COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 2010/15 - Afschrijvingsmethoden

Advies van 6 oktober 2010

Inleiding

Bij de vaste activa worden die vermogensbestanddelen ingedeeld die bestemd zijn om duurzaam voor de bedrijfsuitoefening te worden gebruikt1. Men kan ook zeggen dat vaste activa worden gebruikt, waartegenover vlottende activa worden verbruikt. Vele vaste activa hebben echter een beperkte economische levensduur. Beperkte economische levensduur duidt op een tenietgaan in de tijd van het nut van het vast actief als ondernemingsmiddel. De daling van het nut wordt stelselmatig uitgedrukt via afschrijvingen. Afschrijvingen dienen om de kost van investeringen met beperkte levensduur gespreid ten laste te nemen.

Waarderingsregels

Algemeen

Voor de berekening van de afschrijvingskost moeten eerst de waarderingsregels bepaald worden2.
    
Artikel 28, § 1, eerste lid van het koninklijk besluit van 30 januari 2001 tot uitvoering van het Wetboek van Vennootschappen (hierna KB W.Venn.) vereist dat elke vennootschap de regels bepaalt die gelden voor de waardering van de inventaris en, onder meer, voor de vorming en de aanpassing van afschrijvingen. Deze waarderingsregels worden samengevat in de toelichting en zijn voldoende nauwkeurig zodat door de lezer van de jaarrekening inzicht wordt verkregen in de toegepaste waarderingsmethoden3.

Overeenkomstig artikel 45, eerste lid KB W.Venn. verstaat men onder “afschrijvingen” de bedragen ten laste van de resultatenrekening genomen, met betrekking tot oprichtingskosten en tot materiële en immateriële activa met een beperkte gebruiksduur, teneinde het bedrag van deze oprichtingskosten en van de (eventueel geherwaardeerde) aanschaffingskosten van deze vaste activa te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur. 

Op dit regime van bedrijfseconomisch verantwoorde afschrijvingen wordt echter door het KB W.Venn. zelf een uitzondering voorzien. Overeenkomstig de artikelen 61 en 64 KB W.Venn. mag voor de immateriële en materiële vaste activa immers een versneld afschrijvingsplan, overeenkomstig de fiscale bepalingen ter zake, toegepast worden4.

De afschrijvingen moeten voldoen aan de eisen van voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw en specifiek zijn voor de actiefbestanddelen waarop ze betrekking hebben5. Voor actiefbestanddelen met volkomen identieke technische of juridische kenmerken mogen echter globale afschrijvingen of waardeverminderingen geacteerd worden6.

Belangrijk is ook dat de afschrijvingen overeenkomstig artikel 48 KB W.Venn. stelselmatig moeten worden gevormd. Ze mogen niet afhangen van het resultaat van het boekjaar7

Oprichtingskosten

Onder de post oprichtingskosten worden de kosten vermeld die, voor zover zij niet op een andere wijze ten laste van de resultatenrekening van het lopende boekjaar worden gebracht, verbonden zijn met de oprichting, de verdere ontwikkeling of de herstructurering van de vennootschap, in het bijzonder de kosten van oprichting of kapitaalverhoging, de kosten bij uitgifte van leningen, en de herstructureringskosten8.

Voor de oprichtingskosten worden passende afschrijvingen geboekt, per jaarlijkse tranches van ten minste twintig percent van de werkelijk uitgegeven bedragen. De afschrijving van de kosten bij uitgifte van leningen mag echter gespreid worden over de looptijd van de leningen9.

Immateriële en materiële vaste activa met beperkte gebruiksduur

  • Gewone afschrijvingen

Immateriële vaste activa zijn ondernemingsmiddelen van onlichamelijke aard die voor de activiteit worden gebruikt en waaruit naar verwachting toekomstige economische voordelen naar de onderneming zullen vloeien.

Materiële vaste activa zijn activa die worden aangehouden voor gebruik in de productie of levering van goederen of diensten, voor verhuur aan derden of voor bestuurlijke doeleinden. Materiële vasta activa met een beperkte levensduur vertegenwoordigen als het ware een voorraad potentiële productieprestaties die over de tijd (meerdere boekjaren) langzaam opgebruikt wordt.

