COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN
CBN-advies 114/2 - Bezit van maatschappelijke rechten in verbonden ondernemingen of in ondernemingen waarmee een deelnemingsverhouding bestaat - Begrip deelneming

Aan de Commissie werd de vraag gesteld of het bezit van maatschappelijke rechten in een verbonden onderneming of in een onderneming waarmee een participatie-verhouding bestaat, moet worden beschouwd als een participatie die opgenomen wordt in de balansposten IV, A, 1 of IV, B, 1, ook al vertegenwoordigen deze maatschappelijke rechten minder dan 10 % van het kapitaal, van het maatschappelijk fonds of van een categorie aandelen van de betrokken vennootschap.

Schematisch ziet de concrete situatie die de Commissie voorgelegd werd er als volgt uit:

aze
De vraag heeft betrekking op het quotum van 2 % maatschappelijke rechten dat F2 in F1 bezit.

In haar antwoord heeft de Commissie allereerst de aandacht gevestigd op de concrete finaliteit van de bepalingen uit het besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot verbonden ondernemingen en ondernemingen waarmee een participatieverhouding bestaat. Deze bepalingen zijn bedoeld om de belangrijkste verhoudingen tussen de verslaggevende onderneming en de ondernemingen waarmee ze op een of andere wijze verbonden is, in de jaarrekening uit te drukken. In casu is het duidelijk dat de vennootschappen F1 en F2 verbonden ondernemingen zijn1

Uit de omschrijving van rubriek VIII - Thesauriebeleggingen - blijkt a contrario dat aandelen en deelbewijzen in een verbonden onderneming of in een onderneming waarmee een participatieverhouding bestaat, steeds onder de rubriek financiële vaste activa moeten opgenomen worden, tenzij het gaat om effecten die verworven werden of waarop ingetekend werd met het oog op wederafstand of waarvan beslist werd ze binnen twaalf maanden te vervreemden. 
Om uit te maken of in casu de maatschappelijke rechten die de onderneming F2 in F1 bezit en die minder dan 10 % van het kapitaal van F1 vertegenwoordigen, in de financiële vaste activa moeten opgenomen worden onder post A, 1 (B, 1) of integendeel onder C, 1, dient nagegaan of deze rechten als een «participatie» in de zin van het besluit kunnen beschouwd worden. 

In de bijlage bij het besluit van 8 oktober 1976 wordt het begrip «participatie» gedefinieerd als «de maatschappelijke rechten die in andere vennootschappen worden aangehouden om met deze laatste een duurzame band te scheppen, wanneer de bezitter medezeggingschap verkrijgt in die andere vennootschappen». Verder vermeldt het besluit een aantal gevallen waarin vermoed wordt dat maatschappelijke rechten in andere vennootschappen participaties zijn, tenzij het tegendeel wordt bewezen. 

In dat verband heeft de Commissie aangestipt dat de zogenaamde 10%-grens slechts een wettelijk weerlegbaar vermoeden is van het feit dat de onderneming die een dergelijk quotum in een andere onderneming bezit, met deze laatste op duurzame wijze wil verbonden zijn en medezeggenschap in die onderneming heeft verworven. Dit belang van 10 % is echter geen absolute voorwaarde om maatschappelijke rechten als een participatie te kwalificeren. Van essentieel belang daartoe is de vraag of deze rechten een duurzame band tussen de betrokken ondernemingen concretiseren en of ze medezeggenschap verschaffen2

In het betrokken geval heeft de Commissie geoordeeld dat de maatschappelijke rechten die F2 in F1 bezit als een participatie in de zin van het besluit moeten beschouwd worden. 

Het is immers duidelijk dat deze rechten op onrechtstreekse wijze deel uitmaken van de participatie die de moederonderneming bezit in F1. Aangezien F2 een zuivere filiale is van M, kan bezwaarlijk getwijfeld worden aan het duurzaam karakter van de binding tussen F2 en F1 en aan de medezeggenschap van F2, samen met M, in F1. Bovendien is het waarschijnlijk dat de rechten die F2 in F1 bezit, onderworpen zijn aan overeenkomsten of aan éénzijdige verbintenissen die de beschikking erover beperken. 

 

  • 1. Cfr. de definitie van de begrippen verbonden onderneming, filiale en sub-filiale in de bijlage bij het koninklijk besluit van 8 oktober 1976.
  • 2. Cfr. definitie participatie.