de factuur vermelden. De distributeur rekent de bijdrage door aan de consument, de eindgebruiker. De distributeur moet op zijn beurt de consument duidelijk “informeren” over de hoogte van de bijdrage die hij betaalt. Hiertoe kan hij gebruik maken van een affiche die hij (vanaf 1 juli 2008) bij Recupel VZW kan aanvragen. De distributeur hoeft dus de Recupelbijdrage niet langer afzonderlijk te vermelden op de factuur bij verkoop aan de eindconsument.

Ook in zijn publicaties (folders, prijsetiketten, …) kan hij “Recupelbijdrage inbegrepen” noteren indien hij ervoor kiest om de Recupelbijdrage niet meer afzonderlijk te vermelden. De consument moet evenwel ten allen tijde geïnformeerd kunnen worden over de hoogte van de aangerekende Recupelbijdragen.

Het Waalse Gewest

Art. 66, § 2, Besluit Waalse Regering 25 april 2002 noteert de verplichting van de detailhandelaar tot vermelding van het totaalbedrag van de kosten inzake inzameling, beheer, verwerking en milieuvriendelijke verwijdering.
Ook hier mogen de vermelde kosten niet hoger liggen dan de reële kosten.

Deze verplichting tot vermelding van de globale kosten doet geen afbreuk doet aan het recht van de producenten/invoerders of derden die in hun naam handelen om zelf de kopers tot 13 februari 2011 afzonderlijk kennis te geven van die kosten.

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Het Besluit van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (18 juli 2002) vermeldt in art. 35bis dat de producenten of derden die in hun naam handelen de mogelijkheid hebben om tot 13 februari 2011 (tot 13 februari 2013 voor grote huishoudelijke EEA) bij verkoop van nieuwe producten de kosten van inzameling, verwerking en milieuvriendelijke verwijdering ten aanzien van de kopers aan te tonen.

Onderscheid tussen 2 types Recupelbijdragen

Sinds januari 2007 maakt Recupel VZW het onderscheid tussen twee types bijdragen: de all-in bijdrage voor de huishoudelijke AEEA enerzijds en de administratieve bijdrage voor de professionele AEEA anderzijds.

De all-in bijdrage (voor huishoudelijke EEA)

Een EEA is "huishoudelijk" zowel wanneer het bestemd is voor particuliere huishoudens als wanneer het bestemd is voor commercieel, industrieel, institutioneel en ander gebruik maar naar aard met een product bestemd voor particuliere huishoudens vergelijkbaar is66. Een computer gebruikt in de bureelruimten van een bedrijf is m.a.w. huishoudelijk EEA, maar bedrijfsafval. Huishoudelijke afvalstoffen ontstaan ten gevolge van de activiteiten van de normale werking van een particuliere huishouding.

De toetredingsovereenkomst die de producenten/invoerders afsluiten met de sectorbeheersorganismen bij toetreding tot het collectief systeem, vermeldt dat de all-in bijdragen enerzijds worden aangewend ter financiering van de inzameling, sortering, het transport en de verwerking van de huishoudelijke EEA die worden teruggebracht naar het containerpark, de winkel, de  kringloopcentra of de regionale overslagstations en anderzijds worden gebruikt ter financiering van de algemene werkingskosten van de sectorbeheersorganismen.

De all-in Recupelbijdragen kunnen worden geraadpleegd op de productenlijsten (cf. supra), opvraagbaar bij Recupel VZW. Om in overeenstemming te zijn met de technische evoluties, zowel op vlak van nieuwe producten als op vlak van verbeterde recyclageprocessen, worden deze Recupel productenlijsten periodiek geëvalueerd. De recentste lijsten dateren van 1 juli 2008. Voor het eerst sinds de opstart van Recupel VZW heeft dit evaluatieproces ook impact gehad op de structuur van de productenlijst. In het kader van de uniformisering binnen Europa werd ervoor geopteerd de bestaande indeling van de productenlijst per sector te vervangen door een indeling op basis van de categorieën vermeld in de WEEE Richtlijn.

De administratieve bijdrage (voor niet-huishoudelijke EEA)

Voor niet-huishoudelijke EEA, in de tekst verder als “professionele EEA” aangeduid, geldt in de Europese WEEE Richtlijn de producentenverantwoordelijkheid67, wat betekent dat producent/invoerder ertoe gehouden is een systeem in te voeren voor de terugname en verwerking van professionele AEEA. Voor de professionele AEEA ontwikkelde Recupel VZW een concept op maat dat rekening houdt met de eigen kenmerken van de professionele AEEA.

Na aansluiting en ondertekening van de toetredingsovereenkomst kan een “ontdoener van professionele AEEA”, ten gevolge van de aanvaardingsplicht zijnde de producent/invoerder, voor de ophaling en de verwerking van zijn afgedankte professionele apparatuur een beroep doen op een door Recupel aanvaarde operator68. De sectorbeheersorganismen brengen m.a.w. de producent/invoerders en de meest geschikte operator met elkaar in contact.

De sectorbeheersorganismes bieden in die zin een soort van “administratieve dienstverlening op maat” aan, zonder evenwel tussen te komen in de financiering, noch in de logistiek op het ogenblik dat het afgedankte toestel verwerkt wordt. Dit betekent dat de kosten voor terugname en verdere verwerking van professionele AEEA volledig ten laste van de producent/invoerder vallen.

De operatoren engageren zich op hun beurt om deze ophaling en verwerking van de professionele AEEA in optimale wijze te bewerkstelligen, d.i. met oog op een correcte depollutie en het verwezenlijken van recyclagedoeleinden. De kostprijs hiervan wordt genegocieerd tussen de producent/invoerder en de operator en valt zoals eerder vermeld volledig ten laste van de producent/invoerder. Deze kosten worden berekend op het moment dat het afgedankte toestel ter verwerking aan de operator aangeboden wordt. De producent/invoerder kan evenwel steeds, ter gelegenheid van de onderhandeling over de verkoopprijs van de professionele EEA, conventioneel overeenkomen met de gebruiker van de professionele EEA, dat deze laatste de toekomstige kosten van terugname en recyclage zal dragen.

De administratieve bijdrage betaald door de producent/invoerder bij verkoop van professionele EEA aan de sectorbeheersorganismen wordt aldus louter gebruikt om de administratieve dienstverlening van deze sectorbeheersorganismen te financieren. Ook al valt de administratieve bijdrage in principe ten laste van de producent/invoerder, in de praktijk zal deze vaak in de verkoopprijs aan de professionele gebruiker worden doorgerekend.

Aangifte

De producent/invoerder die is toegetreden tot het collectieve Recupelsysteem verbindt er zich toe om driemaandelijks (uiterlijk op de 20e dag na afloop van een trimester), op een wijze vastgesteld door het beheersorganisme, een volledige en correcte aangifte te doen van de in het voorgaande trimester op de markt gebrachte zowel huishoudelijke als professionele EEA. Op deze manier beschikken de sectorbeheersorganismen over de hoeveelheden EEA die de producenten/invoerders op de Belgische markt brengen (hetwelk Recupel VZW mogelijk maakt om het marktaandeel per producent/invoerder te bepalen), ingedeeld volgens de categorieën van de productenlijsten.

Op basis van deze informatie wordt het bedrag van de verschuldigde Recupel-bijdragen berekend en vervolgens gefactureerd aan de invoerder of producent.

Vóór 30 juni van elk jaar dient de producent/invoerder de correctheid te bevestigen van de door het sectorbeheersorganisme voorbereide jaarlijkse verzamelstaat. Deze jaarlijkse verzamelstaat is een samenvatting van de ingediende periodieke aangiften van het vorige kalenderjaar. Het sectorbeheersorganisme maakt daartoe jaarlijks vóór 30 april een model van verzamelstaat over aan de producent/invoerder.

Recupel VZW deelt deze informatie jaarlijks mee aan de toezichthoudende overheden69.

Voor de toestellen met een administratieve bijdrage wordt aan de producent/invoerder een retroactieve aangifte vanaf 1 juli 2005 gevraagd. Op die manier verzamelt Recupel VZW informatie over de op de markt gebracht professionele EEA vanaf deze datum. Het betreft hier een louter informatieve aangifte, de facturatie van de administratieve bijdrage startte pas vanaf de aangifte van januari 2007.