De waardedalingen van materiële en immateriële vaste activa met een beperkte levensduur worden uitgedrukt via afschrijvingen. Het KB W.Venn. bepaalt geen minimumafschrijvingsperiode, maar het schrijft wel voor dat indien de afschrijving van kosten voor onderzoek en ontwikkeling of van goodwill over meer dan vijf jaar gespreid wordt, dit moet verantwoord worden in de toelichting10.

De afschrijvingen dienen te gebeuren volgens een door het bestuursorgaan vastgesteld plan11.

Het bepalen van de afschrijvingskost vergt een aantal gegevens:

  • de af te schrijven waarde;
  • de geschatte beperkte economische levensduur van het actief;
  • het ritme van verbruik van de prestatievoorraad: gelijkmatig, degressief, progressief of pro rata (naargelang verbruik van prestatie-eenheden)12.

Wanneer echter blijkt dat het toegepaste afschrijvingsplan, wegens gewijzigde economische of technologische omstandigheden, een te snelle afschrijving tot gevolg heeft gehad, mogen de gewone afschrijvingen worden teruggenomen13. Deze terugneming dient in resultaat genomen te worden via de uitzonderlijke opbrengsten.
 

  • Aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen

Indien per inventarisdatum blijkt dat de boekwaarde van het vast actief hoger is dan de gebruikswaarde voor de vennootschap, dan moeten aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen geboekt worden14. Deze afschrijvingen worden geboekt onder de uitzonderlijke kosten.

Indien men evenwel merkt dat deze aanvullende afschrijvingen systematisch moeten gebeuren, moet men overwegen om het afschrijvingsplan in die mate te wijzigen dat de geboekte afschrijvingen beter aansluiten bij de economische levensduur van het goed. 

Bij het doorbreken van de continuïteit van de vennootschap, of voor de buiten gebruik gestelde of niet meer duurzaam tot de activiteit van de vennootschap bijdragende materiële vaste activa, wordt in voorkomend geval tot een uitzonderlijke afschrijving overgegaan om rekening te houden met de waarschijnlijke realisatiewaarde ervan15.

De aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen die niet langer verantwoord blijken, moeten worden teruggenomen en dit voor een bedrag dat gelijk is aan de voorheen geboekte aanvullende afschrijvingen16. Deze terugneming dient in resultaat genomen te worden via de uitzonderlijke opbrengsten.

Geherwaardeerde activa

Indien materiële vaste activa met beperkte levensduur geherwaardeerd worden, moet de geherwaardeerde waarde van het vast actief afgeschreven worden over de vermoedelijke restlevensduur17. Deze verhoogde afschrijvingen worden geboekt onder de bedrijfsresultaten.

De herwaarderingsmeerwaarde wordt bij de herwaardering rechtstreeks geboekt op de passiefrubriek “Herwaarderingsmeerwaarden”, maar mag overgeboekt worden naar de beschikbare reserves voor het afgeschreven gedeelte. Naar het oordeel van de Commissie is dergelijke overboeking aan te bevelen18.

Af te schrijven waarde

De af te schrijven waarde is overeenkomstig artikel 45 KB W.Venn. gelijk aan de (eventueel geherwaardeerde) aanschaffingswaarde19. Hoewel in het KB W.Venn. niet specifiek naar een restwaarde wordt verwezen, is het gebruik van een restwaarde voor de berekening van de af te schrijven waarde niet in strijd met het KB W.Venn., noch met de Vierde Richtlijn20.

De vraag werd gesteld of het afschrijvingsplan met betrekking tot een vast actief met beperkte gebruiksduur mag of moet toegepast blijven indien de “reële” waarde van het goed in kwestie, omwille van de muntontwaarding (inflatie) of van de evolutie van de marktomstandigheden, zijn boekhoudkundige waarde overtreft. 

Dit probleem rijst in hoofdzaak voor wat gebouwen betreft. De gebruiksduur van deze goederen is meestal erg lang, zodat het jaarlijks afschrijvingsbedrag procentueel uitgedrukt ten opzichte van de aanschaffingswaarde, relatief beperkt is. Tegelijkertijd is het mogelijk dat de muntontwaarding (inflatie), de toename van de bouwkosten en de evolutie van de immobiliënmarkt een sterkere groei van de waarde van het onroerend goed kunnen teweegbrengen, om het even of deze waarde beoordeeld wordt als een verkoop- of vervangingswaarde. Deze waarde kan bijgevolg niet alleen de boekhoudkundige waarde van het goed in kwestie overtreffen, maar eveneens zijn aanschaffingswaarde. 

