COMMISSIE VOOR BOEKHOUDKUNDIGE NORMEN

CBN-advies 108/3 - Adviesbeleid van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen ten aanzien van individuele vragen om afwijking wegens verstoring van de mededingingsvoorwaarden

Deze bijdrage behandelt - na de aanpassing van de Belgische wetgeving aan de vereisten van de Vierde EEG-Richtlijn - het adviesbeleid dat de Commissie toepast ten aanzien van individuele afwijkingsverzoeken van ondernemingen die gemotiveerd zijn door ontwrichting of scheeftrekking in de mededingingsvoorwaarden. In de meeste gevallen komt dergelijke vraag om afwijking neer op een verzoek tot vrijstelling van publikatie van het omzetcijfer of op een verzoek tot vrijstelling van uitsplitsing van het omzetcijfer naar geografische markten en categorieën bedrijfsactiviteit1. Vermits kleine en middelgrote ondernemingen - die beantwoorden aan de omvangcriteria opgenomen in artikel 12, § 2 van de boekhoudwet - er niet toe verplicht zijn hun omzetcijfer openbaar te maken, zijn dergelijke verzoeken in hun geval niet dienstig.

Vragen om afwijking gemotiveerd door andere gronden2 blijven hier buiten beschouwing.

Het relatieve belang van deze vragen om afwijking wordt duidelijk wanneer bedacht wordt dat in de loop van 1985 op 34 ingediende vragen om afwijking er 12 betrekking hadden op de omzetpublikatie of de uitsplitsing van het omzetcijfer. Daarvan werden er 9 op gunstig advies van de Commissie door de Minister van Economische Zaken toegestaan. Deze cijfers moeten worden gerelateerd aan de zowat 15 000 grote ondernemingen die, gemeten naar de vroegere omvangcriteria bedoeld in artikel 12, § 2 van de boekhoudwet (40-80-50), als «groot» moesten worden aangemerkt.

De rechtsgrond voor het verlenen van individuele afwijkingen is artikel 15 van de boekhoudwet dat als volgt luidt : «De Minister van Economische Zaken kan in bijzondere gevallen, na een met redenen omkleed advies van de in artikel 14 vermelde Commissie, toestaan dat wordt afgeweken van de regels vastgesteld op grond van artikel 4, zesde lid, van artikel 7, vierde lid en van de artikelen 10, 11 en 12. Deze bevoegdheid wordt op dezelfde wijze door de Minister van Middenstand uitgeoefend ten aanzien van de ondernemingen bedoeld in artikel 12, § 2. De Commissie wordt in kennis gesteld van het besluit van de Minister.»

Hieruit vloeit voort dat:

  1. voor «grote» ondernemingen de Minister van Economische Zaken bevoegd is tot het verlenen van afwijkingen; voor kleine en middelgrote ondernemingen3 de Minister van Middenstand daartoe bevoegd is;
  2. slechts vrijstelling kan worden verleend van de toepassing van de bepalingen opgenomen in de uitvoeringsbesluiten van de wet en niet van bepalingen opgenomen in de wet zelf;
  3. in alle gevallen het gemotiveerd (niet bindend) advies van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen moet worden ingewonnen. Zulks is een substantieel vormvereiste. Dit advies is echter niet bindend voor de Minister.

INVLOED VAN DE VIERDE EEG-RICHTLIJN

Als gevolg van de aanpassing van het boekhoud- en jaarrekeningenrecht aan de Vierde EEG-Richtlijn4 zijn de mogelijkheden tot het verlenen van individuele afwijkingen ingeperkt geworden. De Minister van Economische Zaken respectievelijk Minister van Middenstand zouden supranationale regels schenden, mochten afwijkingen worden toegestaan die strijdig zijn met de bepalingen van de richtlijn5.

De gebruikte uitdrukking «strijdigheid met de vierde richtlijn» vergt evenwel nader onderzoek. Vooreerst is het evident dat de betrokken Ministers hun volle bevoegdheid behouden om vrijstelling te verlenen van de toepassing van normen die geen weergave zijn in het Belgisch recht van een Europeesrechtelijke verplichting. De verplichte naleving in België van een algemeen rekeningenstelsel bijvoorbeeld is géén Europeesrechtelijk vereiste. Het onderzoek van vragen om afwijking daaromtrent wordt dus in geen enkel opzicht beïnvloed door de inwerkingtreding van de vierde E.E.G.-richtlijn.

De problematiek is complexer wanneer ze precies slaat op normen die rechtstreeks voortvloeien uit de Vierde E.E.G.-richtlijn of op «nationale» normen die de supranationale normen vervolledigen of preciseren. Concreet rijst de vraag of in de relatief zeldzame gevallen waarin de Belgische wetgeving «strengere» verplichtingen oplegt aan de ondernemingen dan stricto sensu vereist wordt door de richtlijn, de betrokken Ministers de bevoegdheid behouden om van die strengere verplichtingen individuele vrijstellingen te verlenen. Het antwoord daarop is luidens de voorbereidende werken van de wet van 1 juli 1983 positief6.