Facturatie op basis van de aangifte

Op basis van de periodieke aangifte berekenen de sectorbeheersorganismen het bedrag aan Recupelbijdragen die de invoerder/producent moet betalen en in voorkomend geval het bedrag aan Recupelbijdragen die het sectorbeheersorganisme moet terugbetalen. De facturatie (creditnota in geval van een teruggave70) gebeurt op het einde van de maand waarin deze aangifte werd ingediend.

Teruggaaf van all-in bijdragen kan onder bepaalde voorwaarden, uiteengezet in het Toetredingscontract. De invoerder/producent heeft het recht op teruggaaf van de Recupelbijdragen die hij, in hoedanigheid van tussenhandelaar of eindverkoper heeft betaald aan zijn leverancier bij de aankoop van EEA die hij nadien heeft geëxporteerd aan natuurlijke personen of rechtspersonen in het buitenland. Het recht op teruggaaf van de Recupelbijdrage ontstaat op het ogenblik van export van de EEA. Administratieve bijdragen kunnen in geen geval teruggevorderd worden.

Mogelijkheid tot navordering

Zoals eerder vermeld sluiten producenten/invoerders die toetreden tot het collectief systeem een toetredingsovereenkomst af met de sectorbeheersorganismen.

Luidens art. 4 van de algemene voorwaarden van de toetredingsovereenkomst behoudt het beheersorganisme zich het recht om een navordering te doen van Recupelbijdragen na afloop van een kalenderjaar. Deze navordering kan gebeuren indien en in de mate dat uit haar jaarrekening voor het betrokken kalenderjaar blijkt dat de Recupelbijdragen, de eventuele reserves en de vergoedingen ontvangen voor de dienstverlening niet volstaan om haar kosten gemaakt in het kader van de aanvaardingsplicht voor AEEA van een nader bepaalde productcategorie te dekken.

Deze vordering zal in voorkomend geval gebeuren uiterlijk voor 30 juni van het jaar volgend op het betrokken kalenderjaar en wordt verdeeld over de producenten/invoerders naar verhouding van de door de producent/invoerder op de markt gebracht apparaten.

Controle

Het Vlaamse Gewest

Artikel 1971 van de nieuwe milieubeleidsovereenkomst vermeldt dat het Vlaamse Gewest de strikte toepassing door alle actoren van de aanvaardingsplicht controleert en overtredingen verbaliseert. Het Vlaamse Gewest verbindt zich er toe om de vereiste controles te laten uitvoeren bij alle actoren. Deze taak wordt voor Vlaanderen uitgevoerd door OVAM die deze bevoegdheid ontleent aan het afvalstoffendecreet en de bijhorende uitvoeringsbesluiten.

Het Waalse Gewest

Voor het Waalse Gewest worden de controles uitgevoerd door l’Office Wallon des Déchets (OWD).

Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest

Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden de controles uitgevoerd door het Brussels Instituut voor Milieubeheer (BIM).

BOEKHOUDKUNDIGE GEVOLGEN VAN DE AANVAARDINGSPLICHT

Inleiding

De Commissie heeft op basis van bovenstaande analyse van het Recupelsysteem de boekhoudkundige gevolgen omschreven voor zowel de producent/invoerder, de distributieondernemingen alsook voor de sectorbeheersorganismen.

Uit bovenstaande analyse is gebleken dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de huishoudelijke en professionele AEEA.

Een analyse van de betrokken wetgeving inzake boekhoud- en jaarrekeningenrecht lijkt aangewezen.

Relevante wetgeving

K.B. 30 januari 2001 (Uitvoeringsbesluit W.Venn., hierna K.B. W.Venn. genoemd)

Art. 50, K.B. W.Venn. bepaalt dat voorzieningen worden aangelegd voor risico's en kosten ter dekking van naar hun aard duidelijk omschreven verliezen of kosten die op de balansdatum waarschijnlijk of zeker zijn, doch waarvan het bedrag niet vaststaat.

Krachtens artikel 33 K.B. W.Venn. wordt bij het opstellen van de jaarrekening “rekening gehouden met alle voorzienbare risico's, mogelijke verliezen en ontwaardingen, ontstaan tijdens het boekjaar waarop de jaarrekening betrekking heeft of tijdens voorgaande boekjaren, zelfs indien deze risico's, verliezen of ontwaardingen slechts gekend zijn tussen de balansdatum en het ogenblik waarop de jaarrekening door het bestuursorgaan van de vennootschap wordt opgesteld. In de gevallen waarin, bij gebreke aan objectieve beoordelingscriteria, de waardering van de voorzienbare risico's, de mogelijke verliezen en de ontwaardingen onvermijdelijk aleatoir is, wordt hiervan melding gemaakt in de toelichting, wanneer de betrokken bedragen rekening houdend met de doelstelling van artikel 24, eerste lid72, belangrijk zijn.

Er moet rekening worden gehouden met de kosten en de opbrengsten die betrekking hebben op het boekjaar of op voorgaande boekjaren, ongeacht de dag waarop deze kosten en opbrengsten worden betaald of geïnd, behalve indien de effectieve inning van deze opbrengsten onzeker is. Ten laste van het boekjaar moeten inzonderheid worden geboekt : het geraamde bedrag van de belastingen op het resultaat van het boekjaar of op het resultaat van vorige boekjaren, alsmede de bezoldigingen, uitkeringen en andere sociale voordelen die in de loop van een volgend boekjaar zullen worden betaald voor diensten die tijdens het boekjaar of tijdens vorige boekjaren zijn verricht.

Wanneer de opbrengsten of de kosten in belangrijke mate worden beïnvloed door opbrengsten of kosten die aan een ander boekjaar moeten worden toegerekend, wordt daarvan melding gemaakt in de toelichting.

Luidens art. 25, § 1, K.B. W.Venn. moet “de jaarrekening duidelijk worden opgesteld en stelselmatig weergeven, enerzijds, de aard en het bedrag, op de dag waarop het boekjaar wordt afgesloten, van de bezittingen en rechten van de vennootschap, van haar schulden en verplichtingen evenals van haar eigen middelen, en anderzijds, voor het op die dag afgesloten boekjaar, de aard en het bedrag van haar kosten en haar opbrengsten.

Relevante adviezen Commissie voor Boekhoudkundige Normen

Advies 107/7 Risico's en verliezen waarvan de waardering aleatoir is (Bulletin nr. 21 van C.B.N., januari 1988, p. 18-20)

De Commissie bepaalt in haar advies 107/7 dat de termen onvermijdelijk aleatoire waardering erop duiden dat de omvang van een wel omschreven, voorzienbaar risico of verlies niet alleen onzeker is, maar dat deze onzekere omvang bovendien volstrekt “onbepaalbaar” is bij gebreke aan objectieve beoordelingscriteria. Aangezien geen voorzieningen kunnen worden aangelegd voor voorzienbare of waarschijnlijke risico's of verliezen waarvan de grootte volstrekt onbepaalbaar is, is in dergelijke hypothese de onderneming ervan vrijgesteld een voorziening ten laste van de resultatenrekening te vormen, wat haar uiteraard niet ontslaat van een passende vermelding in de toelichting.

Toch wijst de Commissie erop dat, indien op balansdatum naar het oordeel van de bedrijfsleiding (met inachtneming van de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw), de waarschijnlijkheid van een bepaald risico vaststaat, doch tevens blijkt dat de waardering ervan een reeks bedragen oplevert, allen even aanvaardbaar, dit niet tot gevolg heeft dat de waardering van het voorzienbaar risico of verlies in dat geval “onvermijdelijk aleatoir” is zodat de onderneming ervan vrijgesteld zou zijn ook maar de minste voorziening te vormen en zich te mogen beperken tot een mededeling in de toelichting.

In zo'n geval is de Commissie integendeel van oordeel dat een voorziening moet worden gevormd ten minste ten belope van het kleinste geschatte bedrag. Aansluitend daarbij kan het aangewezen zijn - indien de betrokken bedragen belangrijk zijn - in de toelichting de aard van het betrokken risico evenals de mogelijkheid dat het verlies hoger kan uitvallen, te vermelden.

Advies 128/3 Bijkomende aanslag na balansdatum (Bulletin nr. 10 van C.B.N., april 1983, p. 12)

Het betreft hier de vraag hoe een betwiste fiscale aanslag betreffende vorige boekjaren moet worden geboekt wanneer de inkohiering van de belasting en de betekening van de aanslag plaatsvinden na de balansdatum.