Is het in dergelijke omstandigheden en waar het om activa gaat die op blijvende wijze tot de exploitatie van de onderneming bestemd werden, nog wel verplicht, of zelfs geoorloofd, om de geplande afschrijvingspolitiek te blijven volgen? 

Ter staving van een negatief antwoord op de hier gestelde vraag kan men inbrengen dat de voortzetting van de afschrijvingen zou leiden tot een onderwaardering, op de balans, van het goed in kwestie.

De Commissie is echter van oordeel dat het louter feit dat de verkoop- of vervangingswaarde van een vast actief met beperkte gebruiksduur zijn boekhoudkundige waarde zou overschrijden, de stopzetting van de afschrijvingspolitiek noch rechtvaardigt, noch mogelijk maakt. 

Met betrekking tot materiële vaste activa verwijst artikel 64 KB W.Venn. immers niet naar het begrip “waardevermindering”, doch wel naar het begrip “afschrijving”. Dit laatste is niet gebonden aan een idee van ontwaarding van de verkoopwaarde maar wel, volgens de bewoordingen zelf van artikel 45 KB W.Venn., aan een optiek van spreiding van de eventueel geherwaardeerde aanschaffingskosten van het goed over de waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur ervan. Artikel 64, § 1, tweede lid KB W.Venn. verwijst eveneens, met betrekking tot aanvullende of uitzonderlijke afschrijvingen, naar de gebruikswaarde van het goed voor de onderneming en niet naar de verkoopwaarde ervan. Met andere woorden, voor deze activa is de toename van de verkoopwaarde in principe vreemd aan de toepassing van de afschrijvingspolitiek. De afschrijvingspolitiek wordt beheerst door de waarschijnlijke economische levensduur van het actief voor de onderneming. Het is over deze duur dat de aanschaffingskosten gespreid moeten worden. 

De evolutie van de “waarde” van het goed in kwestie zou de afschrijvingspolitiek op basis van aanschaffingskosten slechts mogen beïnvloeden na een nieuwe bepaling van deze politiek, gericht op een herschatting van de waarschijnlijke economische gebruiksduur van het goed of van zijn restwaarde op het einde van die periode. 

Ten slotte, als de gebruikswaarde van het goed op blijvende wijze de waarde waarvoor het opgenomen is in de balans overtreft, zal de bezorgdheid om in de jaarrekening de werkelijke inhoud van het patrimonium van de onderneming tot uiting te brengen, uiteraard blijken uit een herwaardering hogergenoemd besluit verricht overeenkomstig artikel 57 KB W.Venn. 

Afschrijvingsperiode

Afschrijvingen verdelen de kosten van verwerving van het vast actief over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur, of nog de economische levensduur van het actief. Deze levensduur moet geschat worden. De nuttigheids- of gebruiksduur wordt beïnvloed door technische21 en economische22 slijtage.

Deze economische levensduur kan uitgedrukt worden in tijdseenheden, verbruikseenheden of een combinatie van beide:

  • de zuivere duurtijd: als basis voor de afschrijving geldt de gebruiksduur, uitgedrukt in een aantal jaren. De onderneming verwacht dat ze haar totale prestatievoorraad zal opgebruiken over een aantal jaren.
  • het zuiver kwantitatief gebruik: de prestatievoorraad van het actief wordt in kwantitatief meetbare eenheden weergegeven.
  • een combinatie van de tijd en het gebruik: enerzijds wordt de levensduur uitgedrukt in tijdseenheden, anderzijds in verbruikseenheden23.
     

Afschrijvingsmethoden24

Het KB W.Venn. beperkt zich tot het terrein van de algemene beginselen25. Het bevat geen eigenlijke regels met betrekking tot het ritme van de jaarlijkse afschrijvingen. 

Het afschrijvingsregime mag lineair zijn, degressief, of gebonden aan objectieve criteria zoals de gebruiksintensiteit van het goed of het volume van de productie. Al deze regimes zijn ten aanzien van het KB W.Venn. aanvaardbaar voor zover ze overeenstemmen met, ofwel de spreiding van de aanschaffingsprijs over de vermoedelijke economische levensduur van het vast actief, ofwel een fiscaal aanvaard systeem van versnelde afschrijvingen26.

Een actief kan ook worden opgedeeld in verschillende componenten, waarbij de componenten elk afzonderlijk afgeschreven worden over hun eigen economische levensduur.