Vanuit de hier gekozen optiek, i.e. de mogelijke concurrentieverstoring als gevolg van de omzetpublikatie, is de Belgische wetgeving in hoofdzaak veeleisender dan de Vierde EEG-Richtlijn, daar waar zij géén toepassing maakt van haar artikel 27 dat de Lid-Staten toestaat een categorie «middelgrote» ondernemingen te bepalen aan de hand van de volgende maximale omvangcriteria :

  • balanstotaal : ± 280 miljoen Belgische frank;
  • jaaromzet : ± 580 miljoen Belgische frank;
  • gemiddeld personeelsbestand : 250.

De richtlijn staat de Lid-Staten toe te bepalen dat deze ondernemingen een resultatenrekening kunnen opstellen en openbaarmaken zonder vermelding van de netto-omzet, alsmede een verkorte balans en toelichting kunnen openbaarmaken.

De Commissie is derhalve van oordeel dat aan Belgische ondernemingen die de criteria van artikel 27 van de richtlijn niet overschrijden (volgens het systeem van de richtlijn) de individuele toestemming kan worden gegeven, om de jaaromzet niet openbaar te maken. Haar advies terzake zal evenwel slechts gunstig zijn zo een dergelijke vraag om afwijking passend verantwoord is, in het biezonder door motieven die verband houden met concrete aspecten van internationale mededinging, en voor zover het aangevoerde nadeel effectief kan worden gestaafd aan de hand van feitelijke gegevens.

Anderzijds zou het uiteraard strijdig zijn met de richtlijn aan ondernemingen waarop ze van toepassing is (N.V., B.V.B.A., C.V.A.) en die de criteria van artikel 27 overschrijden, buiten de twee gevallen waarin de richtlijn zélf voorziet dat aan grote vennootschappen toestemming kan worden gegeven om van haar bepalingen af te wijken, nog langer afwijkingen te verlenen. De twee in de richtlijn bedoelde gevallen van mogelijke afwijkingen betreffen enerzijds de vermelding van deelnemingen en aandelen gehouden in andere vennootschappen7, anderzijds de uitsplitsing van de netto-omzet naar categorieën bedrijfsactiviteiten en geografische markten8.

ALGEMENE BENADERINGSWIJZE INDIVIDUELE AFWIJKINGEN

In zijn advies bij het wetsontwerp met betrekking tot de boekhouding en de jaarrekeningen van de ondernemingen9 heeft de Raad van State erop gewezen dat het grondwettelijk beginsel dat de Belgen gelijk zijn voor de wet kan worden geschonden als de toegestane afwijking de betrokken onderneming een stellig voordeel mocht opleveren op het gebied van de handelsconcurrentie en dat op beslissingen tot individuele afwijking praktisch geen rechterlijke controle zal kunnen worden uitgeoefend, want deze worden niet gepubliceerd en kunnen dus niet worden aangevochten door hen die zich benadeeld achten als zij er kennis van hadden.

Deze en andere overwegingen hebben de Commissie aangespoord tot grote voorzichtigheid bij het uitoefenen van haar adviesbevoegdheid inzake vragen om afwijking. Zij heeft als gevolg daarvan bepaalde beleidslijnen vastgesteld die het mogelijk moeten maken elke (positieve of negatieve) beslissing op passende wijze te motiveren. Hogervernoemde cijfers over de concrete toepassingsgevallen bevestigen dat deze restrictieve benadering met de werkelijkheid strookt.

In adviezen 108/1 en 108/210 werd de adviespraktijk van de Commissie beschreven.

PROCEDURE

Zoals aangekondigd in het Verslag aan de Koning dat het besluit van 12 september 1983 tot wijziging van het besluit van 8 oktober 1976 voorafgaat, zal van de ondernemingen die een afwijking hebben verkregen in de regel worden geëist dat zij daarvan melding maken in de toelichting.

 

  • 1. Cf. toelichting XII, A van het volledig jaarrekeningschema.
  • 2. Voor een overzicht van de mogelijke gevallen zie advies 108/2 in Bull. CBN nr. 4, december 1978.
  • 3. Bedoeld in artikel 12, § 2 van de boekhoudwet.
  • 4. Bij de Wet van 1 juli 1983 en de Koninklijke Besluiten van 12 september 1983.
  • 5. Cf. advies Raad van State bij het besluit van 12 september 1983 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 (Belgisch Staatsblad van 29 september 1983, p. 11915).
  • 6. Cf. Kamer, Gedr. Stuk 925 (1980-1981) nr. 1, p. 9.
  • 7. Voor een voorbeeld zie hierna advies 108/4.
  • 8. Cf. artikel 45, § 1, b en § 2 van de vierde richtlijn.
  • 9. Parl. St. Kamer, Gedr. Stuk 436/1 d.d. 12 november 1974.
  • 10. Respectievelijk verschenen in Bull. CBN nr. 1 en 4.