Naar het oordeel van de Commissie moet terzake rekening worden gehouden met artikel 33, K.B. W.Venn. Daarin wordt bepaald dat alle risico's en verliezen betreffende het boekjaar of vorige boekjaren in aanmerking moeten worden genomen ook al zijn deze slechts gekend tussen de balansdatum en het tijdstip waarop de jaarrekening door het bestuur wordt opgemaakt. In casu kan er geen twijfel over bestaan dat het risico betrekking heeft op vorige boekjaren. Alle elementen voor de aanslag bestonden immers vóór het einde van het betrokken boekjaar, alsook het risico voor de bijkomende aanslag ook al was dit slechts gekend na die datum. De bestuurders zullen in dit geval met naleving van de beginselen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw een voorziening moeten vormen voor de fiscale schuld die effectief op het vermogen van de onderneming zal drukken.

Het is de raad van bestuur die oordeelt over het bedrag van de voorziening daarbij rekening houdend met de ingediende bezwaarschriften. Zo moet het bedrag van de voorziening niet gelijk zijn aan het bedrag van de aanslag maar moet het overeenstemmen met het geschatte bedrag van de kost die uiteindelijk op de onderneming zal drukken. Anderzijds moet worden onderstreept dat het indienen van een bezwaarschrift alleen niet volstaat om geen voorziening te vormen voor de belasting die waarschijnlijk zal moeten worden gedragen.

IFRS/IAS

IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa en IFRIC 6 Verplichtingen die voortvloeien uit deelnemingen aan een specifieke markt – afgedankte elektrische en elektronische apparatuur

Luidens IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa dient een voorziening te worden opgenomen indien een entiteit een bestaande (in rechte afdwingbare of feitelijke) verplichting heeft ten gevolge van een gebeurtenis in het verleden (IAS 37,14 (a)).

Volgens paragraaf 19 van dezelfde standaard worden voorzieningen alleen opgenomen voor “verplichtingen die voortvloeien uit gebeurtenissen uit het verleden en die onafhankelijk zijn van de toekomstige handelingen van een entiteit”.

De Europese WEEE Richtlijn heeft vragen doen rijzen over het tijdstip waarop de verplichting voor de afdanking van EEA moet worden opgenomen.

We maken in dit kader het onderscheid tussen ‘nieuw’ afval ontstaan uit producten verkocht na 13 augustus 2005 en een ‘historische’ voorraad: producten verkocht uiterlijk op 13 augustus 2005.

De richtlijn bepaalt dat de kosten van afvalbeheer voor de ‘historische’ voorraad moet worden gedragen door de producenten van deze apparatuur die gedurende een door de lidstaat te specifiëren periode (de metingsperiode) op de markt opereren. De lidstaat moet een mechanisme opzetten zodat producenten proportioneel in de kosten bijdragen, bijvoorbeeld naar evenredigheid van hun marktaandeel voor de betrokken apparatuur. Deze passus werd op gelijkaardige wijze in de Belgische regionale wetgeving opgenomen.

IFRIC 6 biedt een leidraad voor de wijze waarop uit verkopen van ‘historisch’ huishoudapparatuur voortvloeiende verplichtingen voor afvalbeheer in het kader van de Europese richtlijn betreffende AEEA in de jaarrekening van de producenten moet worden opgenomen. De IFRIC werd endorsed op 11 januari 2006 (P.B. EG, L24, 27 januari 2006, p. 1).

IFRC 6 handelt over ‘historical waste73’ van huishoudelijke AEEA. Paragraaf 7 stelt dat de interpretatie geen betrekking heeft op ‘nieuw’ afval, noch op afval afkomstig van professionele AEEA. De verplichting voor het beheer van dergelijk afval wordt geregeld in IAS 37. Indien ‘nieuw’ afval van particuliere huishoudens in de nationale wetgeving op vergelijkbare wijze wordt behandeld als ‘historisch afval’ van particuliere huishoudens, dan zijn de principes van deze interpretatie eveneens geldig.

IFRC 6 concludeert dat deelname aan de markt tijdens de metingsperiode de volgens paragraaf 14 (a) van IAS 37 (cf. surpa) tot een verplichting leidende gebeurtenis is (en dus niet de vervaardiging of verkoop van de historische huishoudapparatuur) (IFRIC 6, 9).

Dit heeft tot gevolg dat er geen verplichting voor kosten van het afvalbeheer met betrekking tot huishoudapparatuur verkocht vóór 13 augustus 2005 ontstaat wanneer de producten worden vervaardigd of verkocht. Doordat de verplichting voor huishoudapparatuur verkocht vóór 13 augustus 2005 samenhangt met deelneming aan de markt tijdens de metingsperiode, in plaats van met de vervaardiging of verkoop van de te verwijderen producten, bestaat er geen verplichting tenzij en totdat er tijdens de metingsperiode sprake is van een marktaandeel. Het tijdstip waarop de tot een verplichting leidende gebeurtenis plaatsvindt, kan ook los staan van de specifieke periode waarin de afvalbeheeractiviteiten worden uitgevoerd en de daarmee verband houdende kosten worden gemaakt.

IFRIC 6 stoelt op de vaststelling dat de verplichting in het kader van de aanvaardingsplicht voor historisch huishoudelijke AEEA duidelijk niet ontstaat bij het op de markt brengen van EEA, maar enkel indien men op het ogenblik van afdanking van de EEA nog deelneemt aan/speler is in de referentiemarkt en dit  in verhouding tot deze deelname.  

IAS 10 Gebeurtenissen na balansdatum

Volgens IAS 10 moet een entiteit de in haar jaarrekening opgenomen bedragen aanpassen om gebeurtenissen na de verslagperiode die leiden tot een aanpassing van de jaarrekening, weer te geven (IAS 10, 8).

Onder “gebeurtenissen na de verslagperiode” worden begrepen: zowel gunstige als ongunstige gebeurtenissen die plaatsvinden tussen het einde van de verslagperiode en de datum waarop de jaarrekening wordt goedgekeurd voor publicatie. Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen twee soorten gebeurtenissen.
 

  • gebeurtenissen die wijzen op omstandigheden die bestonden aan het eind van de verslagperiode (en die bijgevolg leiden tot een aanpassing van de jaarrekening); en
  • gebeurtenissen die wijzen op omstandigheden die zijn ontstaan na de verslagperiode (en die bijgevolg niet leiden tot een aanpassing van de jaarrekening) (IAS 10, 3)

De entiteit zal, om de informatie weer te geven die zij na de balansdatum verkrijgt omtrent de omstandigheden die bestonden aan het eind van de verslagperiode, de toelichting met betrekking tot deze omstandigheden moeten actualiseren (IAS 10,19).

Interpretatieve mededeling van de Europese Commissie, 98/C 16/0474

In een interpretatieve mededeling over de bepaalde artikelen van de Vierde en de Zevende Europese Richtlijn, verduidelijkte de Europese Commissie in verband met voorzieningen voor risico’s en kosten het volgende :

§ 18. "Voorzieningen als bedoeld in artikel 20, lid 175, dienen ter dekking van waarschijnlijke verliezen (op transacties die worden afgerekend) en waarschijnlijke verplichtingen. Het idee achter deze bepalingen is dat er een relatie met een derde bestaat (bij voorbeeld een leverings- of dienstverleningscontract, gerechtelijke procedures, enz.). Op grond van het algemene beginsel van artikel 31, lid 1, onder c) bb), moeten voorzieningen die aan deze voorwaarden voldoen, worden getroffen ongeacht het resultaat over het boekjaar. Het genoemde artikel verlangt dat rekening wordt gehouden met alle voorzienbare verplichtingen en mogelijke verliezen die in de loop van het betrokken boekjaar of een vorig boekjaar ontstaan, ook als deze verplichtingen en verliezen pas bekend worden tussen de balansdatum en de datum waarop de balans wordt opgesteld."

§ 20. “De algemene voorwaarden van artikel 20, lid 1, van de richtlijn zijn eveneens van toepassing op voorzieningen voor milieuverplichtingen en –risico’s. Als de lidstaten gebruik hebben gemaakt van de in artikel 20, lid 2, opgenomen keuzemogelijkheid, geldt deze ook voor milieulasten.”

§ 21. “Milieuverplichtingen en –risico’s die het gevolg zijn van transacties of gebeurtenissen in het verleden, mogen via een voorziening in de balans worden verantwoord, als:
 

  1. de onderneming wettelijk of contractueel verplicht is milieuschade te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken;

    of

     
  2. het bestuur van de onderneming zich ertoe verbonden heeft milieuschade te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Van een dergelijke verbintenis is bijvoorbeeld sprake als, op basis van verklaringen over zijn beleid of voorgenomen handelswijze, de praktijk in de bedrijfstak of verwachtingen bij het publiek, het bestuur van de onderneming weinig ruimte heeft om af te zien van maatregelen, of wanneer het bestuur heeft besloten milieuschade te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken en dit besluit intern, aan een ander orgaan van de onderneming, of extern bekend heeft gemaakt.”