De onderneming dient in de toelichting bij de jaarrekening een beschrijving te geven van de toegepaste afschrijvingsmethoden, vergezeld van een passende commentaar over de in cijfers uitgedrukte gevolgen van het afschrijvingsbeleid.

Lineaire afschrijvingsmethoden

Bij de lineaire afschrijvingsmethode schrijft men gelijkmatig naar tijd en/of gebruik af tijdens de afschrijvingsperiode. 

Volgens tijdseenheden 

Er wordt gelijkmatig naar de tijd afgeschreven. De afschrijvingsannuïteit is gelijk aan de af te schrijven waarde gedeeld door het aantal jaren dat het actief vermoedelijk zal gebruikt worden.

Voorbeeld
Een drukkerij koopt een drukpers voor 100.000 euro (aankoopprijs, inclusief alle bijkomende kosten). De economische levensduur van de drukpers wordt geraamd op 5 jaar. Het afschrijvingspercentage is bijgevolg gelijk aan 100/5=20. De lineaire afschrijvingsannuïteit bedraagt 20.000 euro.

Volgens bedrijfsdrukte 

  • Zuivere bedrijfsdrukte

Bij afschrijvingen volgens zuivere bedrijfsdrukte wordt de levensduur van het actief in verbruikseenheden uitgedrukt en wordt gelijkmatig naar het gebruik afgeschreven27. Door het totaal af te schrijven bedrag te delen door het totaal aantal prestaties (bv. totaal aantal machine-uren), bekomt men het afschrijvingstarief per prestatie-eenheid (bv. per machine-uur).

Voorbeeld

Een drukkerij koopt een drukpers voor 100.000 euro (aankoopprijs, inclusief alle bijkomende kosten). Men schat dat met deze drukpers 10.000.000 kranten kunnen gedrukt worden. De afschrijvingskost per krant bedraagt dan 100.000 / 10.000.000 = 0,01 euro. In jaar X worden 2.300.000 kranten gedrukt, bijgevolg moet er een afschrijving van 23.000 euro geboekt worden.
 

  • Gemengde bedrijfsdrukte 

De basis voor de afschrijvingen is dubbel bij deze afschrijvingsmethode. Het actief wordt gelijkmatig naar gebruik afgeschreven, voor zover dit gebruik leidt tot een afschrijving die hoger is dan het pro rata van het gebruik over de maximale duurtijd. Is het kwantitatief gebruik over een tijdsperiode lager dan dat pro rata, dan zal men de tijd als basis voor de afschrijving nemen. 

De afschrijvingsannuïteit is met andere woorden minstens gelijk aan de lineaire afschrijvingsannuïteit naar tijd.

Voorbeeld

Een drukkerij koopt een drukpers voor 100.000 euro (aankoopprijs, inclusief alle bijkomende kosten). De economische levensduur van de drukpers wordt geraamd op 5 jaar en men  schat dat met deze drukpers 10.000.000 kranten kunnen gedrukt worden. In jaar X worden 1.800.000 kranten gedrukt. Aangezien de afschrijving naar gebruik (18.000) kleiner is dan deze naar tijd (20.000), zal men de tijd als basis voor de afschrijving nemen en een afschrijving van 20.000 euro in resultaat nemen.

Boekhoudkundige degressieve afschrijvingsmethoden

Bij de degressieve afschrijvingsmethode dalen de afschrijvingskosten tijdens de afschrijvingsperiode. Het eerste gebruik veroorzaakt als het ware een grotere veroudering dan het latere gebruik. 

De degressieve afschrijvingsmethoden zijn boekhoudrechtelijk aanvaardbaar voor zover ze met de spreiding van de aanschaffingsprijs over de vermoedelijke levensduur van het actief overeenstemmen (of met een fiscaal aanvaard systeem van versnelde afschrijvingen28).

Voorbeeld

Een drukkerij koopt een drukpers voor 100.000 euro (aankoopprijs, inclusief alle bijkomende kosten). De economische levensduur van de drukpers wordt geraamd op 5 jaar. De onderneming beslist de drukpers af te schrijven op basis van een afnemend percentage van het totaal af te schrijven bedrag. Gedurende 5 jaar wordt respectievelijk 28%, 24%, 20%, 16% en 12 % van 100.000 afgeschreven.

Progressieve afschrijvingsmethoden

Bij de progressieve afschrijvingsmethode stijgen de afschrijvingskosten tijdens de afschrijvingsperiode.