Relevante rechtspraak

Arrest van het Hof van 14 september 1999 (vijfde kamer) inzake C-275/97: DE + ES Bauunternehmung GmbH tegen Finanzamt Bergheim76

Het Europees Hof van Justitie heeft op 14 september 1999 een arrest gewezen dat meer duidelijkheid brengt in de draagwijdte van art. 20 van de Vierde Richtlijn inzake boekhouding, met betrekking tot de aanlegging van voorzieningen voor risico’s en kosten.

Het betreft een onderneming die voor de haar toegewezen bouwopdrachten o.a. een beroep doet op onderaannemers. De onderneming wou een forfaitaire77 voorziening vormen voor de aan bepaalde opdrachten verbonden vrijwaringsrisico’s ter voldoening aan verplichtingen die rechtens voor de balansdatum waren ontstaan, maar waarvan de concrete aard en omvang pas later kwamen vast te staan.

Volgens het Hof van Justitie is het verplicht een voorziening voor risico’s aan te leggen ter voldoening aan verplichtingen die rechtens ontstaan vóór de balansdatum, maar waarvan de concrete aard en omvang pas na balansdatum komen vast te staan.

Voor al deze risico’s moet één enkele voorziening worden gevormd wanneer een forfaitaire waardering van deze voorziening het geschikte middel is om het getrouwe beeld van het bedrag van de uitgaven die aan de passiefzijde zullen worden opgenomen, te waarborgen.

Wat de waarderingscriteria en –methodes betreft inzake de voor risico’s en kosten aan te leggen voorziening, oordeelt het Hof dat, bij gebreke aan een specifieke communautaire regeling ter zake, deze voorzieningen moeten worden vastgesteld volgens de voorwaarden die de nationale reglementering van de betrokken vennootschap vastlegt, op voorwaarde evenwel dat de jaarrekening een getrouw beeld geeft van het vermogen, de financiële positie en ook van de resultaten van de vennootschap en dat het bedrag van de voorziening niet hoger is dan voor die vennootschap noodzakelijk.

Arrest van het Hof van 7 januari 2003 inzake C-306/99: Banque internationale pour l’Afrique occidentale SA (BIAO) tegen Finanzamt für Großunternehmen in Hamburg

BIAO had ten tijde van de feiten een bijkantoor te Hamburg, dat als kredietinstelling onder de benaming BIAO – Afrika Bank Niederlassung Hamburg actief was. Het bijkantoor was gespecialiseerd in kredieten aan ontwikkelingslanden en verwerkte deze activiteiten in zijn jaarrekening.

Het geding houdt verband met de bedrijfsbelasting die BIAO-Afrika Bank voor het boekjaar 1989 verschuldigd is. Dit bedrag hangt af van de correcte waardering van een voorziening voor mogelijke verliezen uit transacties die op balansdatum, namelijk 31 december 1989, nog liepen. Het betrof een voorziening voor mogelijke verliezen uit een subdeelneming van BIAO-Afrika Bank in het risico van niet-terugbetaling van een verleend krediet. Volgens het Finanzambt kon, zoals bij borgtocht, de opname aan de passiefzijde van een buiten de balans vallende verrichting, slechts in aanmerking worden genomen indien er wegens de te verwachten solvabiliteit van de hoofddebiteur een ernstige kans bestond dat er een beroep zou worden gedaan op de garantie.

Naar aanleiding van de zaak C-306/99 sluit volgens het Hof van Justitie de Vierde Richtlijn 78/660 niet uit dat, “op grond van artikel 20, lid 1, van deze richtlijn een voorziening voor mogelijke risico’s of verplichtingen uit een overeenkomstig artikel 1478 van deze richtlijn onder de balans vermelde verplichting aan de passiefzijde wordt opgenomen, mits het betrokken verlies of de betrokken verplichting op de balansdatum als “waarschijnlijk of vaststaand” kan worden aangemerkt.”

De Vierde Richtlijn sluit niet uit dat de meest geschikte waarderingsmethode ter verzekering van de eerbiediging van het voorzichtigheidsbeginsel en het beginsel van het getrouwe vermogensbeeld, bestaat in een waardering van alle relevante factoren in hun geheel beschouwd.

In omstandigheden zoals die van het hoofdbeding, noopt de aflossing van een krediet na de balansdatum (die de relevante datum is voor de waardering van de balansposten) niet tot een retroactieve herwaardering van een aan de passiefzijde van de balans opgenomen voorziening voor dit krediet. De eerbiediging van het beginsel van het getrouwe vermogensbeeld eist daarentegen wel dat de verdwijning van het door deze voorziening gedekte risico in de jaarrekening wordt vermeld.

Boekhoudkundige verwerking bij de producent/invoerder

Wat de boekhoudkundige verwerking betreft kan het onderscheid worden gemaakt tussen:
 

  • Enerzijds de aanvaardingsplicht inzake de afdanking van huishoudelijke EEA versus de aanvaardingsplicht met betrekking tot de afdanking van professionele EEA; en
  • Anderzijds de aanvaardingsplicht van professionele EEA uiterlijk op 13 augustus 2005 op de markt gebracht (historical waste) en professionele EEA na 13 augustus 2005 op de markt gebracht (new waste).

Onderstaande tekst behandelt de mogelijke boekhoudkundige gevolgen in elk van de geschetste situaties.

Boekhoudkundige gevolgen van de aanvaardingsplicht bij de producent/invoerder van huishoudelijke EEA.  

Strikt genomen is de regeling de volgende. De kosten van terugname en verwerking van huishoudelijke EEA op de markt gebracht vóór 1 juli 2001 worden door de producenten/invoerders gezamenlijk gedragen. De verantwoordelijkheid voor de financiering van deze kosten ligt dus bij de producenten/invoerders die op de markt aanwezig zijn op het tijdstip waarop de betrokken kosten ontstaan (m.a.w. op moment dat de consument het huishoudelijk AEEA inlevert). De producent/invoerder dient dan ook naar evenredigheid van zijn marktaandeel voor de betrokken apparatuur bij te dragen. De kosten van terugname en verwerking van na 1 juli 2001 op de markt gebrachte, huishoudelijke EEA worden door de producent/invoerder van het betrokken geproduceerde, ingevoerde apparaat zelf gedragen.

Zoals eerder vermeld is het praktisch moeilijk haalbaar de afgedankte huishoudelijke EEA te gaan scheiden afhankelijk of het apparaat vóór of na 1 juli 2001 werd op de markt gebracht.

Ingeval de producenten kiezen voor de collectieve regeling dragen zij door betaling van een all-in bijdrage bij het op de markt brengen van elk huishoudelijk EEA bij in de financiering van de activiteiten van de sectorbeheersorganismen (zijnde de financiering van de kosten van terugname en milieuvriendelijke verwerking van de huishoudelijke AEEA).

Aangezien dat in de praktijk, bij verkoop door de producent/invoerder aan de distributie, de Recupelbijdrage via een aparte lijn op de factuur wordt vermeld, wordt, bij de boekhoudkundige verwerking van deze verkoop, deze bijdrage via een subrekening van de rekening 700 Verkopen en dienstprestaties in resultaat genomen79.

Boeking van het op de markt brengen van huishoudelijke EEA en doorrekening van de Recupelbijdrage aan de distributie:

400 Handelsdebiteuren ...  
  Aan 700 Verkopen en dienstprestaties   ...
    70.. Bijdragen aanvaardingsplicht AEEA   ...
    451 Te betalen btw   ...

Na het indienen van de kwartaalaangifte ontvangt de producent/invoerder de factuur van het sectorbeheersorganisme.

61 Diensten en diverse goederen80 ...  
411 Terug te vorderen btw81 ...  
  Aan 440 Leveranciers   ...

Boeking van de doorstorting van de Recupelbijdrage na ontvangst van de factuur van het beheersorganisme:

440 Leveranciers  ...  
  Aan 55..0 Kredietinstellingen: rekening-courant   ...

Het lijkt de Commissie aangewezen dat de invoerders/producenten in de toelichting bij de jaarrekening melding maken van het feit dat ze bij het collectieve Recupelsysteem zijn aangesloten.

Bovendien dient opgemerkt dat  door het sectorbeheersorganisme een navordering kan gebeuren indien blijkt dat de door het sectorbeheersorganisme ontvangen bijdragen, eventuele reserves en  vergoedingen ontvangen voor de dienstverlening niet volstaan om de kosten gemaakt in het kader van de aanvaardingsplicht voor huishoudelijke AEEA van een nader bepaalde productcategorie te dekken. Het bedrag dat aan de producent zal worden aangerekend wordt desgevallend berekend op basis van zijn marktaandeel in het voorbije kalenderjaar.

Krachtens artikel 33, K.B. W.Venn. wordt bij het opstellen van de jaarrekening “rekening gehouden met alle voorzienbare risico's, mogelijke verliezen en ontwaardingen, ontstaan tijdens het boekjaar waarop de jaarrekening betrekking heeft of tijdens voorgaande boekjaren, zelfs indien deze risico's, verliezen of ontwaardingen slechts gekend zijn tussen de balansdatum en het ogenblik waarop de jaarrekening door het bestuursorgaan van de vennootschap wordt opgesteld. In de gevallen waarin, bij gebreke aan objectieve beoordelingscriteria, de waardering van de voorzienbare risico's, de mogelijke verliezen en de ontwaardingen onvermijdelijk aleatoir is, wordt hiervan melding gemaakt in de toelichting, wanneer de betrokken bedragen rekening houdend met de doelstelling van artikel 24, eerste lid82, belangrijk zijn.

In die zin zal de raad van bestuur van de producent /invoerder moeten oordelen of er op balansdatum is voldaan aan de voorwaarden voor het aanleggen van voorzieningen zoals bepaald in art. 50, K.B. W.Venn.

Aangezien de eventuele navordering door het sectorbeheersorganisme plaatsvindt na afloop van het betrokken kalenderjaar en vóór 30 juni van het daarop volgende kalenderjaar, kunnen twee situaties worden onderscheiden:
 

  • De navordering gebeurt na balansdatum maar vóór het ogenblik waarop de jaarrekening door het bestuursorgaan van de producent/invoerder wordt vastgesteld.

In dit geval ontstaat de kost van de navordering voor een bepaald kalenderjaar na balansdatum van de producent/invoerder. De Commissie is van oordeel dat, indien de navordering plaatsvindt vóór het ogenblik waarop de jaarrekening door het bestuursorgaan van de producent/invoerder wordt vastgesteld, en rekening houdende met art. 25, 33 en 50, K.B. W.Venn. en advies 174/1 Beginselen van een regelmatige boekhouding (Bull. CBN, nr. 38, februari 1997, blz. 1-32), dat, aangezien het bedrag van de navordering wordt vastgesteld door het sectorbeheersorganisme en aldus vaststaat, er geen sprake kan zijn van een “voorziening”, doch dat deze navordering aanleiding zal geven tot de opname en waardering van een kost enerzijds en een opname in de schulden op ten hoogste één jaar anderzijds.

Boeking in geval van navordering door het beheersorganisme na balansdatum:

61 Diensten en diverse goederen   ...  
  Aan 444 Te ontvangen facturen    ...
  • De navordering gebeurt na balansdatum en na het ogenblik waarop de jaarrekening door het bestuursorgaan van de producent/invoerder wordt vastgesteld.

Van zodra de raad van bestuur het waarschijnlijk of zeker acht dat er na vaststelling van de jaarrekening een navordering zal plaatsvinden, moeten er conform art 50, K.B. W.Venn. op balansdatum voorzieningen worden aangelegd “ter dekking van naar hun aard duidelijk omschreven verliezen of kosten die op balansdatum waarschijnlijk of zeker zijn, doch waarvan het bedrag niet vaststaat”.

In advies 107/7 wijst de Commissie er bovendien op dat, indien op balansdatum naar het oordeel van de raad van bestuur (met inachtneming van de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw), de waarschijnlijkheid van een bepaald risico vaststaat, doch wanneer eveneens blijkt dat de waardering van dit risico een reeks bedragen oplevert, allen even aanvaardbaar, dit niet tot gevolg heeft dat de waardering van het voorzienbaar risico of verlies “onvermijdelijk aleatoir” is en de onderneming bijgevolg vrijgesteld is een voorziening te vormen en zich mag beperken tot een mededeling in de toelichting.

De Commissie is bijgevolg van oordeel dat, van zodra de raad van bestuur het waarschijnlijk of zeker acht dat er na de vaststelling van de jaarrekening een navordering zal plaatsvinden, hiervoor een voorziening moet worden aangelegd.

Boeking van het aanleggen van de voorziening:

6370 Voorzieningen voor andere risico’s en kosten: toevoeging ...  
  Aan 163-165 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten    ...

In geval daadwerkelijk een navordering plaatsvindt zullen de kosten hiervan worden geboekt ten laste van het volgende boekjaar. De daartoe aangelegde voorziening wordt besteed.

Boeking van de facturatie van de navordering:

61 Diensten en diverse goederen83 ...  
411 Terug te vorderen btw ...  
  Aan 440 Leveranciers   ...

Boeking van de besteding van de voorziening:

163-165 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten ...  
  Aan 6371 Voorzieningen voor andere risico’s en kosten: besteding en terugneming (-)   ...

Vindt de navordering plaats na de vaststelling van de jaarrekening door de raad van bestuur maar vóór de goedkeuring ervan door de algemene vergadering, dan had, voor zover de raad van bestuur dit had ingecalculeerd bij de vaststelling van de jaarrekening, hiervoor reeds een voorziening moeten worden aangelegd.

Boekhoudkundige gevolgen van de aanvaardingsplicht bij de producent/invoerder van professionele EEA op de markt gebracht uiterlijk op 13 augustus 2005

Uit de Vlaamse regionale wetgeving blijkt dat voor wat betreft de professionele AEEA op de markt gebracht uiterlijk op 13 augustus 2005, in principe de eindgebruiker instaat voor de kosten van de terugname en verwerking. In deze situatie zal de producent/invoerder bijgevolg niet verantwoordelijk zijn voor de ontmanteling en verwerking van deze AEEA, tenzij dit anders was overeengekomen met de eindgebruiker.

Indien het apparaat evenwel wordt vervangen door een nieuw gelijkaardig product met dezelfde functie, zullen de kosten in principe niet worden gedragen door de eindgebruiker, maar door de producent van die nieuwe professionele EEA op moment dat het apparaat wordt geleverd. Ook in dit geval kan, tijdens de onderhandelingen die hebben geleid tot de verkoop van de professionele EEA, met de eindgebruiker zijn overeengekomen dat deze laatste de kosten van terugname en ontmanteling zal dragen.

In de situaties waarbij de producent/invoerder instaat voor de kosten van terugname en ontmanteling, zal door deze laatste bij het op de markt brengen van de betrokken EEA vanaf het moment van de invoering van de aanvaardingsplicht worden gestart met het aanleggen van een voorziening ten einde de geschatte toekomstige kosten die voortvloeien uit de latere terugname, te dekken84. De Commissie verwijst in die zin naar art. 50, K.B. W.Venn. dat stelt dat voorzieningen worden aangelegd voor risico's en kosten ter dekking van naar hun aard duidelijk omschreven verliezen of kosten die op de balansdatum waarschijnlijk of zeker zijn, doch waarvan het bedrag niet vaststaat.

Ook conform het eerder vermeld advies 107/7 wijst de Commissie er nogmaals op dat, in geval de waarschijnlijkheid van het risico vaststaat, zelfs wanneer zou blijken dat de waardering van dit risico een reeks van bedragen oplevert (allen even aanvaardbaar), dit niet tot gevolg heeft dat de waardering van het voorzienbaar risico of verlies “onvermijdelijk aleatoir” is en de onderneming bijgevolg vrijgesteld zou zijn een voorziening te vormen en zich mag beperken tot een mededeling in de toelichting.

Boeking van het aanleggen van de voorziening:

6370 Voorzieningen voor andere risico’s en kosten: toevoeging ...  
  Aan 163-165 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten    ...

Het bedrag waarvoor de voorzieningen worden aangelegd zal worden geraamd op basis van statistische gegevens uit het verleden. Deze voorzieningen mogen niet worden gehandhaafd in de mate waarin ze op het einde van het boekjaar hoger zijn dan wat vereist is volgens de actuele beoordeling, de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw, en van de risico’s en kosten waarvoor ze werden gevormd (art. 55, K.B. W.Venn. ).