De Commissie is van oordeel dat het uitwerken van een progressief afschrijvingsplan toelaatbaar is, voor zover dit plan in concreto verantwoord kan worden ten overstaan van de beginselen inzake voorzichtigheid, oprechtheid en goede trouw.

Voorbeeld

Een drukkerij koopt een drukpers voor 100.000 euro (aankoopprijs, inclusief alle bijkomende kosten). De economische levensduur van de drukpers wordt geraamd op 5 jaar. De onderneming beslist de drukpers af te schrijven op basis van een toenemend percentage van het totaal af te schrijven bedrag, aangezien ze naarmate de 5 jaar verstrijken een hogere benutting van de drukpers veronderstelt. Gedurende 5 jaar wordt respectievelijk 12%, 16%, 20%, 24% en 28% van 100.000 afgeschreven.

Versnelde (fiscaal aanvaarde) afschrijvingsmethoden

Ten tijde van de uitvaardiging van het koninklijk besluit van 8 oktober 197629, waren er twee gekende fiscale stelsels van versnelde afschrijvingen, meer bepaald de degressieve afschrijving30 en de dubbele lineaire afschrijving31. De tekst van artikel 28 van het KB van 8 oktober 1976 verwees echter niet uitdrukkelijk naar deze twee regimes. De tekst werd zeer algemeen opgesteld om de diverse technieken te kunnen omvatten van fiscaal aanvaarde versnelde afschrijvingen die in de fiscale reglementering opgenomen zouden kunnen worden32. Bijgevolg zijn alle fiscaal aanvaarde versnelde afschrijvingssystemen toegelaten op grond van de artikelen 61, § 1, eerste lid en 64, §1, eerste lid KB W.Venn33.

Wanneer de toepassing van een plan voor versnelde afschrijving met zich zou brengen dat aanzienlijk vlugger wordt afgeschreven dan economisch verantwoord, moet er in de toelichting melding gemaakt worden van het verschil tussen het gecumuleerd bedrag van de geboekte afschrijvingen en dat van de economisch verantwoorde afschrijvingen. Tevens moet de invloed worden aangegeven van de tijdens het boekjaar of tijdens vorige boekjaren geboekte versnelde afschrijvingen op het bedrag van de afschrijvingen in de resultatenrekening van het boekjaar34, in vergelijking met de economisch verantwoorde afschrijvingen.

Voorbeeld

Een drukkerij koopt een drukpers voor 100.000 euro (aankoopprijs, inclusief alle bijkomende kosten). De economische levensduur van de drukpers wordt geraamd op 5 jaar. De onderneming beslist de drukpers af te schrijven op basis van de fiscaal degressieve afschrijvingsmethode.
Het eerste jaar wordt 40 % van 100.000 afgeschreven; het tweede jaar wordt 40% van 60.000 (residuwaarde) afgeschreven; vanaf het derde jaar overtreft de degressieve afschrijving niet langer de lineaire afschrijvingsannuïteit en schakelt de drukkerij over op de lineaire afschrijvingsmethode (20.000); het vierde jaar wordt het saldo afgeschreven (16.000).

 