Deze voorziening zal op moment van terugname en ontmanteling, dus op het moment dat de kosten werkelijk door de producent/invoerder worden gedragen, worden besteed.

Boeking van de kosten van terugname en ontmanteling:

61 Diensten en diverse goederen ...  
411 Terug te vorderen btw ...  
  Aan 440 Leveranciers   ...

Boeking van de besteding van de voorziening:

163-165 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten ...  
  Aan 6371 Voorzieningen voor andere risico’s en kosten: besteding en terugneming (-)   ...

Boekhoudkundige gevolgen van de aanvaardingsplicht bij de producent/invoerder van professionele EEA op de markt gebracht na 13 augustus 2005

Voor professionele EEA op de markt gebracht na 13 augustus 2005 geldt de producentenverantwoordelijkheid. Zoals eerder uiteengezet worden de kosten van terugname en verwerking van AEEA van niet huishoudelijke oorsprong gezien de producentenverantwoordelijkheid bijgevolg volledig gedragen door de producenten/invoerders85, tenzij de koper zich formeel akkoord heeft verklaard met de financiering van deze verplichting86. Op grond van art. 50, K.B. W.Venn. en het eerder verschenen advies 107/7 van de Commissie van Boekhoudkundige Normen zal in hiervoor een voorziening worden gevormd.

Boeking van de betaling van de administratieve bijdrage bij het op de markt brengen van professionele EEA door de producent/invoerder:

61 Diensten en diverse goederen ...  
411 Terug te vorderen btw ...  
  Aan 440 Leveranciers   ...

De producent/invoerder zal dan bij het op de markt brengen van de professionele EEA een voorziening aanleggen ter dekking van de geschatte kosten bij latere terugname en recyclage.

Boeking van het aanleggen van de voorziening:

6370 Voorzieningen voor andere risico’s en kosten: toevoeging ...  
  Aan 163-165 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten    ...

Op moment van terugname en verwerking van de AEEA van niet-huishoudelijke oorsprong worden de kosten verbonden aan de terugnameplicht ten laste genomen en de voorziening besteed.

Boeking van de kosten van terugname en verwerking:

61 Diensten en diverse goederen ...  
411 Terug te vorderen btw ...  
  Aan 440 Leveranciers   ...

Boeking van de besteding van de voorziening:

163-165 Voorzieningen voor overige risico’s en kosten ...  
  Aan 6371 Voorzieningen voor andere risico’s en kosten: besteding en terugneming (-)   ...

Boekhoudkundige verwerking bij de sectorbeheersorganismen

Wat de boekhoudkundige verwerking betreft kan het onderscheid worden gemaakt tussen:

  • Enerzijds de aanvaardingsplicht inzake de afdanking van huishoudelijke EEA versus de aanvaardingsplicht met betrekking tot de afdanking van professionele EEA; en
  • Anderzijds de aanvaardingsplicht van professionele EEA uiterlijk op 13 augustus 2005 op de markt gebracht (historical waste) en professionele EEA na 13 augustus 2005 op de markt gebracht (new waste).

Onderstaande tekst behandelt de mogelijke boekhoudkundige gevolgen in elk van de geschetste situaties.

Boekhoudkundige gevolgen voor de sectorbeheersorganismen voor huishoudelijke AEEA

De sectorbeheersorganismen staan in het collectieve systeem in voor de terugname en verwerking van AEEA van huishoudelijke aard. Zij rekenen daartoe all-in bijdragen aan aan de producent/invoerder bij het op de markt brengen van nieuwe huishoudelijke EEA. Op die manier worden de lasten met betrekking tot de terugname en verwerking van AEEA verdeeld over de producenten/invoerders a rato hun marktaandeel87.

Bij ontvangst worden de all-in Recupelbijdragen in opbrengst genomen.

Boeking van de facturatie van de all-in bijdragen aan de producent/invoerder:

400 Handelsdebiteuren ...  
  Aan 700 Verkopen en dienstprestaties   ...
    451 Te betalen btw   ...

Boeking van de ontvangst van de all-in bijdragen:

550 Kredietinstellingen: rekening-courant  ...  
  Aan 400 Handelsdebiteuren   ...

De kosten van terugname en ontmanteling worden gedragen wanneer zij zich voordoen.

Boeking van de kosten van terugname en verwerking:

603 Algemene onderaannemingen  ...  
411 Terug te vorderen btw  ...  
  Aan 440 Leveranciers     ...

Indien blijkt dat de door de sectorbeheersorganismen ontvangen bijdragen, de reserves en  vergoedingen ontvangen voor de dienstverlening niet volstaan om de kosten gemaakt in het kader van de aanvaardingsplicht voor AEEA van een nader bepaalde productcategorie te dekken kan door het sectorbeheersorganisme een navordering plaatsvinden. Om deze reden kan Recupel VZW geen voorziening aanleggen voor dit tekort aan middelen.

Deze navordering gebeurt na afsluitdatum88, doch voor 30 juni van het erop volgende kalenderjaar. Het bedrag van de navordering zal worden toegerekend aan de opbrengsten van de afgelopen boekjaar.

Boeking van de navordering door het sectorbeheersorganisme:

404 Te innen opbrengsten ...  
  Aan 700 Verkopen en dienstprestaties   ...

Boekhoudkundige gevolgen voor de sectorbeheersorganismen voor professionele AEEA op de markt gebracht uiterlijk op en na 13 augustus 2005

De lasten van terugname en milieuvriendelijke verwerking van professionele AEEA worden niet gedragen door de sectorbeheersorganismen. Het beheersorganisme staat in voor het in contact brengen van de producent/invoerder met de meest geschikte operator die de recyclage voor zijn rekening kan nemen. De producent/invoerder betaalt hiervoor (evenals voor diverse rapporteringsverplichtingen waaraan in het kader van de aanvaardingsplicht moet zijn voldaan en die het beheersorganisme voor zijn  rekening neemt), een administratieve bijdrage aan het sectorbeheersorganisme.

Boeking van de facturatie van de administratieve bijdragen aan de producent/invoerder:

400 Handelsdebiteuren ...  
  Aan 700 Verkopen en dienstprestaties   ...
    451 Te betalen btw   ...

Boeking van de ontvangst van de administratieve bijdragen:

550 Kredietinstellingen: rekening-courant  ...  
  Aan 400 Handelsdebiteuren   ...

Boekhoudkundige verwerking in hoofde van de distributieondernemingen

Zoals eerder vermeld worden de bijdragen die de producent/invoerders dienen te betalen aan de sectorbeheersorganismen (zowel de all-inbijdrage bij het op de markt brengen van huishoudelijke EEA als de administratieve bijdrage bij het op de markt brengen van professionele EEA) door de producent/invoerders meestal aangerekend aan de distributeur.

Deze bijdrage zal, in dergelijk geval, door de distributeur worden beschouwd als zijnde een “bijkomende kost” en, zoals gesteld door art. 36, K.B. W.Venn. deel uitmaken van de aanschaffingsprijs89.

Boeking bij het verwerven van de EEA door de distributeur:

604 Aankopen van handelsgoederen   ...  
411 Terug te vorderen btw  ...  
  Aan 440 Leveranciers     ...

Bij verkoop zal de distributeur de kost van deze bijdrage doorrekenen aan de eindgebruiker, de consument in geval van huishoudelijke EEA, de onderneming in geval van professionele EEA. De distributeur moet de koper informeren over de hoogte van de bijdrage die hij betaalt. Dit hoeft niet langer via een vermelding op de factuur (cf. supra). De Recupelbijdrage zal bijgevolg deel uitmaken van de verkoopprijs.

Boeking bij de verkoop van de EEA door de distributeur:

400 Handelsdebiteuren ...  
  Aan 700 Verkopen en dienstprestaties   ...
    451 Te betalen btw   ...

 

  • 1. Afgedankte elektrische en elektronische apparaten worden verder in de tekst als ‘AEEA’ afgekort, elektrische en elektronische apparaten als ‘EEA’.
  • 2. Waste of Electrical and Electronic Equipment.
  • 3. Gepubliceerd in het publicatieblad van de Europese Unie op 13 februari 2003.
  • 4. Gepubliceerd in het publicatieblad van de Europese Unie op 31 december 2003.
  • 5. Art. 3, Richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad: AEEA van particuliere huishoudens: AEEA die afkomstig is van particuliere huishoudens en van commerciële, industriële, institutionele en andere bronnen en die naar aard en hoeveelheid met die van particuliere huishoudens vergelijkbaar is.
  • 6. Zijnde de professionele gebruikers dus de ondernemingen.
  • 7. Zijnde het Afvalstoffendecreet (B.S. 25 juli 1981).
  • 8. Art. 2 van het Afvalstoffendecreet definieert afvalstoffen als elke stof of elk voorwerp waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen.
  • 9. Met producent wordt hier de afvalproducent bedoeld, zijnde elke natuurlijke persoon of rechtspersoon, wiens activiteit afvalstoffen heeft voortgebracht en/of elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die voorbehandelingen, vermengingen of andere bewerkingen heeft verricht die leiden tot wijziging in de aard of de samenstelling van die afvalstoffen (art. 2 van het Afvalstoffendecreet).
  • 10. Vlaams reglement inzake afvalvoorkoming en –beheer.
  • 11. B.S. 16 april 1998.
  • 12. B.S. 30 april 2004 laatst gewijzigd door Besluit Vlaamse Regering van 13 februari 2009 (B.S. 1 april 2009).
  • 13. Art. 10.4.1, Vlarea II.
  • 14. Art. 1.1.1, § 2, 28°, Vlarea II: elektrische en elektronische apparatuur: apparaten die elektrische stromen of elektronische velden nodig hebben om naar behoren te kunnen werken en apparaten voor het opwekken, overbrengen en meten van die stromen en velden, die onder één van de categorieën, vermeld in artikel 3.5.1, vallen en die bedoeld zijn voor gebruik met een spanning van maximaal 1 000 volt bij wisselstroom en 1 500 volt bij gelijkstroom. Daarin zijn ook alle onderdelen, subeenheden en verbruiksmaterialen begrepen die deel uitmaken van het product op het moment dat het wordt afgedankt. De volgende apparaten vallen niet onder deze definitie:
    a) apparaten die deel zijn van andere elektrische apparatuur;
    b) apparatuur die verband houdt met de bescherming van de wezenlijke belangen van de veiligheid van lidstaten, wapens, munitie en oorlogsmateriaal, tenzij het gaat om producten die niet specifiek voor militaire doeleinden zijn bestemd;
    c) grote, niet-verplaatsbare industriële installaties van elektrische en elektronische gereedschappen en tuingereedschappen.
  • 15. Art. 3.5.1, Vlarea II.
  • 16. Art. 1.1.1, 12°, Vlarea II: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die in het Vlaamse Gewest producten te koop aanbiedt aan de consument.
  • 17. Art. 1.1.1,11°, Vlarea II: iedere natuurlijk of rechtspersoon die producten verdeelt aan een of meerdere eindverkopers of andere tussenhandelaars in het Vlaamse Gewest.
  • 18. Art. 1.1.1, 9°, Vlarea II vermeldt dat, behoudens de definitie opgenomen in het afvalstoffendecreet, als producent wordt beschouwd: iedere natuurlijk of rechtspersoon die:
    - producten produceert, laat produceren, invoert of laat invoeren in het Vlaamse Gewest, al dan niet onder zijn eigen merk, en deze producten hetzij voor eigen gebruik bestemt, hetzij op de markt brengt of laat brengen in het Vlaamse Gewest ongeacht de gebruikte verkooptechniek;
    - onder zijn eigen merk producten wederverkoopt die door andere leveranciers zijn geproduceerd. Hierbij wordt de wederverkoper niet als producent aangemerkt wanneer het merk van de producent op het product zichtbaar is.
  • 19. Art. 3.1.1.2, § 2, Vlarea II.
  • 20. Art. 3.1.1.2, § 2, Vlarea II.
  • 21. Art. 10, § 5, Afvalstoffendecreet.
  • 22. Art. 3.1.1.2, § 4, Vlarea II.
  • 23. Art. 3.1.1.2, § 6, Vlarea II.
  • 24. Art. 3.1.1.2, § 5 en art. 3.1.1.4, Vlarea II.
  • 25. Dit is de datum waarop het beheersorganisme Recupel VZW officieel gestart is het haar werkzaamheden (twee jaar na de inwerkingtreding van Vlarea I).
  • 26. Beheer wordt omschreven als zijnde de inzameling, vervoer, de nuttige toepassing en verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen en de nazorg voor de stortplaatsen na sluiting (art. 2, Afvalstoffendecreet).
  • 27. Uit de praktijk blijkt dat er bij afdankingen van huishoudelijke EEA evenwel geen onderscheid wordt gemaakt tussen de huishoudelijke EEA op de markt gebracht voor en na 1 juli 2001.
  • 28. Producenten en andere gebruikers dan particuliere huishoudens kunnen evenwel steeds andere financieringsvormen overeenkomen.
  • 29. B.S. 24 april 2007.
  • 30. B.S. 18 juni 2002.
  • 31. B.S. 18 april 2005.
  • 32. De in het plan op te nemen gegevens en verbintenissen worden in artikel 15 e.v. van het betrokken besluit opgenomen.
  • 33. De voorwaarden voor erkenning worden opgenomen in art. 5 e.v. van het betrokken besluit. In België is deze erkende instelling Recupel VZW.
  • 34. De doelstelling en overige bepalingen met betrekking tot de milieuovereenkomst worden opgenomen in art. 19 e.v. van het betrokken uitvoeringsbesluit. De milieuovereenkomst voorziet in de oprichting van een VZW die kan worden belast met de opstelling van een beheersplan waarin wordt aangegeven hoe wordt voldaan aan de terugnameplicht. In België is deze vereniging Recupel VZW.
  • 35. opslaan, sorteren, valoriseren en recycleren.
  • 36. Art. 1, 18°, Besluit Waalse Regering 25 april 2002 verstaat onder afval van elektrische of elektronische toestellen: elektrische of elektronische apparatuur waarvan de houder zich ontdoet (daaronder worden begrepen: alle onderdelen, subeenheden en verbruiksmaterialen die deel uitmaken van het product op het moment dat het wordt afgedankt) .
  • 37. Art. 1, 7°, Besluit Waalse Regering 25 april 2002 verstaat onder op de markt brengen: terbeschikkingstelling, al dan niet tegen betaling, van een product vervaardigd of in het vrije verkeer gebracht in de Europese Gemeenschap, behalve als het bestemd is voor uitvoer.
  • 38. Kosten van inzameling, vervoer, nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen, alsmede het toezicht op de sites voor afvalverwijdering of nuttige toepassing en hun sanering na sluiting (Decreet 27 juni 1996 art.2, 8°).
  • 39. Kosten van inzameling, vervoer, nuttige toepassing of verwijdering van afvalstoffen, met inbegrip van het toezicht op die handelingen, alsmede het toezicht op de sites voor afvalverwijdering of nuttige toepassing en hun sanering na sluiting (Decreet 27 juni 1996 art.2, 8°).
  • 40. Besluit Brusselse Hoofdstedelijke Regering 18 juli 2002, art. 1, 11°: geeft een gelijkaardige definitie voor EEA als deze uit art. 1.1.1, § 2, 28° van het besluit Vlaamse Regering 5 december 2003..
  • 41. Voormelde voorwaarde is niet van toepassing bij de terugname van bepaalde producten zoals batterijen en vervallen geneesmiddelen.
  • 42. Art. 1, 2°, Besluit Brusselse Hoofdstedelijke Regering 18 juli 2002: Producent: elke natuurlijke of rechtspersoon die, ongeacht de gebruikte verkoopstechniek, zelfs verkoop op afstand, een product vervaardigt en verkoopt onder zijn eigen merk in het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest;
    - voor de toepassing van dit besluit wordt als een “producent” beschouwd de natuurlijk of rechtspersoon die onder zijn eigen merk apparatuur doorverkoopt die door andere leveranciers wordt geproduceerd;
    - de persoon die uitsluitend instaat voor de financiering krachtens of overeenkomstig een financieringsovereenkomst wordt niet als een “producent” beschouwd tenzij hij eveneens als producent in de zin van het eerste lid optreedt.