  • 1. Cf. artikel 15.2 van de Vierde Richtlijn
  • 2. Wat de waarderingsregels betreft, leest men in het Verslag aan de Konig bij het KB van 8 oktober 1976 (B.S. 19 oktober 1976) de volgende nuttige toelichting: “Op de eerste plaats worden de bestanddelen van het patrimonium beschouwd naar hun concrete finaliteit voor de onderneming, naar de continuïteit van hun besteding en, derhalve, meer in termen van economisch nut dan in termen van te realiseren waarden. De waarderingsregels van deze bestanddelen worden van deze finaliteit afhankelijk gesteld”.
  • 3. Artikel 28, § 1, tweede lid KB W.Venn.
  • 4. Cf. infra.
  • 5. Artikelen 46 en 47 KB W.Venn.
  • 6. Artikel 47 KB W.Venn.
  • 7. Door de invoering van deze regel maakte de wetgever een einde aan de voorheen gangbare, doch vanuit handelsrechtelijk oogpunt uiterst betwiste praktijk die erin bestond geen of minder afschrijvingen te boeken wanneer de boekhouding een verlies of slechts een geringe winst uitwees of ook wanneer de belastingplichtige nog aanzienlijke vorige verliezen had aan te zuiveren (L. VAN DEN HAUWE, “De afschrijving in het Belgisch fiscaal en boekhoudrecht. Enkele beschouwingen omtrent begrip en toepassingsvoorwaarden”, R.W. 1989-90, 866).
  • 8. Artikel 95 KB W.Venn.
    Herstructureringskosten mogen enkel geactiveerd worden onder bepaalde voorwaarden, zie artikel 58 KB W.Venn.
  • 9. Artikel 59 KB W.Venn.
  • 10. Artikel 61, § 1, vierde lid KB W.Venn.
  • 11. Art. 61, § 1, eerste lid en 64, § 1, eerste lid KB W.Venn.
  • 12. E. DE LEMBRE, Grondige studie van de jaarrekening naar Belgisch recht, Antwerpen, Intersentia, 2010, 366-367.
  • 13. Artikelen 61, § 1, derde lid en 64, § 1, derde lid KB W.Venn
  • 14. Artikelen 61, § 1, tweede lid en 64, § 1, tweede lid KB W.Venn.
  • 15. Artikelen 28, § 2, tweede lid, b en 65 KB W.Venn.
  • 16. Artikelen 61, § 1, derde lid en 64, § 1, derde lid KB W.Venn.
  • 17. Artikel 57, § 2 KB W.Venn.
  • 18. Advies 113/4 “Omzetting van herwaarderingsmeerwaarden in kapitaal”, Bull. CBN 1983, nr. 10, 8-9.
  • 19. Artikel 45 KB W.Venn bepaalt: “Onder afschrijvingen verstaat men de bedragen ten laste van de resultatenrekening genomen, met betrekking tot oprichtingskosten en tot materiële en immateriële activa met een beperkte gebruiksduur, teneinde het bedrag van deze oprichtingskosten en van de eventueel geherwaardeerde aanschaffingskosten van deze vaste activa te spreiden over hun waarschijnlijke nuttigheids- of gebruiksduur” (eigen cursivering).
  • 20. Interpretatieve mededeling over bepaalde artikelen van de Vierde en Zevende Richtlijn van de Raad betreffende de jaarrekening, Pb. C. 20 januari 1998, afl.16, 9, nr. 34.
  • 21. “Veroudering” door het gebruik.
  • 22. “Veroudering” door technologische ontwikkeling.
  • 23. E. DE LEMBRE, Grondige studie van de jaarrekening naar Belgisch recht, Antwerpen, Intersentia, 2010 , 366-367.
  • 24. De Commissie spreekt zich niet uit over de fiscale implicaties van deze afschrijvingsmethoden.
  • 25. Cf. Verslag aan de Koning bij het KB van 8 oktober 1976, B.S. 19 oktober 1976: “Het besluit stelt zich op het vlak van de algemene beginselen; de talrijke bijzondere gevallen, waartoe de diversiteit van de ondernemingen en hun verrichtingen evenals de omstandigheden aanleiding kunnen geven, worden er niet door geregeld”.
  • 26. Cf. advies 112/1 “Versnelde afschrijvingen”, Bull. CBN 1978, nr. 3, 15-20.
  • 27. Zie bijvoorbeeld advies 158/1 “Boekhoudkundige verwerking van de aankoop, afschrijving en ontginning in concessie van natuurlijke rijkdommen”, Bull. CBN 1988, nr. 23, 18-20.
  • 28. Cf. infra.
  • 29. Koninklijk besluit met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, B.S. 19 oktober 1976.
  • 30. Artikel 49 WIB 64 (cf. artikel 64 WIB 92). Voor de berekening van de degressieve afschrijving, zie art. 36 t.e.m. 38 KB WIB 92. Zie ook Com. IB1992, nrs. 61/155 – 61/201.
  • 31. De bijzondere stelsels van dubbele lineaire afschrijving zijn inmiddels voor het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest opgeheven door gewestelijke decreten. De opheffing van deze stelsels voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn daarentegen nog niet in werking getreden.
  • 32. Zie advies 112/1 “Versnelde afschrijvingen”, Bull. CBN 1978, nr. 3, 15-20.
  • 33. De artikelen 61, § 1 en 64, § 1 zijn namelijk geïnspireerd op artikel 28, § 2 KB van 8 oktober 1976.
  • 34. Artikel 61, § 1, eerste lid en artikel 64, § 1, eerste lid KB W.Venn.