  • 43. Hij zal in dat geval een plan voor de preventie en het beheer van de afvalstoffen opmaken (art. 7, Besluit 18 juli 2002).
  • 44. Art. 11 e.v. Besluit 18 juli 2002 handelen over de erkenning van deze organisaties.
  • 45. De doelstelling en overige bepalingen met betrekking tot de milieuovereenkomst worden opgenomen in art. 15 e.v. Besluit 18 juli 2002. De milieuovereenkomst voorziet in de oprichting van een VZW ter sturing en coördinatie van de overeenkomst.
  • 46. Besluit Brusselse Hoofdstedelijke Regering 18 juli 2002, art. 1, 6°: op de markt brengen: terbeschikkingstelling van derden, kostenloos of tegen betaling, van een product dat in de Europese Gemeenschap wordt vervaardigd of in vrije omloop wordt gebracht, behalve indien het voor uitvoer is bestemd.
  • 47. Als alternatief kan de Regering bepalen dat andere gebruikers dan particuliere huishoudens geheel of gedeeltelijk deze kosten dragen.
  • 48. In de ‘Algemene en gemeenschappelijke bepalingen’. Decretale gedeelte van 27 mei 2004.
  • 49. Uitvoeringsgerichte diensten van de Vlaamse Gemeenschap die onder het gezag staan van de Vlaamse Regering en beschikken over operationele autonomie. Intern verzelfstandigde agentschappen ressorteren onder de rechtspersoonlijkheid van de Vlaamse Gemeenschap of beschikken over een eigen rechtspersoonlijkheid.
  • 50. Recupel VZW is de dienstenverlenende organisatie die o.a. zorgt voor de dialoog met de gewesten, de totstandkoming van de milieubeleidsovereenkomsten en de berekening van de hoogte van de Recupelbijdragen. In de raad van bestuur van Recupel VZW zetelen vertegenwoordigers van elk sectorbeheersorganisme.
  • 51. Het individueel vervullen van de aanvaardingsplicht komt in België slechts in beperkte mate voor.
  • 52. Oorspronkelijk waren er vier sectorbeheersorganismen, nu bestaan er zeven, met de toevoeging van een professioneel luik voor de sectoren BW-Rec, AV, ICT, ET&G en Melarec.
  • 53. Producenten/invoerders treden t.g.v. de ondertekening van de Toetredingsovereenkomst (cf. infra) toe tot het collectieve systeem.
  • 54. Art. 6, 1 Richtlijn 2002/96/EG.
  • 55. Art. 3.1.1.1, Vlarea II; art. 3, § 1 Besluit Waalse Regering 25 april 2002; art. 2, Besluit Brusselse Hoofdstedelijke Regering 18 juli 2002.
  • 56. Art. 3.1.1.4, § 1, Vlarea II; art. 4, Besluit Waalse Regering 25 april 2002; art. 4, Besluit Brusselse Hoofdstedelijke Regering 18 juli 2002.
  • 57. Behandelde enkel de huishoudelijke AEEA.
  • 58. Art. 8, § 2, MBO 26 januari 2001.
  • 59. Art. 8, § 3, MBO 26 januari 2001.
  • 60. Art. 3.1.1.4, § 1, Vlarea II behandelt de aanvaardingsplicht van AEEA.
  • 61. In de Richtlijn 2002/96/EG is onderstaande enkel van toepassing bij het op de markt brengen van huishoudelijke EEA. Voor de professionele EEA wordt i.v.m. de vermelding van de kosten van inzameling, verwerking en milieuvriendelijke verwijdering in de betrokken richtlijn niets opgenomen. In de wetgeving van het Vlaamse Gewest werd deze bepaling opgenomen onder art. 3.5.1bis, Vlarea II, dewelke van toepassing is op zowel de huishoudelijke als de professionele EEA.
  • 62. Art. 3.1.1.3, Vlarea II behandelt de algemene bepalingen van de aanvaardingsplicht.
  • 63. Art. 15, § 4, Milieubeleidsovereenkomst
  • 64. Dit staat ook zo in de Europese richtlijn. Met “afzonderlijk aangetoond” wordt volgens de Commissie bedoeld: het apart vermelden van de kosten van inzamelen enerzijds en de kosten van milieuhygiënisch verantwoorde verwerking anderzijds.
  • 65. Kleine huishoudelijke EEA.
  • 66. Cf. Toetredingsovereenkomst Recupel VZW. Noch in de richtlijn, noch in de regionale wetgeving wordt de term “huishoudelijk” gedefinieerd.
  • 67. Art. 6, 1, WEEE Richtlijn.
  • 68. Gespecialiseerd in de recyclage van professionele AEEA.
  • 69. Zoals wettelijk bepaald in de milieubeleidsovereenkomst van het Vlaamse Gewest en de milieuovereenkomsten van het Waalse en het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest.
  • 70. Recupel VZW stelt een creditnota op zodra het bedrag van 500 euro bereikt wordt. Indien het bedrag niet bereikt wordt zal op het einde van het kalenderjaar een creditnota worden opgesteld voor het gecumuleerde bedrag.
  • 71. Betreffende de verbintenissen van het gewest.
  • 72. De jaarrekening moet een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap.
  • 73. Vóór 13 augustus 2005 op de markt gebracht.
  • 74. PB, nr. C 16/5 van 20 januari 1998, §§ 18, 20 en 21.
  • 75. Vierde Richtlijn van de Raad betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen.
  • 76. PB, nr. C352 van 4 december 1999, p. 7 en de Interpretatieve mededeling van de Europese Commissie, 98/C 16/04, PB, nr. C 16/5 van 20 januari 1998, § 18.
  • 77. Begroot op 2 % van de omzet.
  • 78. Art. 14 Vierde Richtlijn: “Onder de balans of in de toelichting worden, voor zover zij niet aan de passiefzijde moeten worden opgenomen, duidelijk alle garantieverplichtingen vermeld, onderverdeeld naar de garantievormen die het nationale recht kent en met uitdrukkelijke opgave van de gestelde zakelijke zekerheden. Garantieverplichtingen jegens verbonden ondernemingen moeten afzonderlijk worden vermeld.”.
  • 79. In de btw-aangifte worden de bijdragen verwerkt als bij een prestatie van diensten. In de facturatie tussen de producent/invoerder en de distributie volgt het btw-tarief op de Recupelbijdrage het btw-tarief op het goed.
  • 80. In een antwoord op een Parlementaire vraag terzake (Vraag nr. 206 van mevrouw Pieters dd. 9 juli 2001, Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 91, blz. 10485-10487) wordt vermeld dat de bijdragen dienen te worden opgenomen op het rekeningnummer 64 Andere bedrijfskosten. Aangezien het, conform de wettelijke bepalingen, inmiddels niet langer een verplichting is de Recupelbijdragen afzonderlijk op de factuur te vermelden, kan, gezien het bijdragen betreffen in de dienstverlening van de sectorbeheersorganismen, worden gekozen voor een rekening uit de groep 61 Diensten en diverse goederen.
  • 81. De prestatie van het beheersorganisme vormt een dienst in de zin van artikel 18, § 1, tweede lid, 1°, van het BTW-Wetboek.
  • 82. De jaarrekening moet een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap.
  • 83. Het betreft een bijdrage in de dienstverlening van de beheersorganismen, vandaar dat werd gekozen voor een subrekening van de rekening 61 Diensten en diverse goederen.
  • 84. Indien de producent/invoerder daarentegen, in het kader van de onderhandelingen die hebben geleid tot de verkoop van de professionele EEA, met de eindgebruiker heeft afgesproken dat de eindgebruiker zal instaan voor de kosten van terugname en ontmanteling, zal door de producent/invoerder bijgevolg geen voorziening worden aangelegd.
  • 85. De betaalde administratieve bijdrage aan het sectorbeheersorganisme dekt de dienstverlening door het sectorbeheersorganisme waaronder het in contact brengen van de producent/invoerder met de meest geschikte operator, de rapporteringsverplichtingen inzake de aanvaardingsplicht, ...
  • 86. De financiering van de aanvaardingsplicht kan immers, zoals eerder in de tekst werd vermeld, in het kader van bijvoorbeeld de negociatie over de verkoopprijs van het professioneel EEA, worden overgedragen aan de koper.
  • 87. Zoals bij het repartitiestelsel.
  • 88. Het boekjaar van Recupel VZW loopt van 1 januari tot 31 december.
  • 89. Aangezien het inmiddels niet langer een verplichting is de Recupelbijdragen afzonderlijk op de factuur te vermelden, wordt, gezien de huidige wettelijke bepalingen terzake, afgeweken van het antwoord op een Parlementaire vraag terzake (Vraag nr. 206 van mevrouw Pieters dd. 9 juli 2001, Vr. en Antw., Kamer, 2000-2001, nr. 91, blz. 10485-10487).